Free Image Hosting at www.ImageShack.us

- - - ID : Naar een identitaire stroming in Nederland ! - - -

zaterdag, augustus 04, 2007

De rechtse revolutie door Rene Schmitt in Bitterlemon, augustus 2007.

Op een gegeven moment heb je het door. Dan zakt de moed je in de schoenen. Op een gegeven moment wil je het opgeven. Dan lijken alle inspanningen tevergeefs. Zo’n moment is, voor mij persoonlijk, weer eens aangebroken. Het moment waarop je door hebt dat de trein doordendert. Dat hij niet te stoppen valt. Wat je ook probeert.

Dat moment trad aan toen ik afgelopen week het internet weer eens opging en een bezoek aflegde aan enkele prominente Nederlandse, ‘rechtse’ websites. Na mijn bezoek kon ik maar één conclusie trekken: rechts in Nederland is dood. En wat voor rechts moet doorgaan, is niets meer dan een handjevol ex-sociaal-democraten en zelfverklaarde ‘rechtsliberalen’ die de oorlog hebben verklaard aan iedereen zich niet de ‘moderniteit’ door de strot wil laten duwen. Rechts schijnt vandaag de dag synoniem te staan aan secularisme en ideologisch individualisme. Rechts schijnt zelfs een lans te moeten breken voor de herenliefde. Rechts is het spoor bijster.

Het ontbreekt de metaforische trein waarin we met z’n allen zitten op dit moment even aan een machinist die doorheeft dat het volgende station er niet is voor ons welzijn. Het ontbreekt ons aan dat oplettende clubje passagiers dat doorheeft dat aan de noodrem trekken misschien als schokkend kan worden ervaren, maar toch noodzakelijk is.

Voor die mensen die toch nog ergens in het diepste van hun ziel een sprankje hoop bewaren voor als het moment daar is, voor die mensen heb ik de moeite genomen om 10 punten te verzinnen waarmee we de rechtse agenda nieuw leven in kunnen blazen. 10 punten die ons genoeg explosieven opleveren om de trein voorgoed te laten ontsporen. 10 punten die de rechtse revolutie inluiden.

1. Als eerste gooien we onze televisies het raam uit. Weg met het staatsjournaal en gesubsidieerde documentairemakers. Ze preken maar voor hun eigen parochie. Nooit meet propaganda voor welfare bums. Weg met de commerciële omroepen. Aandachtsgeile BN’ers die in het kader van een carrièreboost weg lopen met uitgerangeerde politici en fulltime wereldverbeteraars als die socialist van een Al Gore verdienen geen aandacht. Banale realityshows die de meest ordinaire driften van de televisiekijkende massamens bevredigen moeten worden geboycot. Collectief voyeurisme is geen culturele verdienste. Het is een schande. In plaats van naar mooie bewegende plaatjes te gapen, pakken we de boeken weer uit de kast. Onze schatrijke literaire traditie kent genoeg literatuur om de rest van je leven te vullen met prachtige romans en uitdagende filosofie. Dat hebben we nodig om weer mannen van karakter te kweken, in plaats van zoutzakkerige bankzitters die met geen enkel engagement het leven tegemoet treden.

2. Daarna stoppen we met het betalen van onze belasting. Den Haag zoekt het maar uit. We zeggen ons vertrouwen in politici voorgoed op. Niet omdat we denken dat de gevestigde orde moet worden vervangen door één van een andere aard. Maar omdat we diep in onze aartsliberale harten en met ons gezonde conservatieve verstand weten dat de mens is wat hij is en hoe dan ook gecorrumpeerd raakt door macht. Staatsmacht maakt van de meest overtuigde moralist in no time een rovende socialist. Dat is een waarheid onafhankelijk van tijd en plaats. Als onze politieke en ambtelijke klassen hun salaris niet meer krijgen, houden ze er van zelf mee op. Zo ook de zwaardmacht (die op de meest cruciale momenten haar zwaard niet eens trekt) We hebben niets te verliezen.

3. We laten ons nooit meer vertellen met wie wij ons willen associëren. Antidiscriminatie wetgeving is alleen mogelijk zolang de macht van de staat tot in onze huiskamers en onze werkplekken reikt. De staat heeft alleen bestaansrecht als zij de orde handhaaft. Het mag nooit en te nimmer een instrument zijn ten behoeve van emancipatie.

4. We laten ons niet meer betoveren door de grootste leugen in de westerse intellectuele geschiedenis. Namelijk het idee dat de menselijke geschiedenis gestuurd wordt door de Rede. Noch dat het een proces is dat een doel heeft. De mens is geen homo democraticus. De gecentraliseerde, democratische superstaat is een corrumpering, en niet het product van rede of rechtvaardigheid. Er zijn vele verschillende acceptabele staatsvormen. Lees Aristoteles er op na. De 21e eeuwse Nederlandse democratische rechtstaat is niet moreel beter dan de Griekse Poleis, de Romeinse ResPublica, de Italiaanse oligarchische stadstaten uit de Renaissance, Het Heilige Romeinse Rijk der Duitse Natie of het 18e en 19eeuwse Habsburgse Rijk. De gemiddelde moderne democraat heeft meer invloed op het persoonlijke leven van zijn onderdanen dan de Franse Zonnekoning. Als er al zoiets bestaat als vooruitgang, dan is de moderne massademocratie een station dat hopelijk snel gepasseerd wordt.

5. Wij zijn de wereld niets verschuldigd. We hoeven geen oorlogen te voeren om naar de meest verre uithoeken van de wereld een staatsvorm te brengen die haar culturele wortels heeft in een cultuur die haaks staat op die van het afzetgebied. De geschiedenis zal uitwijzen (en heeft uitgewezen) dat dit niet veel goeds brengt. Culturen en volken verschillen van elkaar. De ene cultuur bloeit onder autocratie, de ander onder deliberatie. We zijn geen Jakobijnen. We hoeven de geschiedenis niet met de bajonet een handje te helpen. Er zijn volken die niet gemaakt zijn voor democratie. Dat is voor veel progressieve bommengooiers, socialistische moralisten en andere beroepsdemocraten vervelend nieuws. Wij blijven er echter stoïcijns onder. Wij zijn klassieke realisten.

6. Aan mensenrechten hebben wij geen boodschap. Zij zijn het product van één van de grootste rampen uit de Europese geschiedenis: de Franse Revolutie. Mensenrechten zijn abstracties. Zij hebben geen enkele relatie met de werkelijkheid. Een cultuur bloeit niet onder mensenrechten. Mensenrechten behoren, naast centraal bankieren en belastingheffingen, tot het wapenarsenaal van centralisten. De gecentraliseerde staat bestaat bij de gratie van het idee dat zij vrede en rechtvaardigheid aan haar burgers schenkt en daarmee diens ‘rechten’ beschermt. In werkelijkheid berooft en vermoord zij burgers aan de lopende band. Gemeenschappen hebben er daarom belang bij zich zo snel mogelijk te ontdoen van de gecentraliseerde staat. En van iedereen die de ideeën verspreid waardoor zij wordt gelegitimeerd.

7. Wij hebben geen hekel aan religie. Religie is een sociaal bindmiddel. Het is, zoals Richard Weaver prachtig stelt, een gezamenlijke metafysische droom. Een interpretatief kader waarbinnen een vertrouwensband kan worden geschept tussen de leden van een gemeenschap, op een niveau die de fysieke wereld overstijgt. Een gedeelde religieuze onderneming op aarde versterkt een cultuur. Het geeft de kunst en de wetenschap weer een doel. Het blaast de levensadem in dode continenten. Onze problematiek met islamitische immigranten is nog geen reden om van rechts een seculiere voorhoede te maken. Een voorhoede die nota bene gecentraliseerde staatsmacht predikt ten behoeve van het emanciperen van vrouwen en het onderdrukken van religieuze symbolen. Wij zijn er niet om het werk van de 60’s radicals af te maken.

8. We blijven vertrouwen hebben in de vrije markt. Het subsidiëren van multinationals die hun raden van toezicht vol hebben zitten met sociaal-democraten heeft niets te maken met de vrije markt. Elke vorm van staatsinterventie in het economische verkeer is niet alleen economisch schadelijk en moreel verkeerd, het getuigt ook van weinig vertrouwen in de mensen zelf. De mythe dat er op de markt alleen boeven actief zijn, en in de overheid alleen engelen moet van zijn sokkel worden gehaald. De Rousseauiaanse leugen over het corrumperende effect van privaat bezit op de mens en de samenleving moet vervangen worden door de kristalheldere waarheid van de ambtenaar die gecorrumpeerd raakt door de (democratische) vrijbrief die hij krijgt om de zakken van zijn burgers leeg te roven.

9. We luisteren niet meer naar de hersenspinsels van moderne sociale wetenschappers. Positivisme, statistiek en andere natuurkundige methodologie horen niet thuis in de sociale wetenschappen. Zodra de criminologie verkondigt dat er geen verband bestaat tussen immigratie, cultuur en misdaad, zondigt zij tegen gezond verstand. Dat zelfde geld voor de politicologische beweringen over de heilzame werking van democratie, de sociologische beweringen over het verband tussen privaat bezit en corruptie en de antropologische beweringen over de natuurlijke goedheid van de nobele wilde. De methodologische blinde vlek van deze (inmiddels pseudo-)wetenschappen hebben de disciplines een plek bezorgd op de vuilnisbelt. En totdat gezond verstand weer een deel gaat uitmaken van die wetenschappen, behoren ze daar ook.

10. Leg wat geld opzij (of nog beter, goud) Als de anarchie intreedt na de val van Europa, is het hebben van financiële middelen geen overbodige luxe.

Wie zich rechts noemt en zich niet kan vinden in de bovenstaande agenda moet maar eens goed gaan overdenken of hij toch niet stiekem progressief is. Laten we het kaf snel van het koren scheiden. Zodat we een groep goede schrijvers overhouden die weten waar het uiteindelijk om draait. Want op dit moment, is dat ook geen overbodige luxe.

Bron: Bitterlemon

Labels: , ,

maandag, juli 23, 2007

Wie zijn wij? door Erik van Goor op HetVrijeVolk.com, 16 juli 2007.

Volgens Ella Vogelaar moet Nederland de feiten onder ogen zien. Volgens haar moeten we erkennen dat moslims hier niet meer weg zullen gaan; er zullen er eerder meer bijkomen. We zullen de islam moeten accepteren als een deel van onze samenleving. Zelfs als dat de consequentie heeft dat er straks gesproken zal worden van een cultuur met joods-christelijke-islamitische wortels.

PvdA-minister Vogelaar wil de moslims helpen dat ze zich hier thuis voelen: "islam en moslims moeten zich hier kunnen wortelen." Een golfje van protest spoelde over ons land. Marc Rutte, Geert Wilders, Leon de Winter en Gerry van der List vielen nogal over onze minister heen. Ella Vogelaar, minister van 'Wonen, Wijken en Integratie', zou volgens hen iets stoms hebben gezegd. Onze cultuur is 'joods-christelijk' (Wilders), gaat uit van 'gelijkheid van man en vrouw en democratie' (Rutte), is 'de woestijngod te boven gekomen' (De Winter) of heeft zich juist tegen elke vorm van traditie afgezet en is 'een humanistische cultuur' (Van der List).

Wie heeft er gelijk? De minister of de heren critici? Is minister van 'Wonen, Wijken en Integratie' Ella Vogelaar blind-links of is ze een realist? Ze zei onder meer dit:

"Nederland is een samenleving die gevormd is op basis van joods-christelijke tradities. Dat zijn onze wortels. Als je ervan uit gaat dat een substantiële bevolkingsgroep andere tradities, een andere religie, brengt, dan zie ik dat als een wederzijds proces. Enerzijds zal de islam door de Europese cultuur en tradities beïnvloed worden en niet hetzelfde blijven. Anderzijds is het belangrijk dat zo’n grote groep zich wortelt in onze samenleving, er een onlosmakelijk onderdeel van wordt. Eeuwen geleden kwam de Joodse gemeenschap naar Nederland en nu zeggen we: Nederland is een land gevormd door joods-christelijke tradities. En ik kan me voorstellen dat we een vergelijkbaar proces krijgen met de islam."

Ten eerste valt het nog steeds op wat voor vreemde portefeuille de minister heeft. Vreemd dat het 'wonen' onder de verantwoordelijkheid van een minister valt. Het klinkt zoiets als 'minister van opvoeding', of van 'verkeringstijd'. Aan het 'Wonen' is 'Wijken' toegevoegd. Hoort dit woord bij 'Wonen' of bij het derde woord: 'Integratie'? Hoort het bij integratie, dan zal bedoeld worden het uitwijken van inheemse Nederlanders uit bepaalde getto's. Of misschien het remigreren? Dat is toch ook een vorm van uitwijken?

Ten tweede valt iets - belangrijkers - op. Vogelaar spreekt over traditie en verworteling. Dat is op z'n minst vreemd uit de mond van een moderne politicus. Gerry van der List legt hier terecht zijn Verlichte vingers bij. Hebben we de democratische verworvenheden, zo stelt hij, niet juist afgedwongen op deze tradities? Hij noemt dan de scheiding van kerk en staat.

Van der List heeft deels gelijk. Hij heeft gelijk wanneer hij aangeeft dat Vogelaar niet beseft wat ze zegt; ze onderbouwt het tenminste nergens. Want wat is dan de joods-christelijke cultuur? De verwijzing naar de komst van de joden in de zeventiende eeuw zegt niet zoveel. Is het echt zo dat de loutere aanwezigheid van een paar joden onze cultuur tot in haar wortels heeft beïnvloed? Dat is niet hard te maken. Wat is dan zo'n concrete bijdrage aan onze cultuur? En dan nog wel tot in de wortels?

Als er al sprake is geweest van joodse elementen, dan is dit toch uitsluitend via de invloed van het christendom gegaan. Zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de zondagsrust die is afgeleid van de joodse sabbatsrust.

De enige traditie die ons tot in de wortels heeft bepaald is die van het christendom. Via het christendom hebben joodse, heidense en klassieke elementen een zekere waarde behouden. Zelfs uitwassen als socialisme, liberalisme en 'scheiding kerk en staat' komen in zekere zin voort uit het christendom. (Trouwens: al onder het oude jodendom was er al sprake van een onderscheiding tussen koning, priesterklasse en profetendom.)

Individualisme heeft óók een christelijke wortel, spijtig maar waar. Evenals vooruitgangsgeloof, rationalisme, secularisme en gelijkheidsdenken. Het zijn weliswaar perversies van bepaalde christelijke principes, maar de lijnen zijn scherp en duidelijk. Er is een continuïteit tussen liberalisme en puritanisme. En de Amerikaanse wetenschapper Michael Walzer wijst er in de studie The Revolution of the Saints op dat in het puriteinse New England al gauw sprake was van een relatieve gelijkheid tussen man en vrouw, mede versterkt door het persoonlijke wedergeboorte-aspect.

Nu is elke omvattende traditie zelf de bron zowel van zichzelf als van haar tegendelen. Het christendom heeft individualisme in de hand gewerkt, maar kent allereerst het gemeenschapsdenken. De Spaanse theologen hebben weliswaar de grondslagen gelegd voor mensenrechten en vrije markteconomie, maar het christendom is allereerst een traditie die uitgaat van de plichten van elk mens tegenover God en van een organische gemeenschapseconomie.

Onze opvattingen over huwelijk en gezin, over persoonlijke verantwoordelijkheid, over dood en leven, fenomenen als universiteiten, ziekenhuizen en bejaardenoorden; dit alles is op z'n minst diepgaand beïnvloed geweest door het christendom, is het niet dat het zelfs als een pure creatie van het christendom kan worden gezien. Socialisme, liberalisme en kapitalisme kunnen worden teruggevoerd op het christendom, niet uitsluitend, maar wel tot in de wortel. Evenals fenomenen als democratie en - in mindere mate - republiek. Natuurlijk is er wat betreft de laatste zaken ook een onmiskenbare invloed van het klassieke denken, maar het is dit denken geweest dat een grote weerklank vond binnen het christendom en zo samen met joodse en 'typisch' christelijke elementen via de christelijke traditie de Germaanse cultuur transformeerden.

De vraag is dus: wat voor recht, wat voor aanleiding ziet minister Vogelaar om een perspectief te schetsen van een 'joods-christelijke-islamitische' cultuur in wording? Al is dit proces volgens haar misschien een kwestie van eeuwen; het gaat hier om het principe. Wie zijn wij? Potentieel (deels) islamitisch? Of onmiskenbaar christelijk (of van 'christelijke afkomst')? Verwerpen we onze wortels, zoals De Winter en Van der List, en keren we ons tegen wie we zijn? Dit laatste inclusief het bedrog en de vervalsing?

Minister Vogelaar doet het anders. Zij houdt het bij wat gebazel over wortels en traditie alsof ze een Jig Saw Puzzle-tje legt op een regenachtige dag in de caravan. Onbenul heeft ook zo z'n charme. Vooral als het getooid is in een zomerse bloemetjesjapon. Voor sommige ministerschappen hoef je geen boekje open te slaan. Een goede neus voor integratie en een goed gevoel over de uitkomst is genoeg.

Het Vrije Volk

Labels: , , ,

De prijs van immigratie: door grote verschillen kruipen mensen in hun schulp door Robert Putnam in NRC Handelsblad, juli 2007.

Ook al brengen immigratie en toenemende etnische diversiteit veel voordelen met zich mee, op korte en middellange termijn eisen die ontwikkelingen hun tol, doordat mensen zich terugtrekken uit de samen- leving. Lessen uit een baan- brekend onderzoek in de VS.

Een van de grootste uitdagingen van nu, een uitdaging vol problemen en kansen, is de groeiende etnische en sociale diversiteit in vrijwel alle ontwikkelde landen. Van bijna elke moderne samenleving kun je vrij zeker voorspellen dat zij, als we een generatie verder zijn, diverser zal zijn dan nu.

Wat betekent dat voor het sociale kapitaal? Dat is een belangrijk begrip voor samenlevingen en verwijst naar de sociale netwerken die we hebben. De essentie van het begrip sociaal kapitaal is dat, net als gereedschap (fysiek kapitaal) en training (menselijk kapitaal), sociale netwerken waarde hebben. Zo heeft de kwaliteit van onze sociale netwerken een groot effect op ons inkomen en ook op onze gezondheid. Maar niet alleen voor de mensen binnen het netwerk bestaat die waarde, vaak ook voor buitenstaanders. Criminologen hebben bijvoorbeeld laten zien dat een sterk buurtnetwerk misdaad kan afschrikken.

Mijn vrouw en ik prijzen ons gelukkig dat we wonen in een buurt in Cambridge, Massachusetts, met veel sociaal kapitaal: barbecues, feestjes en dergelijke. Als ik op reis ben, vertrouw ik erop dat mijn huis wordt beschermd door al dat sociale kapitaal, hoewel, zo moet ik bekennen, ik nooit naar die barbecues en feestjes ga. Met andere woorden, ik profiteer van die sociale netwerken hoewel ik er zelf niet in zit.

Sociaal kapitaal heeft veel vormen, die niet allemaal onderling vervangbaar zijn. Niet alle netwerken hebben hetzelfde effect: met veel vrienden verbetert je gezondheid, terwijl actiegroepen de democratie versterken. Toch valt uit veel onderzoek op te maken dat waar het sociaal kapitaal hoog is, kinderen gezonder en veiliger opgroeien en beter opgevoed worden, mensen langer en gelukkiger leven, en de democratie en economie beter functioneren. Daarom is het de moeite waard de implicaties van immigratie en etnische diversiteit voor sociaal kapitaal te onderzoeken.

Daarbij heb ik drie hoofdoverwegingen:

De etnische diversiteit zal in vrijwel alle moderne samenlevingen in de komende decennia aanzienlijk toenemen, voor een deel door immigratie. Groei van immigratie en diversiteit is niet alleen onvermijdelijk, maar op langere termijn ook wenselijk. Alles bij elkaar is etnische diversiteit een belangrijk pluspunt, zoals de geschiedenis van mijn eigen land, de Verenigde Staten, laat zien.

Op de korte en middellange termijn stellen immigratie en etnische diversiteit de sociale solidariteit op de proef en vormen zij een rem op het sociale kapitaal.

Op de middellange en langere termijn roepen succesvolle immigratielanden nieuwe vormen van sociale solidariteit in het leven en dempen ze de negatieve effecten van diversiteit door nieuwere, meeromvattende identiteiten te construeren. De belangrijkste taak voor moderne, diverser wordende samenlevingen is daarom een nieuw, breder ‘wij’-gevoel te scheppen.

Hoewel diversiteit en immigratie niet hetzelfde zijn, zullen onze samenlevingen door de toenemende immigratie etnisch gezien ontegenzeglijk diverser worden.

Die diversiteit zal een belangrijk pluspunt zijn. Niet alleen de eetgewoontes worden verrijkt door immigratie of de cultuur in velerlei zin, ook de creativiteit in het algemeen lijkt te worden vergroot door immigratie en diversiteit. Zo zijn er onder de Nobelprijswinnaars, leden van de National Academy of Science en regisseurs die een Oscar hebben gewonnen, drie tot vier keer zo veel immigranten als in Amerika geboren Amerikanen.

Uit de meeste studies blijkt verder dat immigratie vaak tot een verhoging van het nationaal inkomen leidt. Bovendien helpt immigratie een aantal problemen van vergrijzing op te lossen: jonge migranten betalen aan een stelsel van sociale zekerheid waarop ze pas jaren later een beroep zullen doen.

Een ander positief effect zijn de betalingen van immigranten aan hun geboorteland en de overdracht van technologie en nieuwe ideeën via immigrantennetwerken. Dit effect is zo groot dat ondanks de ‘braindrain’-kosten een jaarlijkse toename van de immigratie met slechts drie procent nettovoordelen kan opleveren die groter zijn dan wanneer al onze doelen voor ontwikkelingshulp worden bereikt, alle schulden van de derde wereld worden geschrapt en alle barrières voor handel met derdewereldlanden worden opgeheven. Maar wat voor effect hebben immigratie en multiculturele diversiteit op het sociale kapitaal?

Uit veel wetenschappelijk onderzoek blijkt dat sociaal kapitaal en maatschappelijke betrokkenheid negatief gecorrelleerd zijn aan etnische diversiteit. Enkele voorbeelden:

Hoe heterogener (qua leeftijd, beroep, etnische afkomst en andere factoren), des te lager de interne cohesie en tevredenheid en des te groter het verloop.

Grotere etnische heterogeniteit lijkt geassocieerd te worden met minder sociaal vertrouwen.

In Peruaanse coöperaties die worden gefinancieerd met microkredieten, gaan etnisch-heterogene organisaties eerder failliet; in Keniaanse schooldistricten wordt etnolinguistische diversiteit geassocieerd met lagere opbrengsten van geldinzamelingsacties; in het Pakistaanse Himalayagebied wordt religieuze, politieke en clan-diversiteit gekoppeld aan onvermogen om een collectieve infrastructuur in stand te houden.

In verschillende Amerikaanse bevolkingsgroepen wordt grotere etnische heterogeniteit geassocieerd met een lager percentage carpooling, een activiteit die staat voor vertrouwen en wederkerigheid.

Uit een groot onderzoek in de Verenigde Staten, de Social Capital Community Benchmark Survey, blijkt dat er een sterke positieve relatie is tussen interraciaal vertrouwen en etnische homogeniteit. In het zeer diverse Los Angeles of San Francisco zegt ongeveer 30 procent dat ze hun buren ‘veel’ vertrouwen, terwijl in etnisch homogene gemeenschappen 70 tot 80 procent dat zegt. Hoe groter de etnische diversiteit onder mensen, des te groter het onderling wantrouwen.

In etnisch diverse gemeenschappen zijn mensen geneigd in hun schulp te kruipen. Het onderlinge vertrouwen is laag, net als veel andere vormen van sociaal kapitaal. Dat wordt op een aantal manieren zichtbaar:

In gebieden met grote diversiteit hebben mensen minder vertrouwen in het lokale bestuur, plaatselijke leiders en plaatselijke media;

hebben ze minder vertrouwen in hun eigen invloed (maar zijn ze meer geneigd deel te nemen aan demonstraties en actiegroepen);

zijn ze minder geneigd te denken dat samenwerking problemen zal oplossen (denk aan vrijwillige beperkingen om een tekort aan water of energie op te lossen);

doen mensen minder vrijwilligerswerk;

hebben ze minder vrienden en vertrouwelingen;

zijn ze minder gelukkig en ontevredener over de kwaliteit van hun leven;

kijken ze meer tv en zijn ze het vaker eens met de uitspraak ‘televisie is mijn belangrijkste vorm van vermaak’.

Voor alle duidelijkheid: een aantal elementen van sociaal kapitaal en maatschappelijke betrokkenheid lijken in Amerikaanse gemeenschappen betrekkelijk weinig te worden beïnvloed door etnische diversiteit. Voor verschillende soorten organisatorische activiteit, waaronder religieuze activiteiten, is er geen duidelijke relatie met diversiteit, en zoals hierboven opgemerkt zijn enkele vormen van politieke betrokkenheid, zoals deelname aan demonstraties, positief gerelateerd aan diversiteit. Desalniettemin komt er een redelijk coherent beeld uit deze analyse. Diversiteit leidt niet tot slechte rassenrelaties of vijandigheid tussen etnische groepen. De leden van gemeenschappen met een grote diversiteit zijn eerder geneigd zich uit het collectieve leven terug te trekken; hun buren te wantrouwen, ongeacht de kleur van hun huid; zich zelfs terug te trekken voor hun naaste vrienden; het slechtste te verwachten van hun gemeenschap en de leiders daarvan; minder vrijwilligerswerk te doen; minder aan goede doelen te geven en minder te werken aan projecten voor de gemeenschap. Ze zijn eerder geneigd actie te voeren voor sociale hervormingen maar hebben minder vertrouwen dat dit iets uitmaakt, en zijn vaker geneigd ongelukkig voor de televisie te kruipen. Het gaat bij dit patroon om houdingen én om feitelijk gedrag, particuliere en publieke banden. Diversiteit lijkt van ons, in ieder geval op de korte termijn, allemaal schildpadden te maken die in hun schulp kruipen.

De simpele correlatie tussen diversiteit en sociaal isolement kan misleidend zijn, en in onze bredere analyse hebben we een groot aantal mogelijke methodologische problemen bekeken. Gemeenschappen met een grote diversiteit zijn bijvoorbeeld groter en mobieler en kennen meer misdaad en grotere economische ongelijkheid. In principe zou een van die factoren, meer dan diversiteit op zich, de verklaring kunnen zijn voor de gevonden correlatie. Om die mogelijkheid uit te sluiten, hebben we zowel op individueel als gemeenschapsniveau gecontroleerd voor verscheidene factoren tegelijkertijd: leeftijd, etniciteit, opleiding, rijkdom/armoede, taal, nationaliteit, reistijd naar het werk, en huiseigendom, naast inkomensongelijkheid, misdaadcijfers en voorzieningen als koffiehuizen en speeltuinen. Steeds kwamen we tot dezelfde conclusie: etnische diversiteit is de factor die het meest wordt geassocieerd met sociaal isolement.

We hebben ditzelfde patroon bevestigd gezien onder zowel rijk als arm, blank als niet-blank, progressief als conservatief. Het patroon blijft bestaan, of we nu immigratiegraad of percentage niet-blanken gebruiken als maatstaf voor diversiteit. Omkering van het argument, met als gedachte dat mensen er zelf voor kiezen en dat hun mate van vertrouwen beïnvloedt waar ze gaan wonen, is hoogst onwaarschijnlijk, omdat dat zou impliceren dat paranoïde sociaal-geïsoleerden de eersten zijn die naar een etnisch diverse buurt trekken en de laatsten die daar weggaan. We hebben, kortom, veel verfijnde testen losgelaten op onze bevindingen, en het patroon blijft duidelijk staan (zie ook de link aan het einde van dit artikel): veel Amerikanen voelen zich tegenwoordig niet op hun gemak met diversiteit.

Sociaal-psychologen en sociologen hebben ons geleerd dat mensen het makkelijker vinden elkaar te vertrouwen en samen te werken wanneer de sociale afstand tussen hen kleiner is. Dan is er een gevoel van een gezamenlijke identiteit, nabijheid, en gedeelde ervaringen. Wanneer de sociale afstand groot is, zien en behandelen mensen de ander als iemand van een andere categorie. Sociale afstand hangt op zijn beurt af van sociale identiteit, ons gevoel van wie we zijn. Identiteit op zich is sociaal bepaald en kan worden gedeconstrueerd en gereconstrueerd. Bij bijvoorbeeld religieus evangelisme, sociale mobilisatie en politieke campagnes wordt een bewuste transformatie van een identiteit zichtbaar.

Sta mij toe een paar persoonlijke anekdotes te vertellen om toe te lichten dat een identiteit sociaal geconstrueerd is en kneedbaar. Ik ben in de jaren vijftig opgegroeid in een stadje in het Midwesten. Van de 150 klasgenoten in mijn laatste jaar kende ik van iedereen hun geloof. Ook al ben ik hun namen al lang vergeten, zelfs nu nog weet ik grofweg wie katholiek was, wie een methodist, en ga zo maar door. Dat was geen bijzondere tic van mij, want al mijn klasgenoten kenden de godsdienst van de ander. Mijn eigen kinderen, die in de jaren tachtig naar de middelbare school gingen, kenden van bijna geen van hun klasgenoten de godsdienst. Waar komt dat verschil vandaan? Om het raadsel op te lossen, moet u weten dat in dat tijdsverschil van dertig jaar de gewoonte om binnen je geloof te trouwen vrijwel is verdwenen in Amerika, zeker onder doorsnee protestanten, katholieken en joden. In de jaren vijftig was het voor het belangrijkste in het leven van iedere adolescent – paarvorming – essentieel om te weten wat de religieuze oriëntatie was van je leeftijdsgenoten. In de jaren tachtig was religie voor een beetje romantiek nauwelijks belangrijker dan de vraag of iemand links- of rechtshandig was.

In dat opzicht hebben Amerikanen godsdienst in de afgelopen halve eeuw min of meer gedeconstrueerd als een belangrijke sociale scheidslijn, ook al blijft godsdienst op een persoonlijk niveau belangrijk. Uit ons onderzoek blijkt dat hun religieuze identiteit voor de meeste Amerikanen belangrijk is dan hun etnische identiteit, maar het karakteristieke van religieuze verschillen als scheidslijnen voor sociale identiteit is sterk verminderd. Terwijl onze religieuze identiteiten poreuzer zijn geworden, heeft religie veel sociaal kapitaal opgeleverd waarmee we bruggen kunnen slaan naar anderen zonder dat we afstand doen van onze eigen religieuze loyaliteiten.

Dit gegeven laat zien hoe belangrijk het is om wat je kunt noemen ‘gekoppelde identiteiten’ te stimuleren: identiteiten die voorheen gescheiden etnische groepen in staat stellen om zichzelf te zien als leden van een grotere groep met een gedeelde identiteit.

Laat me, om te laten zien dat dit geen gemeenplaats is, kort herinneren aan een paar succesverhalen uit mijn eigen land.

Om te beginnen het Amerikaanse leger. Dat is een organisatie die betrekkelijk kleurenblind is geworden. Systematisch onderzoek heeft laten zien dat de gemiddelde Amerikaanse soldaat veel nauwere interraciale vriendschappen heeft dan de gemiddelde Amerikaanse burger van dezelfde leeftijd en dezelfde sociale klasse. Toch was nog geen dertig jaar terug het leger geen succesverhaal in rassenverhoudingen. Tijdens de Vietnamoorlog hoorde je regelmatig dat soldaten van verschillende rassen aanvallen op elkaar uitvoerden met handgranaten. We moeten dit meer in detail bekijken, maar zelfs dit korte overzicht suggereert dat iets wat het leger de afgelopen dertig jaar heeft gedaan, heeft geleid tot het herconstrueren van sociale identiteiten en een toename van sociale solidariteit, zelfs in de aanwezigheid van etnische diversiteit. Strikte handhaving van regels tegen discriminatie en schelden is een sleutelelement in dit verhaal, maar ik vermoed dat nieuwe nadruk op gedeelde identiteit die rassenlijnen overschrijdt, ook belangrijk is geweest.

Een tweede voorbeeld is even indrukwekkend. Historisch gezien hebben Amerikanen hun godsdienst in zo’n complete rassenscheiding beleefd dat godsdienstsociologen plachten te zeggen dat ‘11 uur zondagmorgen het meest gesegregeerde uur van de week’ is. In de laatste jaren zijn veel kerken, vooral evangelische megakerken, echter aanzienlijk geïntegreerder geworden, in rassentermen.

Een laatste voorbeeld is historisch gezien gecompliceerder, maar uiteindelijke relevanter voor ons thema. Een eeuw geleden beleefde Amerika een grote, aanhoudende immigratiegolf die onze traditionele etnische diversiteit op enorme wijze heeft doen groeien. Miljoenen immigranten van verschillende ‘rassen’ – een term die toen verwees naar Italiaanse en Poolse katholieken, Russische joden en anderen die zich verspreidden in een voorheen overwegend door witte angelsaksische protestanten (WASP’s) gedomineerde samenleving. Hoewel ik geen goed overzichtsonderzoek over die periode heb gevonden, heb ik het sterke vermoeden dat in die periode ook sprake was van veel in-je-schulp kruipen, zelfs binnen de gemeenschappen van immigranten. Toch voelen de kleinkinderen van de WASPs en die van de immigranten zich vijftig jaar later bij elkaar op hun gemak. Het beste kwantitatieve bewijs betreft het trouwen binnen de eigen groep. Een eeuw geleden was dat voor de nieuwkomers uit Oost- en Zuid-Europa de gewoonte, zo sterk dat je van ‘kastes’ kon spreken. Maar in 1990 heeft slechts eenvijfde van de blanke Amerikanen echtgenoten met dezelfde etnische achtergrond. Omgekeerd is de cultuur van immigrantengroepen doorgedrongen in het bredere Amerikaanse culturele kader, met de Amerikanisering van St Patrick’s Day, pizza en ‘joodse’ humor. In sommige opzichten zijn ‘zij’ net als ‘wij’, en in sommige opzichten omvat ons nieuwe ‘ons’ nu ook ‘hen’.

Dit was geen simpele, onvermijdelijke en probleemloze assimilatie, maar in de loop van verscheidene generaties werden de etnische verschillen gedempt en werden ze minder opvallend: assimilatie werd in de loop van de twintigste eeuw de belangrijkste trend voor deze immigranten. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat er op de korte termijn een uitruil is tussen diversiteit en gemeenschapsgevoel, maar dat met verstandig optreden (zowel publiekelijk als privé) dit effect kan worden verminderd.

Wat zijn de implicaties hiervan voor het beleid? Immigratiebeleid gaat niet alleen over aantallen en grenzen. Het gaat ook over het koesteren van een gevoel van gedeeld burgerschap. Hoe word je een succesvol immigratieland?

Tolerantie voor verschillen is slechts een eerste stap. Om het gevoel van een gedeelde identiteit te versterken, moeten we meer mogelijkheden scheppen voor etnische interactie in de manier waarop we werken, leren, recreëren en leven. Gemeenschapscentra, sportvelden en scholen behoorden een eeuw geleden tot de effectiefste instrumenten om nieuwe immigranten op te nemen, we moeten opnieuw investeren in dergelijke plaatsen en activiteiten, waardoor we allemaal in staat worden gesteld ons comfortabeler te voelen met diversiteit.

Veel immigranten willen zich aanpassen – de taal leren, bijvoorbeeld. Overheidssteun voor taaltraining, vooral in een situatie die banden tussen immigranten van verschillende etnische achtergronden aanmoedigt, zou hoge prioriteit moeten krijgen.

Aangezien de langetermijneffecten van immigratie en diversiteit vaak op nationaal niveau worden gevoeld (wetenschappelijke creativiteit, belastingopbrengst en dergelijke) terwijl de kortetermijnkosten (kwetsbare gemeenschappen, uitgaven voor onderwijs en gezondheidszorg bijvoorbeeld) vaak op het lokale niveau zijn geconcentreerd, moeten we ons sterk maken voor nationale steun aan de bewuste gemeenschappen.

Lokale programma’s om nieuwe immigranten te bereiken zijn over en weer een belangrijk leerinstrument. Religieuze instellingen – en nu, zoals een eeuw geleden, vooral de katholieke kerk – kunnen een hoofdrol spelen in het opnemen van nieuwe immigranten en het daarna smeden van gedeelde identiteiten over etnische grenzen heen. Een eeuw geleden waren in de VS etnische sociale groepen als de Sons of Norway of de Knights of Columbus of joodse hulporganisaties voor immigranten belangrijke beginstappen naar maatschappelijke betrokkenheid. Sociaal kapitaal binnen een groep kan zo een voorbode zijn van sociaal kapitaal tussen groepen, in plaats van dat uit te sluiten.

We moeten werken aan het overbruggen van de verschillen tussen groepen, net als aan het versterken van de banden binnen groepen. De Amerikaanse senator en presidentskandidaat Barack Obama, wiens levensverhaal de belichaming is van de banden tussen immigranten en mensen die in Amerika zijn geboren, heeft opgeroepen tot „een Amerika waarin ras op dezelfde manier wordt gezien als de etnische diversiteit onder de blanke bevolking. Mensen zijn er trots op Iers-Amerikaans of Italiaans-Amerikaans te zijn. Ze hebben een eigen cultuur die doorsijpelt in de (hele) cultuur en deze rijker en interessanter maakt. Maar het is niet iets wat de kansen van mensen bepaalt en er is geen gevoel van superioriteit of inferioriteit. [...] Als we deze houding kunnen uitbreiden tot Afro-Amerikanen en Latino-Amerikanen en Aziatische Amerikanen dan [...] kunnen al onze kinderen zich op hun gemak voelen met de wereld waar zij vandaan komen, in de wetenschap dat zij deel uitmaken van iets groters.”

Wetenschappelijk onderzoek naar immigratie, diversiteit en sociale cohesie kan makkelijk beladen worden wanneer de uitkomsten van het onderzoek deel gaan uitmaken van het politieke debat, maar dat debat moet wel worden gedragen door de feiten zoals we die zo goed mogelijk hebben vastgesteld. Het zou betreurenswaardig zijn als politiek-correcte progressieven zouden ontkennen dat diversiteit een uitdaging vormt voor de sociale solidariteit. Het zou even betreurenswaardig zijn als ahistorische en etnocentrische conservatieven zouden ontkennen dat het haalbaar en wenselijk is die uitdaging aan te gaan.

Max Weber wees politieke leiders in spe er bijna een eeuw geleden op dat ‘politiek als het langzaam boren in hard hout’ is. Het is niet eenvoudig om ons meer op ons gemak te gaan voelen met diversiteit, en het gaat ook niet van de ene dag op de andere. Maar het gaat sneller als we ons daar collectief voor inspannen, en uiteindelijk is het de moeite meer dan waard.

Een grote verworvenheid van de menselijke beschaving is ons vermogen om nieuwe lijnen te trekken voor een sociale identiteit die meer mensen omvat. Het motto van de Verenigde Staten en op onze dollarbiljetten, een motto dat ook de titel is van ons langere essay, e pluribus unum (uit velen één), weerspiegelt precies dat doel: een nieuwe eenheid te smeden uit een veelvormige diversiteit.

NRC Handelsblad
Oorspronkelijk artikel Robert Putnam

Labels: , ,

Vaderlandse geschiedenis... in Friesch Dagblad, 7 juli 2007.

Minister Plasterk schrijft historie: hij heeft vastgelegd wat iedere jonge Nederlander over de geschiedenis van zijn land moet weten. Er was al een geschiedenisprogramma voor bijvoorbeeld de basisschool, vastgelegd in de zogeheten kerndoelen. Dat is leerstof die kinderen minimaal moeten weten als ze de basisschool verlaten. Maar naar huidige inzichten is dat veel te weinig. De minister wil daarom méér vastleggen aan eisen, via de zogeheten canon van de vaderlandse geschiedenis.

De beslissing van Plasterk komt voort uit het besef dat het om allerlei redenen belangrijk is dat Nederlanders meer weten van de geschiedenis van hun land. Wie de geschiedenis van zijn land niet kent, gaat in zekere zin oppervlakkig om met het land. Wie bijvoorbeeld geen besef heeft van de wording van de democratie in Nederland, is minder toegerust om die democratie te onderhouden of te verbeteren. De moderne mens is een historisch wezen; zijn zelfverstaan en identiteit worden mede bepaald door de geschiedenis. Wie die geschiedenis niet kent, heeft het moeilijker om de eigen identiteit te beleven.

De winst van de maatregel van Plasterk is de erkenning van het belang van geschiedenis als schoolvak. Het gaat niet alleen om feitjes en weetjes, maar ook om het ‘historisch besef’, om de ervaring van de werkelijkheid als een historische werkelijkheid: ik sta in een traditie, ben mede gevormd door wat vorige generaties hebben meegemaakt, hebben gedaan en doorgegeven. Die ervaring wordt rijker als ik beschik over meer feitenkennis. Hoe meer ik weet, hoe beter ik verbanden kan zien en leggen, en hoe meer ‘instrumenten’ (bijvoorbeeld: woorden) ik heb om het ‘beter’ over de werkelijkheid te hebben en met die werkelijkheid kan omgaan.

...en godsdienstonderwijs

Er is een interessante parallel te trekken tussen het vak geschiedenis en godsdienstonderwijs. In dat laatste is net als bij geschiedenis, de afgelopen decennia de aandacht voor feiten en wetenswaardigheden verslapt. Net als bij geschiedenis gaat het bij godsdienstonderwijs niet om de feiten als zodanig, maar om kennis die de samenhang in het kennisgebied duidelijker maken. En die daardoor verdieping van inzicht mogelijk maakt. Daarbij geldt, net als bij geschiedenis, hoe meer we weten van wat er feitelijk in de Bijbel staat, hoe beter we zijn toegerust om door te dringen tot de kern van wat de Bijbel ons te zeggen heeft aangaande God, mens en wereld.

Het negeren van het belang van de feitelijkheden in de vaderlandse geschiedenis zou wel eens een factor kunnen zijn in de verzwakking van de beleving van het Nederlanderschap. Wie niet weet hoe ons land geworden is tot wat het is, wat de diepte- en de hoogtepunten zijn in moreel, in economisch of in cultureel opzicht, heeft nauwelijks reden om zich trots te voelen, of beschaamd; of om zich voor het land in te zetten. Nationale identiteit is geen vies woord; ze schept een kader waarbinnen mensen zich thuis kunnen voelen en biedt mensen een concrete mogelijkheid hun sociale en politieke verantwoordelijkheid te beleven. Bovendien biedt een nationale identiteit een kader voor het omgaan met effecten van globalisering en van de komst van mensen vanuit een andere cultuur. Het kader van nationale identiteit is daarbij geen afgrenzing, maar juist een mogelijkheid om op verstandige wijze met veranderingen door invloeden van buiten om te gaan.

Dergelijke redeneringen kunnen ook worden opgebouwd ten aanzien van feitenkennis in het godsdienstonderwijs. Hoe meer we weten, hoe beter we in staat zijn ons te ontwikkelen in het religieuze en in het gelovige. Feitenkennis van bijvoorbeeld de Bijbel en van de kerkgeschiedenis stelt ons in staat onze eigen religieuze en gelovige identiteit te versterken.

Eerherstel voor de feiten. Dat is de les die kan worden getrokken uit de constatering dat het treurig is gesteld met kennis van, en inzicht in vaderlandse geschiedenis. Hetzelfde kan gelden voor het godsdienstonderwijs. Een van de omstandigheden waarin de aandacht voor de feiten is verslapt, is de gedachte dat het op school en in de kerk vooral leuk moet zijn. In feite leidt die gedachte ertoe dat (jonge) mensen wordt onthouden dat ze zich kunnen ontwikkelen tot mensen die écht iets weten, die inzicht hebben in zichzelf en in de wereld en die in staat zijn om, ook in religieuze zin, volwassen, verantwoordelijke mensen te worden.

Friesch Dagblad

Labels: ,

donderdag, mei 31, 2007

HET BAAT NIET, EN SCHAADT WEL: 12 BEZWAREN TEGEN IMMIGRATIE in Elsevier, 26 mei 2007.

1 Immigratie is geen remedie tegen de vergrijzing
De Verenigde Naties en de Europese Commissie pleiten sinds de eeuwwisseling voor het binnenhalen van migranten uit ontwikkelingslanden als middel tegen de vergrijzing van Europa. Die opvatting werd in Nederland ook verspreid door de president van De Nederlandsche Bank Nout Wellink.
Maar de demografen Evert van Imhoff en Nico van Nimwegen berekenden al in 2000 dat er tot 2050 een jaarlijkse netto-instroom van 300.000 personen nodig zou zijn, met in 2011 een netto-instroom van 1,1 miljoen, om het bevolkingsaandeel van 65-plussers op het niveau van 1997 te houden. In 2050 zou de Nederlandse bevolking dan gegroeid zijn tot 39 miljoen mensen. En over een eeuw zou Nederland dan 100 miljoen inwoners hebben. De onderzoekers noemen deze weg 'haalbaar, noch wenselijk'.
Als de immigranten bovendien dezelfde gemiddelde sociaal-economische kenmerken hebben als de niet-westerse immigranten van de afgelopen veertig jaar, vormt hun komst al helemaal geen oplossing; zij werken minder, hebben vaker een uitkering en betalen minder belasting.
Bankpresident Wellink heeft deze 'oplossing' dan ook niet meer herhaald. Toch duikt deze remedie tegen de vergrijzing nog regelmatig op. De echte oplossing voor het vergrijzingsvraagstuk is een hogere arbeidsparticipatie, ook van ouderen, in samenhang met een hogere arbeidsproductiviteit. Om dat te bereiken zullen de overheidsuitgaven moeten worden beperkt en moeten de belastingen en premies naar beneden, zodat werken en ondernemen lonender worden. Maar dat was ook zonder vergrijzing al wenselijk.
 
2 Immigratie kost meer dan het oplevert
Zelfs in een land als de Verenigde Staten is het nettorendement van immigratie voor de samenleving vrijwel nul. In Nederland is het saldo zelfs uitgesproken negatief. In 2003 werd het financiële nadeel voor de Nederlandse overheid van een niet-westers gezin met twee jonge kinderen op 230.000 euro getaxeerd door het Centraal Planbureau. Daar komen nog specifieke uitgaven voor zaken als welzijnswerk, scholen en gevangenissen bij.
De niet-westerse immigranten van de afgelopen veertig jaar zijn onder meer zo duur voor de samenleving omdat ze minder werken, vaker een uitkering hebben, minder verdienen en minder belasting en premies betalen. Dit risico kleeft overigens ook aan de Oost-Europeanen die nu naar Nederland komen: ze verdienen minder dan gemiddeld, maar zijn, eenmaal officieel in Nederland gevestigd, minder vaak werkzaam.
Bij nieuwe hoogopgeleide migranten zou de financiële bijdrage aan de samenleving positief kunnen zijn. Maar in de praktijk gaat vooral de 'oude', financieel nadelige immigratie door, terwijl er ook Haagse en Brusselse plannen zijn om opnieuw minder kansrijke migranten binnen te laten.
Nieuwe migratieregelingen zijn bovendien uiterst fraudegevoelig. Zo heeft Nederland sinds 2004 een 'kenniswerkersregeling', die in de praktijk grootschalig frauduleus gebruikt wordt, zo wordt duidelijk uit diverse bronnen.
Als gevolg van immigratie wordt de etnische samenstelling van de bevolking steeds diverser. Die toenemende heterogeniteit heeft, hoewel vaak anders wordt beweerd, ook schadelijke economische effecten, onder meer door het verwateren van het onderlinge vertrouwen. De onderzoekers Alberto Alesina (Harvard University) en Eliana La Ferrara (Universiteit Bocconi) constateerden dat 'een hogere mate van etnische heterogeniteit leidt tot een lagere economische groei'.
Arbeidsmigratie heeft ook effecten op de lonen. Laagbetaalde migranten zijn gunstig voor werkgevers en hun afnemers, maar nadelig voor wie al laaggekwalificeerd werk deed. Dergelijke migratie drukt de lonen. Maar ook de import van hooggekwalificeerde arbeid kan een loondrukkend effect hebben. Zo constateerden de onderzoekers in 2005 dat de loonachterstand van hooggeschoolde bèta's in Nederland alleen kon worden verklaard door de relatief grote immigratie van bèta's.
Tenslotte kost het Nederland geld dat migranten vaak geld naar het herkomstland sturen. Nederlandse Marokkanen stuurden volgens onderzoek uit 2003 24 procent van hun totale inkomen naar Marokko en Turken 13 procent naar hun herkomstland. Navrant is dat deze immigrantengroepen ook hoog scoren in de Nederlandse armoedestatistieken.
 
3 Immigratie overbelast de verzorgingsstaat
Nederland heeft naar verhouding de hoogste uitkeringen en het hoogste wettelijke minimumloon in de wereld en daarnaast financieel aantrekkelijke voorzieningen op het gebied van zorg en huisvesting. Onderzoekers als de Amerikaanse econoom George Borjas toonden aan dat laagopgeleide immigranten een voorkeur hebben voor plaatsen waar de uitkeringen het gunstigst zijn.
Dat blijkt ook. Nederlandse immigranten uit onderontwikkelde landen hebben (veel) vaker een uitkering en maken ook vaker gebruik van de zorg- en de huurtoeslag. Hun arbeidsparticipatie ligt niet alleen lager dan die van anderen, maar is ook geringer dan in een land als Duitsland.
PvdA-leider Wouter Bos heeft er, nog in de oppositie, als eerste voor gepleit om nieuwe (arbeids-)migranten pas later recht op Nederlandse uitkeringen te geven. De vorige kabinetten-Balkenende wilden daar niet aan en het nieuwe kabinet heeft ook geen plannen in die richting. De Nederlandse verzorgingsstaat zal bij het oprekken van de immigratiemogelijkheden een blijvend aanzuigende werking hebben, vooral op migranten die toch al weinig beroepsperspectief hadden.
De aanhoudende oostwaartse uitbreiding van de Europese Unie verschaft steeds meer Europeanen (en straks wellicht ook Turken) toegang tot Nederland. Daarbij wil Brussel de toegang van niet-Europeanen tot de Europese Unie mogelijk maken. Daarbovenop zorgen Brusselse regels ervoor dat zowel Oost-Europeanen als andere migranten rechten krijgen op Nederlandse sociale voorzieningen. Als er geen keuze wordt gemaakt voor het uitsluiten van nieuwe migranten van de verzorgingsstaat – voorzover dat al mogelijk is – zal de uitkeringsmigratie toenemen. Het enige alternatief is dan een algehele versobering van de verzorgingsstaat.
 
4 Immigratie hindert integratie al aanwezige immigranten
Immigranten concurreren op de arbeidsmarkt vooral met de al aanwezige immigranten, die daardoor op het eerste gezicht slechter af zijn. In Nederland, met zijn (te) hoge wettelijke minimumloon, leidt dat tot verdrijving van die mensen van de arbeidsmarkt. Nieuwe immigratie uit minder ontwikkelde landen zal sociaal zwakke wijken verder belasten, 'zwarte' scholen zullen nog zwarter worden.
Als etnische populaties groter worden, neemt de kans op de vorming van 'parallelle samenlevingen' toe. Als de omvang en concentratie van etnische populaties toenemen, valt de druk om te integreren weg. Ontvangende samenlevingen staan ook negatiever tegenover grote groepen immigranten dan tegenover kleine. Ook dat ondermijnt de integratie bij voortgaande immigratie.
 
5 Verdere immigratie ontwricht cohesie
Een sterke toestroom van migranten 'met andere culturen en gewoontes' leidt tot 'maatschappelijke spanningen en verlies aan sociale cohesie,' zo stellen reeksen onderzoekers vast wat ervaringsdeskundigen al lang weten.
In reactie daarop vindt 60 procent van de Nederlanders dat er te veel buitenlanders zijn – slechts 1 procent vindt dat er te weinig zijn. Brits onderzoek wijst uit dat ook bijna de helft van de allochtonen vindt dat er te veel allochtonen zijn.
Volgens een brede definitie is al 18 procent van de Nederlandse bevolking van buitenlandse afkomst, waarvan meer dan de helft afkomstig is uit niet-westerse landen. Er zijn in Nederland verhoudingsgewijs net zoveel immigranten als in de Verenigde Staten. Etnische concentraties kunnen leiden tot het gevoel 'overlopen' te worden, het idee vreemdeling in eigen land te zijn.
De etnische concentratie in de grote steden en in bepaalde wijken is de laatste tien jaar bovendien sterk toegenomen, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. In 2004 waren er al ruim 450 buurten met meer dan een kwart niet-westerse allochtonen. Bijna de helft van die buurten ligt in de grote steden.
 
6 Immigratie gaat gepaard met import van vijandbeelden
Niet alle immigranten zijn toegewijd zijn aan de Nederlandse samenleving. Ze nemen bovendien tegenstellingen uit eigen land mee. Veel moslims blijken begrip te hebben voor aanslagen als die in de Verenigde Staten van 2001 en de moord op Theo van Gogh in 2004. Bovendien wijzen veel moslims westerse waarden als de democratische rechtsstaat en gelijkberechtiging van vrouwen en homo's af. Assimilatie, wat in de Verenigde Staten tot dusver gebruikelijk was, wordt in Nederlandse moslimkring doorgaans afgewezen.
De helft van de Turken en Marokkanen in Nederland vindt dat de westerse samenleving niet samengaat met die van moslims, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. De inlichtingendienst AIVD waarschuwt voortdurend dat de radicalisering van jonge moslims onverminderd doorgaat, evenals de afwijzing van de democratische rechtsstaat. Dergelijke opvattingen kunnen op den duur de rechtsstaat ondermijnen, zeker als leidende krachten in de Nederlandse samenleving geneigd zijn tot toegeeflijkheid. Het valt te betwijfelen of anti-westerse opvattingen minder sterk zullen worden als het opleidingsniveau van (nieuwe) immigranten van islamitische huize stijgt.
Immigratie kan ook gepaard gaan met het importeren van conflicten elders in de wereld, evenals met pogingen om het Nederlandse buitenlandse beleid te beïnvloeden. Voorbeelden zijn de Turks-Koerdische en Turks-Armeense conflicten en pogingen van Nederlandse Arabieren om het Nederlandse Midden-Oostenbeleid om te buigen ten gunste van Palestijnen en Arabische regimes.
 
7 Immigratie tast de leefbaarheid aan
Nederland is het volste land van de westerse wereld en de meeste Nederlanders willen geen voller land. Maar nieuwe en voortgaande immigratie hebben tot gevolg dat het land voller wordt en de beschikbare ruimte afneemt. Dat gaat gepaard met druk op natuur en milieu, langere files, vollere treinen, problemen met water en gebrek aan land voor huizen, bedrijven en vliegvelden. Veel mensen op een kluitje zou ook maatschappelijke spanningen kunnen vergroten. Een voller Nederland kan ook negatieve economische gevolgen hebben, zo berekende de Amsterdamse econoom Joop Hartog in 2002. Het leven wordt duurder in een vol land, mede doordat de schaarste aan ruimte de huizenprijzen opdrijft.
 
8 Immigratie leidt tot onderbenutting van mensen
Emigratie gaat gepaard met verlies van menselijk kapitaal. Dat iemand thuis goed is in zijn vak, wil nog zeggen dat hij ook in zijn nieuwe land meteen op hetzelfde niveau aan de bak kan. Immigranten missen landgebonden kennis en ervaring en hebben doorgaans een taalhandicap. Vaak missen ze een netwerk en zijn ze niet gewend aan specifieke Nederlandse codes.
Immigratie vanuit een arm land zal voor de betrokkene weliswaar veelal tot een inkomensverbetering leiden. Maar het is de vraag wat die betrokkene daarmee opschiet als hij in eigen land chirurg was en in Nederland niet verder komt dan op de taxi te rijden. De kansen om er wat van te maken in het nieuwe land zijn wel groter naarmate de afstand qua taal, cultuur en religie minder groot is. Dat is niet in het voordeel van wie uit Afrika of het Midden-Oosten komt.
 
9 Immigratie houdt innovatie tegen
Bedrijven die hun productieproces niet kunnen of willen moderniseren, dringen er vaak op aan (goedkope) arbeidskrachten te importeren om hun kosten laag te houden en zo te kunnen concurreren. Maar twee Haagse planbureaus (het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau) waarschuwden het tweede kabinet-Balkenende in 2004 al om niet de fouten uit het verleden te herhalen. 'In de periode 1960-1985 werden bedrijfstakken die het structureel moeilijk hadden in de internationale concurrentie (onder andere scheepsbouw en textiel) te lang en uiteindelijk vergeefs op de been gehouden via goedkope gastarbeid. Ook in de toekomst blijft het van belang tijdig bedrijfstakken te identificeren die zich structureel via laaggeschoolde immigranten (met lage lonen) op de internationale concurrentie staande proberen te houden. Te lang op een onhoudbaar “specificatiepad” doorgaan vermindert de algehele concurrentiekracht van de Nederlandse economie.' Dit zijn ernstige waarschuwingen voor wie, bijvoorbeeld in de land- en tuinbouw en de vleessector, denkt te kunnen overleven door het inschakelen van geïmporteerde arbeid.
 
10 Immigratie draagt bij aan misdaad
Van de Marokkaanse mannen van 18 tot 24 jaar wordt ruim 18 procent verdacht van criminaliteit en bij de Antillianen van die leeftijd is dat ruim 13 procent. Dat is aanzienlijk meer dan bij hun autochtone leeftijdsgenoten, die op minder dan 4 procent uitkomen, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. Westerse en niet-westerse allochtonen nemen de helft van alle gevallen van moord en doodslag voor hun rekening, terwijl ze minder dan 20 procent van de bevolking uitmaken. Turken, Surinamers en Antillianen staan bovenaan de lijst, blijkt uit het Elsevier-onderzoek naar moord en doodslag.
De Nederlandse gevangenisbevolking bestaat voor meer dan de helft uit mensen die niet in Nederland geboren zijn. Als degenen die een niet-Nederlandse ouder hebben worden meegerekend, zou het allochtone aandeel onder de gedetineerden nog hoger uitvallen.
De transnationale contacten van immigranten faciliteren ook de internationale misdaad. Zo zijn migranten vaak betrokken bij drugshandel, vrouwenhandel, witwassen, wapensmokkel, mensensmokkel en criminele afrekeningen. Het overgrote deel van de 'Nederlandse' gevangenen in het buitenland, meer dan tweeduizend, betreft immigranten die de Nederlandse taal vaak amper beheersen.
 
11 Immigratie maakt immigranten ongelukkiger
Verhuizen naar een ander land is vaak een pijnlijk proces. Immigranten voelen zich vaak nergens meer thuis. Arbeidsmigranten uit landen als Polen en de Filippijnen zien de gezinsbanden lijden onder hun afwezigheid.
Nederlandse Marokkanen en hun kinderen worden verscheurd tussen Marokkko en Nederland. Oudere Marokkanen zouden wel terug willen, maar hun kinderen en de uitkeringen houden hen in Nederland. Marokkaanse jongens raken verscheurd tussen de meegebrachte cultuur en Nederland en lijden volgens directeur Sadik Harchaoui van het multiculturele instituut Forum, zelf Marokkaan, overmatig vaak aan schizofrenie. Terugkeer is ook niet aantrekkelijk omdat het als oneervol kan worden gezien.
 
12 Immigratie helpt de herkomstlanden niet
Immigratie vanuit arme landen wordt door hoeders van de ontwikkelingshulp aanbevolen om de herkomstlanden te helpen. De vertrekkers uit die landen sturen geld terug, waarmee ze hun land helpen. En als ze terugkeren brengen ze kennis mee, waar het land ook nog wat aan heeft, zo luidt de redenering. Die redenering is ondeugdelijk. Landen als de Filippijnen en Marokko houden zich weliswaar deels op de been met terugstortingen (wereldwijd zo'n 220 miljard euro), maar ze ontwikkelen zich niet. Bovendien raken onderontwikkelde landen vaak juist hun beste krachten kwijt. Het pijnlijkst is de export van medici en verpleegkundigen uit het door aids en andere ziekten geteisterde Afrika.
Het op gang brengen van 'circulaire migratie' van tijdelijke migranten die kennis en geld terugbrengen naar hun land van herkomst – ideeën die in Brussel en Den Haag leven – zal bovendien een illusie blijken. Het is dezelfde denkfout die de basis vormde voor de mislukte gastarbeid naar Nederland eind jaren zestig.

Bron: Elsevier

Labels: , , ,

woensdag, mei 30, 2007

Volksverhuizing: stop zinloze immigratie! in Elsevier, 26 mei 2007.

Het lijkt wel of Brusselse en Haagse politici de kostbare lessen uit het recente verleden geheel zijn vergeten. Het kabinet-Balkenende en de Commissie-Barroso nemen voortdurend maatregelen om de immigratie te vergemakkelijken. De gevolgen van dat beleid zouden voor Nederland weleens desastreus kunnen uitpakken.

In Brussel en Den Haag worden deze maanden ontwikkelingen in gang gezet waarvan de gevolgen voor Nederland amper te overzien zijn, maar die desastreus kunnen uitpakken. Als het aan Brusselse en Haagse bureaucraten ligt, gaan de grenzen van Europa en die van Nederland wijd open. Liefst voor hoogopgeleiden, maar ook voor kanslozen.

De argumenten die daarvoor worden gebruikt, zijn talrijk maar weinig valide of aantoonbaar onjuist. Want immigratie van buiten Europa is onnodig, helpt niet tegen de vergrijzing, doet de economie geen goed, bedreigt de overheidsfinanciën en zal de door velen gekoesterde Nederlandse verzorgingsstaat onder druk zetten. De samenhang in de samenleving wordt verder ontwricht, vijandige denkbeelden worden nog massaler geïmporteerd en Nederland zal er niet veiliger op worden. En was de ruimte al niet te krap, werd de natuur al niet bedreigd, waren de files niet te lang? De kostbare lessen uit het recente verleden lijken vergeten. Zowel Brussel als Den Haag gaat voorbij aan de veelal mislukte landverhuizing van de miljoenen die de nieuwe migranten uit onderontwikkelde landen voorgingen.

Er wordt geen rekening mee gehouden dat die 'oude' immigratie intussen gewoon doorgaat. Dat de Europese Unie al een half miljard inwoners van buiten haar grenzen heeft die kunnen gaan en staan waar ze willen. En dat er bij verdere uitbreiding van de Europese Unie (Balkan, Turkije) nog eens honderd miljoen bij komen. Bovendien wordt over het hoofd gezien dat wat voor Spanje en Italië nuttig kan lijken, voor Nederland rampzalig kan uitpakken. Niet dat Nederland zich eraan kan onttrekken. Anders dan Denemarken, dat zich buiten het Europese migratiebeleid heeft gehouden, is Nederland gebonden aan Brusselse besluiten die het land openzetten voor iedereen die van Brussel naar binnen mag. Dat proces wordt voor Nederland helemaal onbeheersbaar als in het nieuwe Europese verdrag, net als in de afgewezen Grondwet, de immigratie feitelijk een Europese zaak wordt.

Het kabinet-Balkenende zou Nederland, naar Deens voorbeeld, buiten die ontwikkeling moeten plaatsen, maar doet gek genoeg het omgekeerde. Het maakt van immigratie een Brusselse zaak. Het toch al moeizame Nederlandse immigratie- en integratiebeleid wordt weggegeven aan Brusselse bureaucraten en aan andere landen met vaak heel andere belangen dan de Nederlandse.

In Den Haag circuleren ook eigen plannen om opnieuw gastarbeid uit ontwikkelingslanden mogelijk te maken. Dat zou een aantrekkelijke nieuwe vorm van ontwikkelingshulp zijn. De enige nieuwe migratie van buiten Europa die Nederland onder strenge voorwaarden kan helpen, is een zeer beperkte toelating van zeer hoogopgeleiden. Maar dat kan al! Sterker nog, Nederland is daar makkelijker in dan menig ander Europees land. Jammer genoeg is de fraudegevoeligheid van die regelingen zo groot en de controle zo beperkt, dat er ook bij het toelaten van deze kenniswerkers kan worden gefraudeerd.

Daarbij laat het kabinet-Balkenende ook nog eens de remmen los met de 'oude' migratie. Oude asielzoekers mogen met tienduizenden blijven, hoewel ze geen recht op asiel hebben. Nieuwe asielzoekers die de zaak willen flessen, worden in tegenstelling tot de afgelopen jaren niet meer binnen twee dagen weggestuurd.

Asielvragers mogen weer, net als in de jaren negentig, groepsgewijs blijven omdat het in hun land onaangenaam is, niet omdat hun persoon in het geding is. Criminele Antillianen worden niet, zoals de bedoeling was, teruggestuurd. En de moeizaam doorgevoerde inperking van schadelijke familiemigratie is alweer aan het eroderen, door fraude of door – met dank aan Brussel – omleidingen via andere Europese landen. Deze combinatie van hardleers Haags beleid en schadelijke Brusselse maatregelen druist rechtstreeks in tegen de belangen van de meeste Nederlandse burgers.

Bron: Elsevier

Labels: , ,

zaterdag, mei 19, 2007

Fortuyn-revolte: terugblik na vijf jaar door S.W. Couwenberg, mei 2007.

Opinieblad VNO-NCW van 10 mei 2007 kondigde het einde aan van het Fortuyn-tijdperk. Dat einde wordt kennelijk gekoppeld aan dat van de LPF als politieke machtsfactor. Maar de moord op Fortuyn betekende echter al het einde van zijn revolte in de landelijke politiek. De LPF was niet in staat die revolte in het beleid gestalte te geven en heeft daaraan ook niets toegevoegd. De belangrijkste politieke erfgenaam van zijn revolte is dan ook niet zozeer de LPF maar Leefbaar Rotterdam. Die partij is er wel in geslaagd in de geest van zijn revolte een stempel te drukken op het beleid in Rotterdam. Alleen in die partij leeft de geest van Fortuyn nog voort. Vijf jaar na de moord op Fortuyn is er in de media niettemin nog veel aandacht geschonken aan de historische betekenis van zijn revolte in 2002. Die betekenis wordt m.i. echter nog onvoldoende onderkend. Vandaar dat ik daar hier nog eens nader op wil ingaan. Alvorens dat te doen, wil ik eerst nog even stilstaan bij de demonisering van Fortuyn omdat dat in de media bij herdenkingen van de moord op hem nauwelijks nog aandacht krijgt.

Demonisering
Nederland bood altijd het toonbeeld van een lieve democratie, waarin een politieke moord ondenkbaar leek, aldus Eerste Kamervoorzitter Gerrit Braks in zijn herdenkingstoespraak een dag na de moord op Pim Fortuyn vijf jaar geleden. Maar zo lief is onze democratie als het erop aankomt toch niet. Wel is zij dankzij onze consensustraditie minder hard en agressief dan het Angelsaksische model van democratie waar twee grote partijen keihard met elkaar om de macht strijden. Lief is zij ook alleen voor wie deel uitmaakt van de gevestigde politieke families, ons soort mensen, zoals Fortuyn niet zonder enige ironie placht te zeggen. Die ontzien elkaar meestal redelijk omdat zij elkaar altijd weer nodig hebben. Maar wie als buitenstaander het lef heeft in te breken in het gevestigde partijpolitieke bestel en in de ogen van het politieke establishment op populistische wijze gevestigde machtsposities serieus in gevaar brengt zoals Fortuyn in 2002 onverhoeds deed, die wordt ongenadig aangepakt en onderuit gehaald. Dat heeft Fortuyn figuurlijk en letterlijk aan den lijve ervaren. Via demonisering van zijn politieke visie en politieke karaktermoord op zijn persoon is dat tenslotte uitgelopen op de politieke moord die wij vandaag opnieuw herdenken.

Als we nog eens op een rijtje zouden zetten wat Fortuyn van de zijde van de gevestigde politiek allemaal over zich heen gekregen heeft om hem in een zo kwalijk mogelijk daglicht te plaatsen, dan is dat hoogst gênant voor al die politici, wetenschappers en journalisten die daaraan mee gedaan hebben en daaraan nu liever niet meer herinnerd willen worden. Ik heb dat indertijd wel gedaan in mijn boek over de Fortuyn-revolte en daarna is dat eveneens gedaan door de docent filosofie en Nederlandse letterkunde René Marres. Maar die kwalijke bestrijdingswijze van de Fortuyn-revolte krijgt bij herdenkingen van de moord op hem in de media nog altijd weinig aandacht. Telegraaf-columnist Kees Lunshof presteerde het overigens de demonisering van Fortuyn nog eens dunnetjes over te doen door hem op 6 mei jl. in zijn krant opnieuw op denigrerende wijze te diskwalificeren als relnicht en doorgeslagen extremist die op de onderbuikgevoelens van het kuddevolk politiek gewin zocht. Wat dat laatste betreft, is het onder de kranten niet vooral de Telegraaf die graag appelleert op die onderbuikgevoelens van het kuddevolk?

Een intrigerende vraag voor Fortuyn-kritici was aanvankelijk hoe de onverhoedse politieke opgang van Fortuyn te verklaren? Jarenlang gold hij in kringen van de gevestigde politieke en journalistiek als een herkenbare schertsfiguur die aan de zijlijn wel wat politiek kabaal mocht maken omdat dat geen echt politiek gevaar opleverde. Toen hij via Leefbaar Nederland en daarna de LPF plotseling de kans kreeg het boegbeeld te worden van een serieus te nemen politiek alternatief, werd dat echter anders en werden onmiddellijk alle invectieven uit de kast gehaald om het volk diets te maken dat een groot gevaar ons land bedreigde. Een nieuwe Mussolini zou zijn opgestaan, riepen om enkele onheilsprofeten uit dat geruchtmakende jaar 2002 te citeren de toenmalige VVD-voorzitter, Volkskrant-columnist Jan Blokker, PvdA-ideoloog Bart Tromp en Manuel Kneepkens van de Stadspartij die Fortuyn ook opvoerde als fascist in Armani-pak. Op systematische wijze werd Fortuyn in de hoek gedrukt van een naar racisme en fascisme riekende politieke oriëntatie. In het Historisch Nieuwsblad deden Nederlandse historici hun best om de nieuwe politiek van Fortuyn op één lijn te stellen met die van de NSB. Marcel van Dam had dat al eerder gedaan. Als we Fortuyn in historisch perspectief willen plaatsen, dan staat hij veeleer in de traditie van de democratische patriottenbeweging eind 18e eeuw. Hij verwijst daar zelf ook nadrukkelijk naar, met name naar het befaamde geschrift Aan het volk van Nederland van de patriottische voorman J.D. van der Capelle.

Die demonisering van Fortuyn is daarom zo gênant voor zijn politieke vijanden omdat de gevestigde partijen van links en rechts zijn politieke programma na zijn dood in vergaande mate overgenomen hebben. Zij namen zodoende in feite hun met veel tamtam gelanceerde beschuldigingen van racisme en fascisme zelf niet eens serieus. Maar wel hebben zij ermee bereikt dat Fortuyn grote moeite had mensen met de nodige kwaliteiten voor de lijst van zijn ijlings opgerichte partij aan te trekken omdat velen ervoor terug schrokken besmet te raken met het voor hun carrière uiterst schadelijke virus van racisme en fascisme waarmee de vijanden van Fortuyn zijn nieuwe politiek inmiddels geïnfecteerd hadden. En dat is Fortuyn noodlottig geworden.

Door de moord op hem bleef de LPF die organisatorisch nog helemaal in de steigers stond, verweesd en stuurloos achter. Uitsluitend dankzij de revolte van Fortuyn tegen de gevestigde politiek behaalde die plotsklaps politiek onthoofde partij liefst 26 kamerzetels. In plaats van zich eerst te concentreren op de opbouw van de partij en op het scheppen van de nodige samenhang in de ijlings bij elkaar getrommelde kamerfractie van veelal politiek onervaren lieden toonde de leiding van die fractie zich onmiddellijk bereid regeringsverantwoordelijkheid op zich te nemen hoewel dat op dat moment haar krachten verre te boven ging. Zij beschikte niet eens over eigen gekwalificeerde ministerskandidaten. Bovendien ging zij daarmee in tegen hun vermoorde leider. Die had namelijk een duidelijke voorkeur voor een zakenkabinet, met andere woorden een extraparlementair kabinet dat regeert met wisselende meerderheden. Dat had een heel welkome bijdrage kunnen leveren tot herstel van het dualisme tussen regering en parlement dat in onze partijendemocratie weinig meer voorstelt en in het voetspoor van Thorbecke ook sterk de voorkeur had van Fortuyn. Zoals ik eerder al uiteengezet heb was dat besluit om zonder de nodige waarborgen deel te nemen aan een nieuw kabinet een grandioze blunder en is dat ook spoedig afgestraft met de val van het eerste kabinet-Balkenende. Voor de gevestigde politiek was die val een ‘blessing in disguise’. Het leidde het roemloze einde in van de LPF. Dat Fortuyn zelf al de voorwaarden gecreëerd had voor die tragische afgang zoals R. Bouwman in HP/De Tijd (van 4 mei jl.) beweert, valt hem m.i. slechts ten dele toe te rekenen. Zoals gezegd moest Fortuyn niet alleen in ijl tempo een kandidatenlijst voor de Tweede Kamer samenstellen, bovendien bedankten velen die hij vroeg voor de eer van volksvertegenwoordiger omdat zij liever niet geassocieerd wilden worden met een partij die door de hetze tegen Fortuyn zo omstreden geraakt was. Desondanks is de Fortuyn-revolte m.i. in velerlei opzichten succesvol geweest.

Historische betekenis
Wat is achteraf de historische betekenis van zijn revolte? Wat politieke vijanden aanvankelijk trachtten te bagatelliseren als een incident, een mediahype, een kwalijke massahysterie, wordt nu in de politieke literatuur evenals in de media aangemerkt als een reële politieke breuk in de Nederlandse politieke ontwikkeling. Vandaar dat na zijn verscheiden dan ook gesproken wordt van het post-Fortuyn tijdperk. Een van de grote veranderingen die dat tijdperk kenmerken is het feit dat onze Nederlandse identiteit dankzij Fortuyn een serieus te nemen politiek thema geworden is. Sinds de jaren zestig werd dat jarenlang als iets volstrekt irrelevants beschouwd. Wie dat thema wel serieus nam, werd al gauw geassocieerd met hoogst bedenkelijke nationalistische sentimenten, met cultureel racisme e.d. en daarmee in een foute hoek weggezet. Dat heb ik ook zelf ervaren. En dat overkwam Fortuyn ook nog. Door op te komen voor zo iets oudbakkens als een Nederlandse identiteit zou hij de geur verspreiden van een kwalijk riekend spruitjesnationalisme. En wat naar spruitjes riekt deugt sinds de jaren zestig volstrekt niet meer, hoewel spruitjes toch een gezonde groente is.

Maar wat zien we de laatste jaren? Nu hebben we ineens een breed gedragen nationale trots nodig, een hernieuwde en herkenbare Nederlandse identiteit om onze omgang met nieuwkomers tot een succes te maken zoals D66-coryfee Brinkhorst in 2005 betoogde in zijn toespraak bij de opening van het academische jaar van de Leidse Universiteit. Tot dan toe was dat in zijn partij een heel foute, want rechtse opstelling geweest evenals trouwens in de PvdA. Maar ook daar heeft de Fortuyn-revolte een omwenteling teweeg gebracht. PvdA-leider W. Bos pleit nu eveneens met veel aplomb voor herstel van onze nationale trots, ja voor het cultiveren van de Nederlandse droom, nog niet zo lang geleden een vloek in de linkse kerk. Fortuyn heeft daarmee op doeltreffende wijze afgerekend met de linkse weg-met-ons-mentaliteit, die jarenlang tot de goede toon behoorde wilde men meetellen in politiek correct geachte kringen.

Die mentaliteit had o.a. ook tot gevolg dat de integratie van allochtonen in onze samenleving en cultuur jarenlang niet serieus genomen is, ja zelfs met een racistische mentaliteit geassocieerd werd. Het is vooral dankzij de revolte van Fortuyn dat die integratie nu een belangrijk onderdeel geworden is van het regeringsbeleid. Tot het beleid van het nieuwe kabinet behoort nu ook het voornemen om de Nederlandse taal als cruciaal element van onze Nederlandse identiteit in de grondwet te verankeren. Dat is geen overbodige luxe, gezien de neiging van velen in dit land hun taal louter te waarderen als middel tot communicatie. Daardoor is die taal heel kwetsbaar geworden tegenover het oprukkende Engels als wereldtaal. Er zijn zelfs al meerdere pleidooien gehouden voor afschaffing van het Nederlands ten gunste van het Engels. Wat stelt die Nederlandse identiteit eigenlijk nog voor? Wat bindt ons als Nederlanders nog, is een vraag die sinds de jaren zestig jarenlang in progressief geachte kringen gesteld werd. Toch is die vraag niet zo moeilijk te beantwoorden als men enig historisch besef heeft. Wat ons bindt is namelijk een gemeenschappelijk verleden met al de conflicten die daarvan deel uitmaken. Dat is een gemeenschappelijke taal en cultuur. En dat is uiteraard ook een gemeenschappelijke toekomst. Met zijn revolte heeft Fortuyn een belangrijke impuls gegeven aan de politieke discussie over de Nederlandse identiteit en mede ertoe bijgedragen haar te bevrijden uit de ideologische en verzuilde denkcategorieën die die discussie zo lang belast en beperkt heeft.

Zijn opkomen voor die identiteit als relevante politieke en maatschappelijke factor neemt niet weg dat Fortuyn tegenover bepaalde aspecten van die identiteit niet kritiekloos stond. Zo had hij een broertje dood aan het eindeloos polderen over urgente problemen en de stroperige en halfslachtige besluitvorming die daarvan het gebruikelijke gevolg is. Heel weinig op had hij ook met de diepgewortelde regententraditie in dit land, waardoor het volk aan de basis, zoals de rebellerende generatie van de jaren zestig dat placht te noemen, zoveel mogelijk op afstand van politieke besluitvorming wordt gehouden. Vandaar de weerzin van onze politieke elites tegen referendum en volksinitiatief, al hebben we wel een staatscommissie-Biesheuvel gehad die daar in de jaren tachtig op krachtige en overtuigende wijze voor gepleit heeft. Maar dat pleidooi is toen door de gevestigde politiek volstrekt genegeerd. Als gevolg van die regententraditie is de Europese integratie ook zo lang een exclusieve aangelegenheid geweest van politieke en bestuurlijke elites. In een moment van politiek verstandsverbijstering heeft de gevestigde politiek niettemin besloten plotsklaps en in een vloek en een zucht een adviserend referendum te houden over zo’n complexe materie als Europese grondwet zonder het volk daarover eerst voldoende te informeren, ervan uitgaande dat het volk daar zondermeer vóór zou zijn.

Na de Fortuyn-revolte is opnieuw gebleken hoezeer de gevestigde politiek vervreemd geraakt was van wat onder het volk leeft. Fortuyn was zelf volstrekt niet tegen Europese integratie. Hij vond dat een uniek project. Alleen had hij er bezwaar tegen dat onze Nederlandse soevereiniteit en identiteit daaraan teveel en te nonchalant ondergeschikt gemaakt werden wat jarenlang deel uit gemaakt had van politiek correct denken. Tijdens de Fortuyn-revolte werd hij om die reden nog als exponent van rechtspopulisme beticht. Nu vindt zijn standpunt ook op dit punt van rechts tot links brede weerklank.

Tot de historische betekenis van de Fortuyn-revolte reken ik ook dat hij op overtuigende wijze niet alleen de problematische kloof tussen de gevestigde politiek en de burgers aan het licht gebracht heeft maar ook die tussen de media en de burgers. Achteraf heeft de professionele journalistiek ruiterlijk erkend hoezeer zij zich aanvankelijk verkeken heeft op de politieke onvrede onder het volk die Fortuyn onverhoeds op zo succesvolle wijze wist te vertolken.

De sluimerende crisis van onze representatieve democratie die tijdens de Fortuyn-revolte nog sterker dan voorheen aan het licht kwam, duurt nog onverminderd voort, al probeert het nieuwe kabinet daar wat aan te doen door in de eerste honderd dagen zijn oor te luister te leggen bij voornamelijk georganiseerd Nederland. Maar de gevestigde politiek weigert nog altijd onze democratie meer representatief te maken, bijvoorbeeld door onze gezagsdragers direct te laten kiezen en via referenda het volk meer bij grote kwesties die ons allen aangaan te betrekken. Wel is sinds de jaren zestig een reeks van rapporten van staatscommissies en andere gremia verschenen om daar wat aan te doen. Maar daar gebeurt allemaal niets mee. Een enorme verspilling van politieke creativiteit en energie en uiteraard ook van publieke middelen. Het nieuwe kabinet heeft ook niets gedaan met de voorstellen van de vorig jaar ingestelde Nationale Conventie. Dat duidt er opnieuw op dat de gevestigde politiek wat haar eigen functioneren betreft nog weinig geleerd heeft van de historische betekenis van de Fortuyn-revolte.

Meer nog dan voorheen heeft die revolte ons geleerd dat het electoraat in vergaande mate losgeraakt is van de oude ideologische scheidslijnen waaraan ons partijpolitieke bestel nog steeds zijn bestaansreden ontleent, maar die door kiezers bij iedere verkiezing met groot gemak overschreden worden. De onverwacht grote winst die het CDA bij de verkiezingen van 15 mei 2002 wist te behalen dankte die partij zeker niet aan zijn hernieuwde ideologische oriëntatie zoals wel beweerd is, maar voornamelijk aan strategisch stemgedrag dat steeds meer de verkiezingsuitslag bepaalt. Veel potentiële Fortuyn-kiezers die in de lijst van de LPF na de plotselinge dood van Fortuyn weinig vertrouwen meer hadden, konden hun oppositie tegen Paars toen alleen nog kenbaar maken door op het CDA te stemmen. En dat hebben zij dan ook in groten getale gedaan, hoewel het CDA in zijn oppositie tegen Paars weinig succesvol was geweest zoals tot kort voor de moord op Fortuyn uit de peilingen duidelijk gebleken is. Dankzij de Fortuyn-revolte heeft het CDA zich succesvol kunnen herstellen van zijn pijnlijke politieke terugval in de jaren negentig en heeft het daarom op de keper beschouwd het meest geprofiteerd van de Fortuyn-revolte.

Het onverwacht grote succes van de Fortuyn-revolte heeft zonneklaar aangetoond dat de uitslag van de politieke concurrentiestrijd niet langer bepaald wordt door de oude ideologische scheidslijnen van de oude politiek, maar door de wijze waarop actuele politieke thema’s en strijdpunten aangepakt worden en het vertrouwen dat concurrerende partijleiders inboezemen om leiding te geven aan het te voeren beleid. Niet langer de ideologie van de oude politiek, maar de persoon van de politieke leider als persoonlijke belichaming van een aansprekende politieke visie bepaalt steeds meer de uitkomst van de politieke concurrentiestrijd. Ook dat heeft de Fortuyn-revolte meer dan voorheen aan het licht gebracht.

Onze klassieke partijen raken steeds meer maatschappelijk ontworteld en daardoor in toenemende mate afhankelijk van staatssteun. Zij moeten hun bestaansreden bij iedere verkiezing opnieuw waarmaken en nieuwe politieke concurrentie het hoofd bieden. Vandaar dat politieke marketing zo in de lift zit in de strijd om het politieke voortbestaan. Politieke partijen krijgen daardoor steeds meer het karakter van politieke ondernemingen, geleid door politieke entrepreneurs en Fortuyn is daarin op succesvolle wijze voorop gegaan, al is zijn politieke initiatief in de knop gebroken door de politieke moord die we vandaag herdenken. Zijn revolte heeft ook op dit punt niettemin een nieuwe trend gezet. In de geest van de oude politiek dienen politieke partijen zich nog te presenteren als maatschappelijke vereniging. Naar aanleiding van de partij van Wilders die slechts strikt formeel een vereniging is is de vraag gerezen of we nog moeten vasthouden aan die verenigingsvorm. Waarom, aldus de Leidse politicoloog Andeweg, niet ook stichtingen en natuurlijke personen laten deelnemen aan verkiezingen. Het is, zo vindt hij, aan de kiezers en niet aan de wetgever om uit te maken op wat voor partij zij willen stemmen.

Zoals gezegd hebben de politieke vijanden van Fortuyn hardnekkig geprobeerd zijn revolte in een extreem-rechtse hoek te manoeuvreren. Ik heb dat van stonde af aan bestreden. Kenmerkend voor zijn politieke opstelling was juist dat hij zich nadrukkelijk distantieerde van het oude en simplistisch geworden links-rechts schema. Ik buig niet naar links en ik buig niet naar rechts, verklaarde hij nadrukkelijk aan het begin van zijn politieke carrière. En dat was geen loutere verkiezingskreet. Als we zijn politieke programma onbevooroordeeld analyseren dan zien we daarin een duidelijke vermenging van linkse en rechtse ideeën en actiepunten. Dat zowel links als rechts geheten partijen met de politieke erfenis van Fortuyn aan de haal zijn gegaan illustreert opnieuw dat Fortuyn zich had losgemaakt van dat simplistische links-rechts schema. Het Britse dagblad The Daily Telegraph vergeleek zijn programma dan ook met de derde weg van de Britse New Labour-leider Tony Blair. Juist door die combinatie van linkse en rechtse ideeën had Fortuyn zich ideologisch ongrijpbaar gemaakt en was hij niet in een ideologisch, i.c. extreem-rechts hokje te vangen, hoe hardnekkig zijn vijanden dat ook geprobeerd hebben. Zijn pleidooi voor herstel van de menselijke maat als reactie op de praktijk van schaalvergroting in onderwijs, landbouw, medische zorg, gemeentelijk bestuur e.d. dat aanvankelijk werd weggehoond als nostalgie naar de spruitjeslucht van de jaren vijftig, maar nu brede weerklank vindt, dat pleidooi staat haaks op alles wat zweemt naar politiek extremisme.

De linkse kerk heeft zich jarenlang opgeworpen als toonbeeld van intellectuele en morele superioriteit. Tot de historische betekenis van de revolte van Fortuyn reken ik ook de wijze waarop hij die pretentie ontmaskerd heeft als een leeggelopen ballon. In linkse kringen spreekt men nu zelf niet voor niets over de ideologische leegte van links. Als na de Fortuyn-revolte gesproken wordt over Nederland als een natie in verwarring, betreft dat voornamelijk links georiënteerd Nederland.
Dat beklaagt zich nu over de intolerante sfeer die kenmerkend is voor het post-Fortuyn tijdperk en brengt dat in verband met Fortuyns meest bekende leuze: ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. Maar die leuze was een normale historische reactie op de sinds de jaren zestig heersende cultus van links georiënteerd politiek correct denken. Dat was zelf een saillante uiting van politieke intolerantie. Standpunten die daarvan afweken en die nu vrij algemeen aanvaard zijn, werden toen onmiddellijk met kwalijke etiketten zoals racisme en fascisme gestigmatiseerd. Velen raakten daardoor zo geïntimideerd dat zij maar hun mond hielden. Het fenomeen van de zwijgende meerderheid is daardoor ontstaan. De Fortuyn-revolte heeft die zwijgende meerderheid een stem gegeven en velen die daartoe behoorden gemobiliseerd tegen de gevestigde politiek. Dat is onmiddellijk als populistische reactie gebrandmerkt. Maar het populisme van Fortuyn was door en door democratisch. Hij signaleerde en agendeerde lange tijd niet of onvoldoende erkende problemen, corrigeerde het naar binnen gekeerde politieke bestel en beoogde zodoende een herstel van de omstreden geraakte legitimiteit van de Nederlandse partijpolitiek.

De herdenking van de politieke moord op Fortuyn staat van stonde af aan in het teken van zijn strijd voor het vrije woord. Die strijd gaat onverminderd voort. Uit een onlangs gepubliceerd onderzoek dat verricht werd in opdracht van het Nationale Comité 4 en 5 mei blijkt namelijk dat liefst 38 procent van de ondervraagden niet voor zijn of haar mening durft uit te komen.

Sinds de Fortuyn-revolte verkeert Nederland in een snelkookpan. Politieke verhoudingen en ijkpunten die ideologisch vast verankerd leken zijn vloeibaar geworden en bieden niet langer het nodige houvast. Links is niet meer links en rechts is niet meer rechts, zoals de Nijmeegse politicoloog Graham Lock onlangs opmerkte naar aanleiding van de Fortuyn-revolte. Aan de vooravond van de herdenking op 6 mei 2003 van de moord op Fortuyn schreef NRC Handelsblad: “Vriend en vijand zijn het erover eens dat Fortuyn het voorspelbare en tam geworden politieke debat in Nederland nieuw leven ingeblazen heeft en kwesties gepolitiseerd waarop de politiek haar greep verloren had.” Bij de herdenking in dat jaar is ook de vraag geopperd of zijn politieke revolte een vervolg zal krijgen. HP/De Tijd sprak in dit verband over de vacature-Fortuyn. Met Geert Mak zag dat blad toen in de Fortuyn-revolte een voor-revolutie. Een opinie-onderzoek van Intermart een jaar later bevestigde die vacature. Ruim 49 procent van de bevolking, zo bleek daaruit, vindt dat Nederland een nieuwe Pim Fortuyn nodig heeft.

Als de Fortuyn-revolte iets duidelijk gemaakt heeft is het toch wel de grote kwetsbaarheid van de oude politiek. Hoe valt anders te verklaren dat zij door een lange tijd volstrekt niet serieus genomen politieke buitenstaander als Fortuyn in luttele maanden zo in het nauw gedreven kon worden en zich alleen nog staande wist te houden door tegen hem een bijzonder venijnige hetze te ontketenen die hij niet overleefd heeft.

We zijn nu vijf jaar verder. De Nederlandse politiek lijkt nu weer in oude sporen teruggevallen. Maar schijn bedriegt. Ik ga niet zover als de Tilburgse bestuurskundige Marcel Boogers die meent dat politieke partijen als intermediair tussen burgers en de overheid hun langste tijd gehad hebben. Wel geldt dat voor de oude partijpolitiek. In het 24e jaarboek van het democratisch socialisme van de Wiardi Beckman Stichting getiteld Politieke partijen op drift werden de oude partijen opgevoerd als oude diva’s die hun vergane glorie onder dikke lagen make up en flatteuze kledij proberen te camoufleren.

Dankzij de geaborteerde Fortuyn-revolte heeft de oude partijpolitiek uitstel van executie gekregen. In bepaalde opzichten heeft zij wel wat geleerd van zijn revolte, maar nog lang niet genoeg. Alle reden dus om de oude partijpolitiek kritisch te blijven volgen en zonodig met nieuwe initiatieven in de politieke ring te springen om de oude politiek in de geest van de Fortuyn-revolte opnieuw uit te dagen en nieuwe wegen te verkennen naar de toekomst van dit land en van Europa dat sinds de jaren vijftig onlosmakelijk deel uitmaakt van onze gemeenschappelijke toekomst.


Bewerking van een toespraak, op 6 mei jl. in Rotterdam gehouden bij de herdenking van de politieke moord op Fortuyn

Labels: ,

zaterdag, januari 27, 2007

'Ik zou mezelf een menselijke conservatief willen noemen' in Knack.be, januari 2007.

Hij is nog erg jong, maar hij kent zijn klassiekers al behoorlijk goed. Historicus Rik Verwaest over het nationalisme van de 21e eeuw: 'Met symbolen als de IJzertoren en het vendelzwaaien werf je geen jongeren meer.'

Een grote fout die veel politici maken, is dat ze zich laten leiden door de media. Daardoor doen ze aan dagjespolitiek. Toch merk ik dat de ideologieën terugkomen. En dat is een goede zaak. Zelf word ik als student voortdurend uitgedaagd om na te denken over de grote politieke denkstromingen. Ik studeer nieuwste geschiedenis, van de Franse Revolutie tot aan de Tweede Wereldoorlog, en die periode is zeer interessant met betrekking tot het nationalisme.

Het nationalisme heeft een aantal ontsporingen gekend, zeker in de 20e eeuw. Maar als je teruggaat naar de 19e eeuw, zie je dat het oorspronkelijk een heel andere inkleuring kreeg: het was een bevrijdende en verbindende kracht, de motor achter de eerste democratisering. Duitsland en Italië hebben zich bijvoorbeeld verbonden dankzij het nationalisme. Vóór de opkomst van het nationalisme regeerden in het aartsconservatieve Europa de keizer en de koning en de kerk. Het nationalisme is dus ook gelinkt aan de opkomst van het individualisme, van de burgerij die zichzelf emancipeert en ook de rest van het volk wil bevrijden. De invoering van het algemeen stemrecht klopt in die zin perfect met de nationalistische visie.

De natie is synoniem met het volk. Dat wil zeggen: tot de natie reken ik iedereen die binnen onze grenzen woont en bereid is zich te manifesteren als Vlaming. Iemands geloof, huidskleur, afkomst of cultuur hebben daar voor mij als civiel nationalist niets mee te maken. Wie zich met de natie kan identificeren, behoort ertoe. Het nationalisme is een ideologie van de insluiting. En niet van de uitsluiting, zoals bij het Vlaams Belang.

Een auteur die mij enorm heeft geïnspireerd, is Benjamin Barber. Hij is socioloog, was adviseur van Bill Clinton toen die Amerikaans president was, en legt in zijn boek Jihad versus McWorld uit welke twee negatieve krachten de wereld vandaag beheersen. Enerzijds McWorld, waarbij we ernaar streven om de hele wereld hetzelfde uniforme systeem op te leggen. En anderzijds jihad, waarbij we als reactie op die McWorld de neiging hebben onszelf terug te trekken in het strengste religieuze of etnische tribalisme, in ons eigen grote gelijk. In de oplossingen die Barber voorstelt, kan ik mij perfect vinden. We moeten een aantal zaken naar het macroniveau trekken, bijvoorbeeld naar de Europese Unie en de Verenigde Naties. Maar tegelijk moeten we een aantal andere zaken naar een lager niveau terugbrengen, naar het niveau waar we ze het beste kunnen beheren, met een maximale democratische controle. Die laatste beweging noemt Barber glokalisatie.

Dat is de kern van ons verhaal: op een moment dat de wereld globaliseert, dat alles groot wordt, dat een aantal zaken ons lijkt te ontglippen, moeten we voor elk domein kiezen op welk niveau we dat het beste gaan organiseren. In een democratie moeten mensen zich kunnen identificeren met het beleid. Wat Europa betreft, is dat helaas nog niet het geval, maar die kant moet het zeker op.

Beleidsdomeinen zoals defensie en macro-economie, waar het schaalvoordeel meer van belang is, moeten integraal naar het Europese niveau. Een aantal andere domeinen die meer persoonsgebonden zijn, moeten integraal naar het Vlaamse niveau worden getrokken. Vlaanderen is één sociaalculturele ruimte, met een publieke opinie, een medialandschap, een aantal politieke partijen waarop iedereen kan stemmen... Dat is een perfect bestuurbaar geheel, een performante democratie - in tegenstelling tot België.

Die houding heeft niets te maken met tribalisme, of met jihad, of met egoïsme. Want dat is het verwijt dat wij altijd krijgen: dat wij ons willen terugtrekken op ons eilandje, in ons eigen grote gelijk. De wereld wordt eengemaakt en wij willen België splitsen: absurd, vinden sommigen. Maar dat is natuurlijk helemaal niet absurd. Integendeel. Het is net omdát de wereld wordt eengemaakt, dat we alle overbodige tussenniveaus ter discussie moeten durven te stellen. Dat gebeurt niet alleen in België, ook in het Verenigd Koninkrijk staat dat op het punt om te gebeuren. Dat Britse niveau heeft, net als het Belgische, ooit misschien zijn nut gehad, maar vandaag, in een wereld met de VN, de EU en de NAVO, niet meer.

Solidariteit is heel belangrijk, noodzakelijk zelfs. Een Vlaanderen van zes miljoen inwoners zal zich niet kunnen veroorloven om te zeggen: 'Vanaf nu gaat er geen euro meer buiten.' We leven in een Europese Unie met 27 lidstaten, die enorm van elkaar verschillen maar samen wel één sociaaleconomisch geheel vormen. In die context moet je solidair zijn, zeker met je buren. De solidariteit tussen Vlaanderen en Wallonië zal dus zeker blijven bestaan. Alleen zullen we die op Europees niveau moeten organiseren. Vlaanderen zal solidair zijn met Wallonië zoals met Bulgarije of Cyprus. Die solidariteit zal veel transparanter en meer resultaatgericht moeten en kunnen zijn dan vandaag.

Het nationalisme als project heeft een duidelijk eindpunt. Dat is een verschil met het liberalisme, het socialisme, de christendemocratie en het ecologisme. Je kunt het nationalisme ook op verschillende manieren ideologisch inkleuren: liberaal, socialistisch... Wat wij als partij veel meer moeten proberen te doen, is andere partijen overtuigen van ons verhaal en aantonen dat Vlaams-nationalisme niet botst met een liberaal of socialistisch wereldbeeld, maar er iets essentieels aan kan toevoegen.

Wat wij gemeen hebben met de christendemocraten, is onze visie op gemeenschapsvorming. De socialisten willen dat de staat uiteindelijk voor een herverdeling van kansen en middelen zorgt. De liberalen geloven dat een zo groot mogelijke vrijheid van het individu de beste garanties biedt op welvaart en welzijn. Mijn visie sluit meer aan bij het klassieke conservatisme: de samenleving is een netwerk van spontane verbanden tussen mensen. Een mens wordt pas mens als hij zich kan inschrijven in zo'n groter verband, als hij samen met anderen iets onderneemt. Daar ligt voor mij de klemtoon. Een conservatieve visie houdt in dat je vooral focust op het niveau tússen individu en staat. Dat je inziet dat het dorp of de buurt of de vereniging een rol kan spelen die de staat of het individu niet aankunnen.

Die gemeenschapsvorming is de beste remedie tegen de toenemende onzekerheid. Want in die onzekerheid schuilt het kernprobleem van onze tijd. Vlaanderen heeft de afgelopen decennia een enorme evolutie doorgemaakt. Het Vlaanderen van onder de kerktoren is multicultureel en verstedelijkt geworden, met alle vragen en problemen en onzekerheden van dien: vervreemding, vereenzaming, angst... Als politicus kun je dan kiezen: ga je die angst en onzekerheid exploiteren en voeden, zoals het VB doet, of ga je proberen om alle positieve initiatieven te stimuleren? Zonder de mensen iets wijs te maken, want je kunt de klok nu eenmaal geen vijftig jaar terugdraaien. De wereld van vandaag moet niet worden afgewezen of verketterd. Wel moeten we proberen om negatieve effecten zo voorzichtig mogelijk te corrigeren.

Ik wil een Vlaams-nationalist van de 21e eeuw zijn. Als historicus neem ik mijn hoed af voor al die generaties flaminganten die ons zijn voorgegaan. Maar met symbolen als de IJzertoren en het vendelzwaaien werf je geen jongeren meer. Die fout hebben te veel Vlaams-nationalisten te lang gemaakt. Wij moeten een nuchtere analyse brengen, en ophouden met die polemiek rond de collaboratie of de IJzerbedevaart - daar hadden wij als Vlaamse Beweging allang overheen moeten zijn. Het nationalisme van de 20e eeuw is ondertussen folklore geworden. Maar die omslag is nog niet in alle hoofden gemaakt. Ik heb niet de pretentie dat ik het als 21-jarige allemaal zo veel beter weet of zo veel beter kan, maar ik ben er wel van overtuigd dat de nuchtere en eigentijdse manier waarop de N-VA het Vlaams-nationalisme uitdraagt de enige juiste is. Zo zullen we minder het risico lopen om geridiculiseerd te worden als reactionaire vendel- zwaaiers, wat helaas soms nog gebeurt.

Ik zou mezelf een menselijke conservatief willen noemen. Een young urban conservative. Dat wil zeggen dat ik mijzelf distantieer van het soms onmenselijk strenge conservatisme van de vorige eeuw. Ik vind niet dat wij homoseksuelen nog langer kunnen behandelen als mensen die afwijken van de norm. Of neem softdrugs: als jongere kom ik op veel plaatsen waar die worden gebruikt. Keiharde standpunten werken niet meer op zo'n moment. Die fout hebben conservatieven te lang gemaakt: ze wilden allerlei ontwikkelingen tegengaan. Terwijl je beter kunt proberen om de evolutie mee te sturen, niet door alleen maar het negatieve te bestraffen, maar ook en misschien vooral door het positieve te stimuleren. Heel concreet: ik ben zelf nog altijd zeer actief bij de KSA, omdat ik ervan overtuigd ben dat het werk in een jeugdbeweging veel jongeren de kracht en stimulans geeft om hun energie op een positieve manier te gebruiken.

Als conservatief vind ik niet dat je een grote maatschappelijke utopie moet verdedigen. Ik geloof niet in die complete maakbaarheid. Dat hebben moderne conservatieven nog altijd gemeen met Edmund Burke, de zogenaamde aartsvader van het conservatisme. Men beweert vaak dat hij destijds, aan het einde van de 18e eeuw, de Franse Revolutie integraal verwierp. Maar dat klopt niet. Met de ontvoogding die gepaard ging met de revolutie, met het afscheid van de standenmaatschapppij, was Burke het volmondig eens. Hij was het niet eens met de utopie, die ertoe leidde dat iedereen die niet in die utopie paste, werd bestreden en uitgemoord. De samenleving kan niet worden herschapen op basis van een aantal theoretische principes, zij heeft haar eigen logica en ijzeren wetten. De geschiedenis heeft Burke wat dat betreft gelijk gegeven, onder meer met het failliet van het communisme en het fascisme, die ook een nieuwe mens wilden maken.

Ik vind het onthutsend dat Guy Verhofstadt nog altijd doet alsof hij het warm water heeft uitgevonden. Dat kan ik eigenlijk niet bevatten. Die man kan niet erkennen dat hij in die acht jaar dat hij premier was heel wat van zijn elan is kwijtgeraakt. Hij kent zijn beperkingen niet. Dit gezegd zijnde, ben ik slecht geplaatst om hoog van de toren te blazen. Je kunt als politicus nog zoveel over ideologie praten als je wil, zolang je niet verkozen raakt, sta je nergens. Ik kwam bij de gemeenteraadsverkiezingen in Lier 28 stemmen tekort. Dat is een les in nederigheid. Al lijkt het mij niet slecht dat je als politicus af en toe eens klappen krijgt, zodat je ambities een beetje redelijk blijven en je jezelf ook blijft relativeren.'

Knack

Tags:
Bookmark op del.icio.us Voeg toe aan Tagmos.nl Blink deze pagina

zondag, december 10, 2006

"Turkije behoort niet tot de EU !" gesprek met Robert Steuckers door Branding, 10 december 2006.

Robert Steuckers is de drijvende kracht achter heel wat interessante nieuw-rechtse tijdschriften als Synergies européennes en Vouloir, en was in het verleden meermaals gastspreker op vormingsavonden van de NSV!.
Aan hem legden we enkele prangende vragen voor, die ons meer inzicht moeten verschaffen in de achtergronden en toekomstperspectieven van de schijnbaar onstuitbare Turkse “Drang nach Europa”.


Branding: Op 6 oktober laatstleden verleende de Europese Commissie een positief advies voor de toetreding van Turkije tot de EU, ondanks veelvuldig protest vanwege heel wat Europese partijen en hun achterban. Wij vroegen ons af of de strijd hiermee gestreden is?

RS: Neen, de strijd is hiermee niet gestreden. De problemen worden alleen maar opzij geschoven. Het deficit van de Turkse economie is torenhoog en kan natuurlijk niet, zelfs met de beste wil ter wereld, eenvoudig door structurele EU-subsidies worden verholpen, terwijl ook Europa nieuwe structurele investeringen dringend nodig heeft, met name in de Länder van de voormalige DDR of in Polen. Bovendien groeit de Turkse bevolking onophoudelijk aan. Demografen hebben uitgerekend dat de Turkse bevolking tegen 2025 95 miljoen zielen zal tellen. De groei van de bevolking zal het deficit en het aantal inheemse Turkse werklozen natuurlijk niet helpen oplossen.

Mocht het tot een toetreding van Turkije tot de EU komen, zou in tweede instantie de oeroude landbouwpolitiek van de EU naar de haaien gaan. Deze laat zich eenvoudig niet meer financieren, daar het percentage van de Turkse bevolking, dat in de landbouw actief is, veel hoger (35%) ligt dan het gemiddelde in de huidige EU.

Ten derde valt het te verwachten dat de Turkse regering op vlak van mensenrechten nog heel wat blunders zal begaan, onder meer in Koerdistan.

Ten vierde, zal een effectieve toetreding heel wat weerstand veroorzaken in sommige landen die niet bepaald pro-Turks kunnen genoemd worden, zoals Cyprus en Griekenland.

Naar mijn mening hebben de staten uit de voormalige Joegoslavische federatie prioriteit in hun historisch recht om tot het verenigde Europa toe te treden, en ook zij zijn zeer wantrouwig tegenover Ankara.

Mocht een toetreding van Turkije dan toch onafwendbaar zijn, wat ik niet geloof, moet de anti-Turkse lobby in Europa klaar en duidelijke voorwaarden stellen:

1) terugtrekking van alle Turkse troepen uit Cyprus; 2) autonomie voor Koerdistan; 3) erkenning van de genocide tegen Armeniërs en Grieken; 4) erkenning van alle oostelijke christelijke kerken (ondermeer langs de grens met Syrië); 5) het staken van alle steun aan Tsjetsjeense terroristen; 6) de teruggave van de Hagia Sophia in Konstantinopel (Istanboel) aan de Grieks-Orthodoxe Kerk; 7) geen inmenging in de binnenlandse zaken van Turkssprekende republieken uit de voormalige Sovjetunie; het stopzetten van de politiek van dammenbouw op de Eufraat en de Tigris, en die tot gevolg heeft dat het hele Midden Oosten wordt drooggelegd. Dat zijn de voornaamste voorwaarden, die Turkije moet vervullen om eventueel volwaardig lid van de EU te kunnen worden.

En, wees gerust, deze zullen door geen enkele Turkse regering worden aanvaard.

Branding: Kan U even de belangrijkste argumenten op historisch, cultureel en politiek vlak uit de doeken doen, die pleiten tegen een toetreding van Turkije tot de EU?

RS: Op historisch vlak kan men werkelijk hele bibliotheken volschrijven om aan te tonen dat Europa en Turkije twee grondverschillende politieke werelden zijn. In 955, na de Slag van Lechfeld, toen Keizer Otto I de Hongaren versloeg en een einde maakte aan de constante aanvallen tegen Europa vanuit de Euraziatische steppe, moesten de Hongaarse koningen de plechtige eed afleggen dat ze nooit meer een veldtocht zouden ondernemen in de richting van West-Europa, en dat ze de Donau en de Pannonische vlakte tegen alle indringers van Aziatische oorsprong zouden verdedigen. De Hongaren moesten dus hun geopolitiek perspectief volledig veranderen. Na de val van Konstantinopel in mei 1453, stelde Paus Pius II dezelfde voorwaarde aan de Sultan, die weigerde. Pius II was kanselier van de Duitse Keizer Frederik III geweest.
In een vorig leven als Italiaans humanist vertaalde hij de Germania van Tacitus en ontwierp hij een eigen geopolitiek project: De Europa.

Daarin argumenteerde de latere Paus Pius II dat Europa eigenlijk een Rijk was, dat enkel als Rijk kon overleven, als het Bohemen en Brabant stevig in handen had.

Ergens kunnen we Pius II als een soort oervader van het Duitse en het Vlaamse nationalisme beschouwen. Van Tacitus nam hij de idee van de “hogere kwaliteit” van de Noordse volkeren over.

Maar terug naar de Turkse kwestie : de Sultan weigerde dus zijn geopolitiek

perspectief te wijzigen en bleef zo de erfgenaam van twee anti-Europese geopolitieke Stoßrichtungen, die van de Turkse steppevolkeren in de richting van de Zwarte Zee en de Donau in het noorden, in de richting van de Egeïsche Zee in het zuiden zuiden, en die van de Arabische volkeren vanuit het Arabische schiereiland in de richting van Noord-Afrika en ook van de Egeïsche Zee.

Het bestaan van zulke Stoßrichtungen is een permanente bedreiging voor Europa. Het huidige Turkije blijft in dezelfde zin handelen, verpakt met ogenschijnlijk pacifistische bedoelingen. Hoofddoel van de Pan-Turkse agenda is de bevolking van de hele Turkstalige wereld tussen de Bosporus en de Chinese grens de mogelijkheid te bieden om zich voorgoed in Europa te nestelen en zo de smadelijke nederlagen van de Hunnen, de Magyaren, de Avaren, de Koemanen, de Petsjeneggen, de Khazaren, de Seldsjoeken en de Ottomanen te wreken en recht te zetten.

Men mag nooit uit het oog verliezen dat het politieke geheugen van de Oostelijke volkeren een veel verder terugreikend geheugen is dan dat van westerlingen, en dat het verleden in hun ogen nooit “passé” is, maar ten allen tijde brandend actueel blijft. Oostelijke volkeren lijden niet aan de geheugenstoornissen van de westerse “progressieven” zijn.

Branding: Kunnen we uit het verleden lessen trekken voor onze campagne tegen een mogelijke Turkse toetreding tot de EU? Wat zijn de grote voorbeelden waarnaar we in deze kunnen teruggrijpen?

RS: Er kunnen uit het verleden hieromtrent duizend en één lessen getrokken worden. Wat zeker is, is dat de politieke elite van Europa de geschiedenis van de eeuwenlange strijd tussen Europa en de steppevolkeren moet kennen en vanuit deze historische kennis beslissingen moet nemen. Het grote voorbeeld blijft natuurlijk Prins Eugeen van Savoye, die alle mogelijke bronnen uit de geschiedenis las, alvorens hij zijn zegevierende veldtochten tegen de Ottomanen lanceerde, waarmee hij hen definitief versloeg. Hét wapen bij uitstek van deze kleine en fysiek zwakke man was een grote kennis van de geschiedkundige bronnen van zijn tijd. Met de weinige middelen en met het formidabel Frans leger van Lodewijk XIV, de verrader van Europa, dat hem voortdurend in de rug kon aanvallen, heeft hij desalniettemin de grootste mogendheid van zijn tijd uitgeschakeld.

Sun Tsoe leert ons dat informatie uiterst belangrijk is om de vijand te verslagen. Prins Eugeen heeft dat bewezen en in zijn geval was informatie op de eerste plaats kennis van de geschiedenis. Vandaag de dag is deze regel nog steeds van toepassing: de Angelsaksen winnen de strijd in Centraal-Azië en in het Middenoosten omdat hun geschiedenisboeken vandaag de beste zijn.

Branding: Hoe ziet U de rol van de omvangrijke Turkse bevolkingsgroepen in West- en Midden-Europa? Vormen zij op termijn een soort vijfde kolonne, mocht Turkije worden toegelaten tot de EU-club? En hoe moeten we de gevolgen van het de jure Turks staatsburgerschap van miljoenen Centraal-Aziatische Turkofonen voor Europa inschatten bij een mogelijke toetreding van Turkije tot de EU?

RS: De Turken in West-Europa worden op termijn geen vijfde kolonne, ze zijn het al!

Enkele jaren geleden werden in de Brusselse gemeente Schaarbeek Koerdische en Aramese cultuurcentra in brand gestoken door bendes jonge Turken, die goed getraind bleken door de militante Grijze Wolfen of door Turkse militairen, en dit onder de ogen van een Turkse televisieploeg, die snel na de rellen verdween in de richting van Istanboel.

‘s Avonds werden de beelden al op de TV-schermen vertoond, zonder dat de fameuze Belgische veiligheidsdiensten konden reageren. België had zich weer eens belachelijk gemaakt. In Duitsland is het regelmatig tot dergelijke incidenten gekomen.

De Turkse regering geeft automatisch de Turkse nationaliteit aan alle onderdanen van de Turkstalige republieken uit Centraal Azië. Mede daarom is het eerder vernoemde cijfer van 95 miljoen Turkse burgers in 2025 een grove onderschatting. Turkije zal de Turkstaligen uit Azië nooit laten vallen: de ondermijning van het Byzantijnse Rijk werd voltrokken door de immigratie van Turkmeense of Turkomaanse herdervolkeren vanuit Centraal-Azië, en dit sinds de tijd van de Seldsjoeken.

De legers van de Sultans hebben altijd uit Turkmeense en Tataarse ruiters bestaan die, bij de tweede belegering van Wenen, de ommelanden Bohemen, Moravië en Hongarije systematisch plunderden. Op historisch vlak zijn de banden tussen de Turken in de huidige Turkse staat en de Turkstaligen uit de voormalige Sovjetunie heel nauw. Dat laatste zal niet veranderen door een schijnbare “bekering” tot de flauwe waarden van het liberale Europa.

Branding: Hoe zit het met de tegenstanders van een Turks EU-lidmaatschap in Turkije zelf? Bestaan er volgens U mogelijkheden om objectieve bondgenootschappen met hen te sluiten?

RS: De belangrijkste tegenstanders zijn enerzijds de Grijze Wolven (hoewel deze laatsten soms erg dubbelzinnig kunnen zijn…), die vrezen dat Turkije een kolonie van het Westen zal worden en dat het land afstand zal moeten nemen van zijn traditionele politiek in Koerdistan, en anderzijds de Islamisten, die vrezen dat de Westerse waarden de fundamenten van de Turkse maatschappij door hun zedenloosheid zullen kelderen. Een objectief bondgenootschap is mogelijk met nationalisten, in die zin dat, na 1923, Turkije een land werd dat volledig van Groot-Brittannië, en later van de VS, afhing, daar het niet meer over olie of andere energiebronnen kon beschikken. Net daarvoor hadden de Engelsen Mossoel bij het nieuw ontstane Irak ingelijfd, waar zich belangrijke olievelden bevinden. Zonder energiebronnen blijft Turkije een zwak land.

Dat laatste moeten wij aan eerlijke Turkse nationalisten diets maken. De toekomst van Turkije ligt in Irak en nergens anders. Maar de slaafse houding van de Turkse regeringen tegenover de Amerikanen heeft Turkije geen kans gelaten om Mossoel te recupereren. Nu is het daarvoor te laat. De Amerikanen wensen bovendien Europa te verzwakken, waarbij Europa de rol van de betalende derde zal moeten spelen, terwijl hun oliemaatschappijen Mossoel blijven controleren.

Laatste bemerking: deze oriëntatie van de Turkse politiek ware mogelijk geweest in de tijd van het onvolprezen bondgenootschap met Duitsland vóór 1914 en gedurende de Eerste Wereldoorlog…een episode uit de geschiedenis die wij ook moeten herlezen.

Branding: Een Europees “njet” tegen de toetreding van Turkije tot de EU is natuurlijk één zaak. Maar hoe zit het precies met het alternatief dat Europa in deze kan bieden aan de Turken, toch wel een niet onbelangrijke macht in het Midden-Oosten en Centraal-Azië? Bestaat er een mogelijkheid om Turkije uit de invloedssfeer van de Amerikanen los te weken en tot objectieve bondgenoot van Europa te maken, in een soort bevoorrecht partnerschap, dat gericht is op de behartiging van de geopolitieke belangen van Europa én Turkije, en dat de energie van de Turken aanwendt tegen de vijanden van Europa en niet tegen Europa zelf?

RS: Een “njet” heeft zin, omdat het een “njet” is tegen de geheime Turkse wil om Europa door migranten uit Anatolië, Koerdistan of Centraal Azië te ondermijnen en te veroveren, en zo de nederlagen uit de vorige eeuwen teniet te doen.

Een “njet” heeft ook zin, omdat de Turkse kandidatuur eenvoudig onbetaalbaar is in een periode van laagconjunctuur.

Maar, inderdaad, er moet tegelijkertijd een alternatief geboden worden en het enige redelijke project is dat van de Pruisisch-Duitse Keizer Willem II, die een partnerschap voorstond tussen heel Europa enerzijds en Turkije met het Tweestromenland anderzijds. Keizer Willem heeft in feite heel Europa uitgenodigd om aan dat project deel te nemen, maar Frankrijk heeft uit belachelijk revanchisme voor 1870 hautain geweigerd en alles gezet op Rusland, om van dit enorme land een wals te maken tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Het partnerschap was toen mogelijk en beloofde een succes te worden, omdat olievelden potentieel beschikbaar waren.

Na de nederlaag van 1918, heeft Turkije zijn voornaamste energiebronnen verloren en het huidige “bond-genootschap” met de VS maakt het onmogelijk deze bronnen terug te krijgen. Dat is het geopolitieke feit dat niet te negeren valt. Men moet er zich enkel van bewust worden, zowel in Euro-Brussel, als in Berlijn, Wenen of Ankara. De Turken moeten ook beseffen dat het vrijwillig reduceren van hun geopolitieke ruimte door het kemalisme op dit moment een serieus probleem vormt, aangezien een tot Anatolië beperkt Turkije zonder Koerdisch of Arabisch Vorfeld als werkelijke en leefbare regionale macht op lange termijn niet levensvatbaar is. Het Ottomaanse Rijk was de facto multicultureel en federalistisch.

Turkije mag ook in een partnerschap met Europa geen Jakobijns gecentraliseerd stelsel blijven. Mossoel kan niet gerecupereerd worden zonder de garantie van een volledige Koerdische autonomie, zoals dat gedurende het Ottomaanse bewind het geval was. Een federalistisch Turkije, dat zich verzoend heeft met Europa en Rusland, heeft een waardige toekomst. Zonder de nodige hervormingen zal Turkije een anti-Europese stoorfactor in dienst van Amerika blijven. Het lot van het Mossoel-gebied bewijst dat de vijanden van Europa en Turkije eigenlijk de zelfde zijn. Men moet er zich echter hier en daar dringend van bewust worden…

Branding: Nog een laatste vraag: stel dat het Turks EU-lidmaatschap een feit is; op welke wijze dienen we met dit gegeven om te gaan en hoe kunnen we desgevallend onze strijd voortzetten?

RS: Als dat feit zich voltrekt riskeert letterlijk alles naar de haaien te gaan.

Een lichtpunt zou kunnen zijn dat men een driehoekige alliantie tussen Rusland, Europa en Turkije vormt met de Zwarte Zee als centrale as. Een dergelijke oplossing werd trouwens door Alexander Doegin in Moskou voorgesteld. In het geval dat een Turks EU-lidmaatschap onafwendbaar is, zouden we onze inspanningen op een soortgelijke alliantie moeten concentreren, wat impliceert dat de Turkse politiek zich niet meer kan laten koppelen aan anti-Russische en anti-Europese projecten in de stijl van Zbigniew Brzezinski, wat nu al decennia lang het geval is.

Branding: Mijnheer Steuckers, wij danken u van harte voor dit boeiende gesprek en hopen samen met u dat onze argumenten tegen een Turkse toetreding tot de EU het alsnog mogen halen.

Bron: Nationalisme.info - vormingscel van Nationalistische Studentenvereniging (NSV)

dinsdag, november 28, 2006

Kiezers zijn 19de-eeuwers: nationalist en conservatief door Yoram STEIN in Trouw, 29 november 2006.

Wat kunnen denkers zeggen over het nieuws? Tweewekelijks spreekt Trouws filosofisch elftal zich uit, dit keer wederom met een gastspeler. De verkiezingsuitslag – hoe moeten we deze interpreteren? En hoe moeten we deze waarderen?

’De verkiezingsuitslag laat een dubbele beweging zien’’, zegt gastspeler Ad Verbrugge, hoofddocent sociale en culturele filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Eén richting nationalisme, en één richting conservatisme.’’

Verbrugge vestigde met televisieoptredens en zijn essaybundel ’Tijd van onbehagen’ de aandacht op zich. Zijn analyses van de Europese eenwording, de managerscultuur in onderwijs en zorg en zijn voorzitterschap van de vereniging Beter Onderwijs Nederland maakte dat Jan Marijnissen de VU-filosoof onlangs tipte als minister van onderwijs.

Huib Schwab, jarenlang filosofiedocent en nu vrijgevestigd filosoof in Spanje en Nederland, deelt de zorgen van Verbrugge, maar diens interpretatie van de verkiezingsuitslag deelt hij niet. „Het verlies van PvdA, VVD en D66 valt te begrijpen als verzet tegen Paars. De neergang van de PvdA komt door Wim Kok, die de ideologie van zich afschudde. Kiezers stemmen op karakters, op mensen die idealen hebben en duidelijk zeggen waar ze voor staan, niet op kleur- en richtingloze onpersoonlijkheden.’’

Verbrugge: „We gaan van internationalisme naar nationalisme, en dat gaat dwars door het links-rechts denken heen.” Hij wijst op het populaire nationalistisch socialisme van de SP en op Wilders’ nationalistisch liberalisme. „Wie zich tegen de Europese Grondwet keerde, heeft gewonnen.’’

Daarnaast ziet Verbrugge dat de kiezer conservatiever wordt. „Er is een heroriëntatie op waarden en normen. Dit Balkenende-thema was zelfs het belangrijkste. Zie de partijen die het goed deden, zoals ChristenUnie, Wilders én de SP.’’

Verbrugge verklaart het met de analyse die hij in ’Tijd van onbehagen’ maakte. „De libertijns liberale moraal van de jaren zestig – ’vrijheid, blijheid’ – loopt ten einde. Hoe moet je leven? Hoe voed je kinderen op? ’Vrijheid, blijheid’ geeft geen richting. Daardoor grijpen mensen terug op het verleden, spreekt Balkenende over de VOC, en Marijnissen over de wederopbouw.’’

Verbrugge ziet een verband met het ’multiculturele drama’. „Het gebod om individuen met rust te laten en vooral niet paternalistisch te zijn, geldt ook bij minderheidsgroepen. De overheid mag iemand die enkel Turks spreekt en die met een schotelantenne naar buitenlandse programma’s kijkt, niets in de weg leggen. Dat is zijn eigen zaak. Zo kon de paradox ontstaan van een vrijheid die gebruikt wordt om kinderen op te voeden in een geest die de vrijheid ondermijnt.’’

Schwab bekritiseert verkiezingsanalyses die ’doen alsof al die kiezers één lichaam vormen, dat een bepaalde kant opgaat’. Hij kijkt liever naar de ’context’. Die is: het mediacircus, een ’kwantitatieve cultuur’, waarin alles draait om peilingen, opinieonderzoeken, kijkcijfers, met als grote vraag: wat vindt de meerderheid?’ „Niemand denkt op zeker moment meer zélf na. Een ramp voor de democratie.’’

Volgens Schwab beseffen kiezers dat wel, ze stemmen op hen die in het mediacircus nog het meest de indruk maken dat zij goede leiders zijn. Zoals Marijnissen. „Zijn stemmers weten niet dat de SP een maoïstische geschiedenis heeft. Ze hebben geen idee waar de partij precies voor staat.”

Wat ís een leider eigenlijk? Schwab: „Een persoonlijkheid die tegen opiniepeilingen ingaat en die zelfstandig durft na te denken. Omdat mensen zelf ook personen zijn, kunnen zij de gedachtegang van zo’n leider volgen en overnemen. Hij voegt zich niet naar de opiniepeilingen, maar overtuigt anderen. Leiderschap is: dat je karakter samenvalt met je idealen die je vormgeeft in je uitstraling, in je charisma. Dat is waar het Bos, Rutte en Balkenende aan ontbreekt, en wat je meer ziet bij Rouvoet en Marijnissen.’’

Verbrugge ziet wél grote historische lijnen. „De Verlichting bevrijdde de burger van kerkelijke structuren. Daarop ontstond de noodzaak om deze burger in een nieuwe structuur te persen: die van de natie. De 19de eeuw is die van burgerij, volk, natie en nationalisme.’’ Daarop kwam in de jaren zestig van de vorige eeuw kritiek. Individualisme en wereldburgerschap namen de plaats van de natiestaat in. „Maar deze ideeën geven te weinig richting. Daarom zie je dat we nu terugvallen op het collectief, een algemeen belang, een nationale, bindende eenheid. Vandaar de canon die ons de geschiedenis moet leren. Vandaar het afwijzen van de Europese Grondwet en het benadrukken van integratie in de Nederlandse taal en cultuur. En vandaar de verkiezingsuitslag.’’

Hoe waardeert Verbrugge die uitslag? Hij twijfelt, snapt de behoefte aan ’menselijke maat’ en concrete saamhorigheid, maar ziet ook dat het nationale een ’abstracte identiteit’ dreigt te worden, die zich afzet tegen anderen, met een cultuur die alleen maar tegencultuur is.

Volgens Schwab zijn nationalisme en conservatisme zeker niet de noodzakelijke uitkomst van een historische ontwikkeling. Mensen scheppen zelf hun toekomst. En onze toekomst ligt in Europa. „Nederland zit, sinds de zuilen zijn verdwenen, in een identiteitscrisis. Om weer aan een sterke identiteit te komen, moeten we niet terugwillen naar de enge, nationale context. We moeten kijken waar we vandaan komen en waar we naartoe willen. Onze culturele geschiedenis ligt in Parijs, Rome, Londen, Athene. En onze toekomst ligt in Europa. Mensen willen dromen, en hebben behoefte aan iemand die de droom voor hen uittekent. Europa is de droom.’’

Bron: TrouwTechnorati Profile

zondag, november 26, 2006

Verkapte zoektocht naar identiteit door A.J. van Vuren, generaal-majoor bd., in Eindhovens Dagblad, 24 november 2006.

In de oorlogen die Europa hebben geteisterd, vochten arbei­ders van het ene land tegen arbeiders van het andere. Dat was marxisten een gruwel; arbeiders moesten juist zij aan zij tegen het kapitalisme strijden. Weg dus met de nationale identiteit, leve het klassenbewustzijn.

Ook in Nederland stelde de linkse intellectuele elite internationale solidariteit boven loyaliteit aan het eigen land. Als onderdeel van de ’internationale gemeenschap’ voelden zij zich ’wereld­burgers’.

Die internationaal georiënteerde elite vond mensen die zich bewust zijn van hun nationale identiteit, om hun geschiedenis en cultuur geven en het eigene benadrukken, lachwekkend en bekrompen. Hoe durfden die onverlichte geesten trots te zijn op zeehelden als De Ruyter, wanneer slavernij en kolonialisme in het kielzog van hun schepen volgden? Hoe potsierlijk was Balkenende niet, toen hij de VOC-mentaliteit prees?

Dit denken vond zijn weg in de media en de politiek. De Verenigde Naties werden kritiekloos omhelsd, want die organisatie vertegenwoordigt de ’internationale gemeenschap’. Wij wilden ook best wat soevereiniteit opgeven voor een Verenigd Europa.

Wanneer je als ’internationalist’ de eigen geschiedenis wantrouwt, ligt het voor de hand ook de eigen cultuur die nauw samenhangt met de geschiedenis, te relativeren. Er zijn immers zoveel andere, waardevolle culturen waar we een voorbeeld aan kunnen nemen.

Omdat Nederland de nationale hokjesgeest was ontstegen, waren buitenlanders welkom. Zij mochten hun cultuur, die misschien wel beter is dan de onze, gewoon houden en hoefden zich niet aan te passen.

De intellectuele voorhoede vroeg zich niet af of de gewone man haar inzichten deelde; het nieuwe denken hoefde alleen maar uitgelegd te worden op scholen en in de media.

De gewone man kon het allemaal niet zoveel schelen zo lang Oranje kampioen werd (een wij-gevoel dat nog wél mocht), zijn welvaart toenam en hij met rust werd gelaten. Hij nam pas stelling toen de toevloed van niet-integrerende immigranten zijn buurt onherkenbaar veranderde.

Tussen de elite en het volk gaapte allengs een kloof. Pim Fortuyn vertolkte de onvrede en veroorzaakte een politieke aardverschuiving.

Fortuyn is vermoord en zijn partij is verdampt, maar dat betekent niet dat de onvrede weg is. Sinds Fortuyn doet iedereen zijn zegje over de integratie van allochtonen of het gebrek daaraan.

Allochtonen worden niet langer begripsvol, welwillend en tolerant tegemoet getreden; zij moeten integreren. Maar integreren in wat? In ons vooruitstrevende hoekje van Europa hebben we immers afstand genomen van onze geschiedenis, cultuur en identiteit.

Minister Van der Hoeven wilde daar iets aan doen en stelde naar Nederlands politiek gebruik, een commissie in. Zij schreef in haar opdracht: ’Er lijkt in brede kringen behoefte te zijn aan een nieuw ’verhaal Nederland’.

Met zo’n canon, voegde zij daar mondeling aan toe, ’wordt het voor de inwoners van Nederland gemakkelijker om over gemeenschappelijke kennis over geschiedenis, cultuur en samenleving van Nederland te beschikken en die kennis met elkaar te delen.’ Hoe wollig de minister zich ook uitdrukte, zij wilde dat de commissie de nationale identiteit ging bepalen als vehikel voor burgerschap en integratie.

De voorzitter van de commissie, Frits van Oostrom, distantieerde zich onmiddellijk van die bedoeling van zijn opdrachtgeefster. Hij ontkent dat er zoiets als nationale identiteit bestaat, maar hoopt wel dat zijn canon het collectieve geheugen van de natie gaat vormen.

Die ontkenning is erg goedkoop, want de nationale identiteit is onstoffelijk en het al dan niet bestaan ervan kan niet worden bewezen. Maar voor wie wel in de nationale identiteit gelooft, heeft een collectief geheugen daar veel mee te maken.

Van Oostrom probeert alleen maar buiten het mijnenveld van nationalisme en integratie van allochtonen te blijven. Rest de vraag of het canon zin heeft voor ons land dat op weg is naar een verenigd Europa.

Mij dunkt dat juist in de globaliserende wereld behoefte is aan eigenheid. Bedoeld of niet, de canon draagt daaraan bij.

A.J. van Vuren, generaal-majoor bd.

Bron: Eindhovens Dagblad

dinsdag, november 21, 2006

Wat U niet heeft gehoord over arbeids (im-)migratie ! op Novopress Nederland, 21 november 2006.

In deze verkiezingsperiode is het thema ‘immigratie’ een groot taboe geweest voor de grote partijen en de media. Verdonk spreekt slechts over de ‘gelukszoekers’ die tegengehouden zullen worden, maar verder wordt ons alle belangrijke informatie onthouden.

Waarom ? Eén van de meest belangrijke adviesorganen van de overheid, Instituut Clingendael, heeft dit jaar uitgebreide en belangrijke adviesinformatie omtrent immigratie aan haar voorgelegd. Heeft u daar iets van meegekregen ?

Wij zullen hier voor U een aantal van de belangrijkste opmerkingen en adviezen van het Instituut Clingendael aan de overheid (CDA èn VVD) op een rij zetten:

Het Instituut Clingendael is er van overtuigd dat er meer nadelen dan voordelen aan arbeidsmigratie kleven en beseft dat dit terecht kan worden gezien als een ’schrikbeeld’. Internationale migratie kan, in economische termen geformuleerd, negatieve externe effecten oproepen.

‘Werkgevers zullen mogelijk Nederlandse arbeidskrachten gaan ontslaan om vanaf 1 januari 2007 Poolse arbeidskrachten aan te trekken’. Polen kunnen nl. mogelijk onder het Nederlandse CAO-loon gaan werken en zich niets aantrekken van onze wettelijke regels met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. Op termijn zal dit de basis onder onze arbeidsverhoudingen ondergraven.

Polen die hier als zelfstandig ondernemer komen werken hoeven zich überhaupt niet aan CAO’s te houden. Dit zal waarschijnlijk ook met ’schijnzelfstandigen’ het geval kunnen gaan zijn.

Polen en/of buitenlandse werknemers die door een bedrijf in hun moederland worden gedetacheerd of uitgezonden, zullen daardoor onder de (slechtere) arbeidsvoorwaarden van hun eigen land vallen, om zo goedkoop mogelijke arbeidskrachten te kunnen zijn.

Een verder negatief gevolg van de komst van grote golven arbeidsmigranten zal zijn dat ze de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt onder druk zullen gaan zetten. Zelfs arbeidsmigranten zich keurig aan de Nederlandse arbeidsvoorwaarden zullen gaan houden, zal een groter aanbod van arbeidskrachten aan de onderkant van de arbeidsmarkt een neerwaartse druk op de lonen uitoefenen.

De arbeidsimmigranten zullen op termijn eerder een belasting voor dan een bijdrage aan de Nederlandse economie gaan vormen. Bijzonder hierin is dat dit bezwaar al jaren sterk is aangezet in studies van het Centraal Planbureau. Zich hierbij baserend op diverse onderzoeken en studies in ervaringen met eerder arbeidsimmigranten - gastarbeiders uit Turkije en Marokko - heeft het CPB berekend dat laag opgeleide arbeidsimmigranten over hun verdere leven - vanaf het moment dat zij zich in Nederland vestigen - per saldo een groter beroep doen op de voorzieningen van de verzorgingsstaat dan dat zij er financieel aan bijdragen !

Nederland wordt er dus, volgens zowel het Instituut Clingendael als het CPB, op langere termijn in economisch opzicht dus niet beter maar juist slechter van wanneer het (laag opgeleide) arbeidsimmigranten toelaat.

Clingendael adviseert om slechts tijdelijke arbeidsvergunningen aan buitenlanders te verstrekken of de toegang tot de verzorgingsstaat voorwaardelijk te maken van de financiële bijdrage die men eraan levert, om het risico van een groot beslag op de collectieve voorzieningen te beperken.

Een van de meest zwaarwegende negatieve effecten van arbeidsimmigratie, volgens Instituut Clingendael, en die op langere termijn het meest desastreuze zal zijn, wordt zelden of nooit genoemd door de politiek of media. ‘Door de grenzen open te stellen voor (vooral laag opgeleide) buitenlandse arbeidskrachten zal een wenselijke herstructurering van de Nederlandse economie uitblijven.’

Afsluitend somt Clingendael voor ‘onze’ overheid nog eens een aantal punten op, die wel eens de revue gepasseerd zijn, maar waar de overheid niets of te weinig mee gedaan heeft.

Arbeidsmigratie is niet louter een sociaal-economisch verschijnsel, maar gaat onherroepelijk samen met een grotere culturele variëteit van de bevolking en zal grote spanningen in de samenleving oproepen.

Op langere termijn is het hoogst twijfelachtig of Nederland er baat bij zou hebben een immigratieland te worden. De processen van vergrijzing en krimpende potentiële beroepsbevolking kunnen niet beperkt of tegengehouden worden door extra immigratie. Om de potentiële beroepsbevolking en de zogenaamde grijze druk op peil te houden zouden we meer dan acht (8) miljoen immigranten nodig moeten hebben ! Acht miljoen immigranten die op den duur ook ouder dan 65 worden.

Clingendael stelt dan ook dat het ‘een illusie is dat het probleem van de vergrijzing kan worden ondervangen door immigratie.’

Het moge duidelijk zijn dat U in deze verkiezingsstrijd veel is onthouden en ons nog veel aan ellende te wachten staat. Denk daar nog even aan als U morgen Uw stem uitbrengt !

Bron: Novopress Nederland

vrijdag, oktober 20, 2006

Het grote politieke taboe: immigratie door Hans CROOIJMANS in De Scopist, oktober 2006.

Politici lopen in de aanloop naar verkiezingen met een grote boog heen om de weer groeiende instroom van asielzoekers en de blijvend hoge immigratie uit Turkije, Marokko en Oost-Europa.

Wouter Bos had gelijk, de algemene politieke beschouwingen ontaardden in ‘een flutdebat’. Maar daar was hijzelf volop debet aan. Want met name Bos misbruikte de belangrijkste discussieweek van het politieke jaar om zijn tegenstanders vliegen af te vangen en verkiezingspropaganda te maken. Dus kregen we welles-nietes spelletjes over vragen als: is het kabinet wel of niet medeverantwoordelijk voor de economische opleving? En zijn mensen er met het nieuwe zorgstelsel een paar tientjes voor- of achteruit gegaan? Geen doorwrochte betogen over waar het de komende jaren heen moet met de samenleving, over het opkrikken van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking, over het vooral in grote steden weer de kop opstekende beleid om multiculturele problemen met fluwelen handschoenen aan te pakken. En zelfs geen woord over een onderwerp dat vier jaar geleden nog een revolte veroorzaakte: immigratie.

Terwijl daar toch alle reden toe is. Want na enkele jaren van daling, neemt de immigratie dit jaar weer toe. En het zijn helaas niet alleen ‘kenniswerkers’ die aan de deur kloppen. Deels gaat het om Polen die werk doen waarvoor vele tienduizenden Nederlandse werklozen zich te goed voelen. En voor een belangrijk deel houdt - ondanks de strengere normen die dit kabinet invoerde - de vermaledijde gezinsvorming en gezinshereniging uit landen als Marokko en Turkije aan. Daar lijft het niet bij. Beperkingen op de instroom van Polen en zeven andere Oost-Europese landen worden per 1 januari zo goed als zeker opgeheven. En het is slechts een kwestie van tijd voordat ook de nieuwe EU-burgers uit Bulgarije en Roemenie op de stoep staan. Voeg daarbij dat in Nederland - in tegenstelling tot vrijwel alle andere Europese landen - het aantal asielzoekers sinds vorig jaar weer stijgt (in 2005 waren het er 12.350, in de eerste helft van 2006 alweer ruim 9.000) en het moge duideijk zijn dat de sociale problemen zich in Nederland weer zullen gaan opstapelen. Want hoe je het wendt of keert, immigranten en asielzoekers zijn oververtegenwoordigd in de statistieken voor werkloosheid, schoolverlating en misdaad.

Beperking van de immigratie zou politici - met name die van linkse signatuur - moeten aanspreken. Want het zijn vooral de laagst opgeleide en minst bedeelde burgers, onder wie vele vroegere immigranten, die door de aanhoudende instroom van buiten Nederland op de arbeidsmarkt en in hun woon- en leefomgeving onder druk komen te staan. Maar nee hoor. Wouter Bos belooft gewoon een ‘generaal pardon’ voor alle asielzoekers die ‘al langere tijd’ (hoe lang is dat eigenlijk?) in Nederland zijn. Steeds vaker wordt immigratie als remedie genoemd tegen de vergrijzing en onbetaalbaarheid van de AOW. Maar ook dat is onzin, zo toonde deze studie van het CPB aan.

Bron: Management Forum De Scopist

De Nederlander is hartstikke rechts door Sylvain EPHIMENCO in Trouw, 20 oktober 2006.

Nog niet zolang geleden was de term conservatief een van de ergste verwensingen die je in Nederland naar het hoofd van een medediscussiant kon slingeren. Het kan verkeren in het Koninkrijk aan Zee. Gisteren las ik een stuk in Trouw over de presentatie van het boek ’Ruimte op rechts’. Daarin voorspelde politicoloog Jos de Beus dat we aan de vooravond staan van een ’lange conservatieve golf’.

Ik ben geneigd om dat soort politieke voorspellingen met een pond zout in mijn binnenzak te consumeren. Niets hachelijker dan lange-termijnvoorspellingen in periodes waarin politieke omwentelingen op iedere straathoek staan te loeren.

Intrigerend is wel dat Jos de Beus lid is van de PvdA, wat zijn beweringen extra gewicht geeft. Wanneer hij dan zegt dat ’linkse partijen nog wel kunnen winnen, maar niet meer met een links programma’, ben je sneller geneigd hem te geloven dan bijvoorbeeld een belijdende aartsconservatief als Bart Jan Spruyt. Het is onmiskenbaar waar dat na de Fortuyn-episode linkse partijen voorzichtig naar rechts zijn opgeschoven. Het geldt met name de PvdA met de AOW-kwestie, terwijl de partij in haar programma het fortuyneske thema immigratie/integratie niet helemaal heeft losgelaten. En binnen GroenLinks sluimert een even voorzichtige richtingenstrijd over de koers van de partij onder Femke Halsema. Begin dit jaar werd Femke door de JOVD (de peuterafdeling van de VVD) tot ’liberaal van het jaar’ uitgeroepen.

Maar hoe zit het bij de kiezers? Gisteren snelde ik naar de Stemwijzer en kreeg hierover een antwoord in de vorm van een hamerslag. Ik weet natuurlijk dat de resultaten van de Stemwijzer geen garantie bieden voor een juiste electorale afspiegeling op de avond van de verkiezingen. Veel van de respondenten die de 30 vragen hebben ingevuld, zullen niet het stemadvies volgen dat ze van het computerprogramma krijgen. Toch geeft de Stemwijzer een aardige inkijk in de Nederlandse psyche. Mijn conclusie: Nederland is hartstikke rechts, maar dan stiekem! Zoals refo’s die vroeger hun satanische tv-toestel in een kastje met gesloten deuren verstopten.

De drie klein-rechtse partijen die in de peilingen vooralsnog een onbeduidende rol spelen, vertegenwoordigen bij de Stemwijzer samen de eerste Nederlandse politieke stroming. Van de 584.568 mensen die gisterenochtend de vragen hadden ingevuld, kregen 159.863 een advies om op de LPF, Groep Wilders of EénNL te stemmen. Dat is 27 procent van het totaal en dat zou goed zijn voor bijna 40 kamerzetels! En dit terwijl de socialistische stroming met PvdA en SP samen, niet verder komt dan 129.511 stemadviezen (22 procent). Niemand moet er dan van opkijken wanneer 76 procent van alle respondenten criminele Antillianen terug naar de Antillen wil sturen (vraag 20).

En dan te bedenken dat sommige linkse bourgeois met een beschamend stemadvies voor Geert Wilders in hun binnenzak, straks op Femke en Wouter gaan stemmen. De Beus heeft dus gelijk. Alleen dreigt zijn ’conservatieve golf’ op een tsunami te gaan lijken.

Bron: Trouw

zondag, oktober 08, 2006

'Nederland o Nederland', vraaggesprek met Ronald van de Wal in TED, oktober 2006.

De term nationalisme wordt in Nederland vooral geassocieerd met racisme en fascisme. Fout, zegt Ronald van der Wal, voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Nationalisten. “Nationalisme heeft helemaal niets met haat of negativisme te maken.” Maar hoe moet je zijn antwoorden dan interpreteren? Oordeel zelf.

Nederlanders zijn wereldburgers, multicultureel en internationaal georiënteerd. Bijna alle Nederlanders. Om hardop te zeggen dat je nationalist bent wordt, vooral sinds de Tweede Wereldoorlog, niet gewaardeerd. Logisch, veel mensen beschouwen nationalisme als rechts, maar hoe rechts vinden nationalisten zichzelf?

We vragen het Ronald, de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Nationalisten (VNN) die naar eigen zeggen de Nederlandse identiteit wil beschermen en daarnaast streeft naar een hereniging met Vlaanderen. Daarbij spelt Ronald woorden die met een c gespeld worden, doorgaans met een k uit protest tegen de verengelsing van de Nederlandse taal. “In de jaren ‘80 moesten veel Nederlandse woorden ineens een Engels-Amerikaans tintje krijgen door ze met een c te schrijven. Daar ben ik het totaal niet mee eens dus blijf ik de k handhaven. Het grappige is dat ik de laatste tijd merk dat de k weer in opmars is, ook in officiële stukken. Dus blijkbaar ben ik lang niet de enige die er zo over denkt.” Och, c of k, waar maken we ons druk over? Een gesprek met een nationalist die beweert niet extreem-rechts te zijn, maar wel wil dat alle buitenlanders het land verlaten.

Hoe groot is de VNN?
Op dit moment hebben we een stuk of zestig leden. De meeste zijn man en ergens tussen de 20 en 45 jaar, maar we hebben vooral het laatste jaar meer aanmeldingen van jongeren gehad dan voorheen. Daar zijn we heel blij mee, want de jeugd heeft de toekomst.

Wie mag er lid worden van de VNN?
Iedereen die in onze ogen Nederlander is, zich normaal gedraagt en onze nationalistische idealen deelt, is in principe welkom. Extreme figuren kunnen beter een deurtje verder gaan.

Wordt de VNN vaak geassocieerd met extreem-rechts?
Nationalisme is niet typisch links of rechts. Het is een brede politieke stroming, waarbij het belang van het Nederlandse volk centraal staat en waarin ruimte is voor verschillende inzichten. Daarbij is onze vereniging beslist niet extreem. We doen geen rare dingen, hebben niets te verbergen. Het is daarom onjuist dat we vaak extreem-rechts worden genoemd. Daar zijn we niet gelukkig mee, al kunnen we ons ergere dingen voorstellen. Ook Pim Fortuyn werd immers voor rechts-extremist uitgemaakt dus we bevinden ons in goed gezelschap.

Zouden jullie ook politiek actief willen zijn?
Het is niet onze bedoeling om de VNN op termijn om te bouwen tot een politieke partij. Als onze leden in die richting aktief willen zijn, ondersteunen we dat maar eerlijk gezegd zie ik daar op dit moment weinig heil in. De Nederlandse samenleving, en dus ook de politiek, is tot op het bot verziekt door het multikulturele virus waardoor nationalistische partijen al bij voorbaat geen schijn van kans hebben. Toch is de situatie niet hopeloos want de publieke opinie is aan het veranderen. De tijd werkt in ons voordeel. Daarom heb ik er vertrouwen in dat die nationalistische eenheidspartij er uiteindelijk toch een keer komt, om vervolgens tegen de verdrukking in te groeien zoals ook het Vlaams Belang heeft gedaan. Wellicht zal de VNN daar straks een rol in gaan spelen.

Waarom vinden jullie het zo belangrijk dat Vlaanderen ook bij Nederland hoort?
Omdat wij vinden dat ook Vlamingen tot het Nederlandse volk behoren. Vooral Frankrijk heeft er alles aan gedaan om het katholieke zuiden tegen het protestantse noorden op te stoken waardoor Nederland in 1830 een groot deel van de zuidelijke provincies kwijtraakte. Deze historische blunder moet zo snel mogelijk worden hersteld want we horen bij elkaar en samen staan we sterker. Ook Frans-Vlaanderen, dat de Fransen in 1677 hebben ingepikt, beschouwen wij als een deel van Nederland, omdat de oorspronkelijke bevolking zich nog altijd Vlaams voelt en daar trots op is.

Hoe denken jullie dat in de praktijk dan te verwezenlijken?
Het enige wat we kunnen doen is de Nederlandse eenheidsgedachte verspreiden en onze Vlaamse volksgenoten een moreel steuntje in de rug geven. We bezoeken regelmatig nationalistische bijeenkomsten in België en merken dat onze aanwezigheid daar op prijs wordt gesteld. Ik heb veel Vlamingen, ook in Frans-Vlaanderen, enthousiast zien reageren op het zien van onze rood-witblauwe vlaggen. Het is nog slechts een kwestie van tijd voordat de kunstmatige staat België uit elkaar valt. Daarna kunnen de onderhandelingen over aansluiting bij Nederland beginnen.

Op de site zeggen jullie dat de VNN ook streeft naar “de herwaardering van het Nederlanderschap”. Wat bedoelen jullie daarmee?
Er is de laatste halve eeuw flink rondgestrooid met Nederlandse paspoorten. Er werden nauwelijks eisen aan nieuwkomers gesteld, bijna iedereen kon op papier Nederlander worden. Hierdoor zitten we met meer dan anderhalf miljoen mensen uit verre landen en vreemde kulturen opgescheept die we liever niet in Nederland zouden zien. Om aan deze ongewenste situatie een eind te maken, ontkomen we niet aan een ingrijpende herwaardering van het Nederlanderschap. Anders blijft het dweilen met de kraan open.

Twee andere standpunten van de VNN zijn de afschaffing van de multiculturele samenleving en verplichte remigratie van ongewenste immigranten. Nu is “gewoon afschaffen” onmogelijk en als je “alleen maar” de ongewenste immigrantenterugstuurt, blijft de samenleving natuurlijk multicultureel. Tegenstrijdig of niet?
De multikulturele samenleving kan wel degelijk worden afgeschaft. Ik ben er van overtuigd dat de meeste Nederlanders niets van de multikulturele samenleving moeten hebben. Vooral de laatste jaren niet meer. Als ze de kans krijgen gaan ze in blanke wijken wonen en doen ze hun kinderen op blanke scholen. Dat zegt toch al genoeg over hoe ze werkelijk denken? Laten we ook niet vergeten dat Nederland nooit voor de invoering van de multikulturele samenleving heeft gekozen. Dat is ons door de regering opgedrongen, het volk had daarbij niets te vertellen. En alleen het terugsturen van ongewenste immigranten is inderdaad niet genoeg om de multikulturele samenleving op te heffen. Het zou echter een mooi begin zijn.

Maar gezien veel autochtone Nederlanders inmiddels kinderen hebben samen met allochtone Nederlanders, wordt het puur afschaffen van de multiculturele samenleving toch moeilijk. Die kinderen zijn dan per definitie allochtoon, maar een van hun ouders dus niet.
Ik beweer ook niet dat het afschaffen van de multikulturele samenleving makkelijk zal zijn. Bij de herwaardering van het Nederlanderschap zullen er altijd tienduizenden schrijnende gevallen zijn die tussen wal en schip dreigen te vallen. Onder strikte voorwaarden kan bij wijze van eenmalige uitzondering een soepelere beoordeling van deze groep worden overwogen. Maar dan niet als morele verplichting, maar als humanitaire gunst.

Veel aspecten van de multiculturele samenleving zijn een welkom onderdeel geworden van de Nederlandse samenleving. Denk bijvoorbeeld aan iets eenvoudigs als Chinese restaurants en Neerlands trots Ali B.
Er is niets mis met een beperkt aantal buitenlandse winkels en restaurants in Nederland. Dat is in mijn beleving iets totaal anders dan een multikulturele samenleving. Als ik een Chinese maaltijd lekker vind, wil dat nog niet zeggen dat ik akkoord ga met grote aantallen Chinezen in mijn land. Ik beschouw Ali B trouwens niet eens als Nederlander, laat staan als “Neerlands trots”.

Wanneer is een immigrant ongewenst?
Een immigrant is ongewenst als zijn aanwezigheid in Nederland in strijd is met het belang van de autochtone Nederlanders. Nieuwkomers moeten iets positiefs bieden aan onze samenleving, moeten in staat zijn om zonder al te veel problemen op te gaan in de oorspronkelijke Nederlandse bevolking. Als ze dat niet kunnen of willen, houdt alles op. Daar wil ik aan toevoegen dat ik een zwak heb voor immigranten uit voormalige Nederlandse koloniën, in het bijzonder Indo’s en Molukkers, omdat we met hen een eeuwenoude historische band hebben die verplichtingen met zich meebrengt. Voor hen zou ik daarom graag een uitzondering willen maken.

Geldt dat dan ook voor Surinamers en Antillianen? En in de context van jullie streven om een deel van België weer bij Nederland te voegen: Congolezen?
Molukkers en Indo’s waren door politieke omstandigheden gedwongen om naar Nederland te emigreren en hebben zich daarna zo veel mogelijk aangepast. Ik kan ze niet als volwaardige Nederlanders zien, daarvoor zijn de verschillen te groot, maar we hebben er ook geen last van. Surinamers en Antillianen zijn vooral uit economische motieven naar Nederland gekomen en veroorzaken nog altijd veel problemen. Ik vind niet
dat we deze groepen zomaar aan elkaar gelijk mogen stellen. Ik heb begrepen dat onze Vlaamse volksgenoten bepaald niet dol zijn op Congolezen dus ook zij mogen straks allemaal terug naar hun eigen werelddeel, eventueel met een financiële vergoeding om daar een nieuw leven te kunnen beginnen.

Is de VNN per definitie tegen allochtonen?
Wij zijn niet anti-allochtoon maar pro-Nederland. Daar zit een groot verschil tussen.

Hoe leef jij dan in deze multiculturele samenleving?
Ik probeer er het beste van te maken en afstand te nemen van dingen waar ik niet blij van word. Met relativeringsvermogen en humor kom je een eind. Verder geloof ik dat iedereen recht heeft op een fatsoenlijke behandeling. Er zijn groepen mensen die ik liever niet in Nederland zie, maar dat houdt niet automatisch in dat ik niet op een normale manier met ze om zou kunnen gaan. Ik ben nationalist, geen xenofoob of mensenhater. Deze houding probeer ik ook op anderen over te dragen. Ik erger mij aan de slappe, laffe mentaliteit van veel Nederlanders. Altijd klagen, niets doen. Gelukkig komen er nu nieuwe generaties aan die uit beter hout gesneden zijn, dus ik blijf optimistisch.

Nancy Tjalondo

Bron: TED en VNN

Vraaggesprek met Geert WILDERS in De Volkskrant, 8 oktober 2006.

Een afspraak met Geert Wilders heeft nogal wat voeten in aarde. Ruim tevoren wordt de locatie, het Haagse hotel Des Indes, door Wilders’ veiligheidsmensen gescreend op verdachte figuren en objecten. Ook de verslaggevers ontkomen niet aan een controle: zijn zij wel wie zij zeggen dat zij zijn? Het hotelpersoneel wordt er zenuwachtig van, maar de politicus zelf kijkt bij binnenkomst niet op of om: sinds twee jaar ondergaat hij ‘dit circus’ elke dag. Wel zou hij het prettig vinden als hij nou eens de kans krijgt om te laten zien dat hij meer te bieden heeft dan kritiek op de islam. Misschien dat ook de haat jegens hem dan wat afneemt. ‘Ik blijf hopen dat ik ooit weer een normaal leven kan leiden.’

Wat is het eerste dat u verandert als u het morgen voor het zeggen krijgt in Nederland?
‘De grenzen gaan nog diezelfde dag dicht voor alle niet-westerse allochtonen.’

Wat schieten we daar mee op?
‘De demografische samenstelling van de bevolking is het grootste probleem van Nederland. Ik heb het over wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant. Als je naar de cijfers kijkt en de ontwikkeling daarin… Moslims zullen van de grote steden naar het platteland trekken. We moeten de tsunami van de islamisering stoppen. Die raakt ons in ons hart, in onze identiteit, in onze cultuur. Als we ons niet verweren, zullen alle andere punten uit mijn programma voor niks blijken te zijn.’

Wanneer dacht u: dit gaat mis?
‘Ik heb vijftien jaar in de Utrechtse wijk Kanaleneiland gewoond. Ik heb gezien hoe de buurt veranderde. Toen ik er kwam waren minderheden nog in de minderheid, toen ik er vertrok was het precies andersom. Dat merkte je: veel inactiviteit, veel criminaliteit. Hoe vaak heb ik niet moeten rennen van mijn auto naar de voordeur om veilig binnen te komen? Dat was geen feest. Het is gewoon een vieze, smerige wijk geworden. Praat maar eens met de wijkagenten, wat ze iedere dag meemaken. Veel ellende. Veel criminaliteit.’

Heeft dat iets met de islam te maken?
‘Natuurlijk. 99 Procent van de mensen die daar zijn komen wonen, is van islamitische afkomst.’

Dus er is een verband tussen de islam en criminaliteit?
‘Absoluut. De cijfers tonen dat aan. Eén op de vijf Marokkaanse jongeren staat als verdachte bij de politie geregistreerd. Hun gedrag vloeit voort uit hun religie en cultuur. Je kunt dat niet los van elkaar zien. De paus had laatst volkomen gelijk: de islam is een gewelddadige religie. Islam betekent onderwerping en bekering van niet-moslims, desnoods met oorlog. Die interpretatie geldt in de huiskamers van die probleemjongeren, in de moskeeën. Het zit dus in die gemeenschap zelf.’

Hoe ziet Nederland eruit in 2020, als u het mag zeggen? Zie je nog moskeeën? Hoofddoekjes op straat, döner kebab-zaken?
‘Wellicht een stuk minder. De moslims hangen in ieder geval onze normen en waarden aan. Ze accepteren de scheiding van kerk en staat en de gelijkheid van mannen, vrouwen en homoseksuelen. De overlast, de criminaliteit, de uitkeringsafhankelijkheid, de ellende zijn verdwenen. Iedereen past zich aan onze dominante cultuur aan. Wie dat niet doet, is hier over twintig jaar niet meer. Die wordt het land uitgezet.’

Hoe wilt u dat voor elkaar krijgen?
‘Iedere niet-westerse allochtoon moet een assimilatiecontract tekenen. Daarin staat precies wat je wel en niet mag doen. Als je daar niet aan voldoet, moet je het land verlaten. Het is niet zo dat er duizenden het land uit gaan. Ik denk dat je maar één of twee vliegtuigen nodig hebt, als je eenmaal stevig beleid hebt ingevoerd. Als ze weten dat ze hun paspoort kunnen verliezen, zal dat een enorm gedragseffect hebben. De rechter mag bepalen of iemand schuldig is, maar een recidiverende Marokkaanse straatterrorist gaat bij de derde overtreding gewoon het land uit. Dat zetten we als minimumstraf in de wet.’

Rechters zullen woedend zijn. U beperkt hun vrijheid.
‘Ach, die rechters. Dat is het restant van D66 dat nog actief is. Daar zit ik dus niet mee.’

Er zijn ook genoeg onaangepaste autochtone Nederlanders.
‘Die zijn er ook ja.’

Wat moeten we daar mee?
‘Die moeten ook worden aangepakt. Maar we moeten af van dat overdreven redelijkheidssyndroom en nu eens stevige maatregelen nemen. Het argument is dat een hele groep het in alle statistieken aanzienlijk slechter doet dan anderen. We hebben een gigantisch probleem met moslims, het loopt aan alle kanten de spuigaten uit, en we komen met oplossingen waarmee je een muis nog niet het hok in krijgt.’

Vorige week mocht Alexander Pechtold van D66 de estafettevraag stellen: In hoeverre heeft de persoonsbeveiliging invloed op uw politieke denken?

‘Ik hoop dat het geen invloed heeft. Ik wil voorkomen dat het mijn standpunten verhardt. Ik kan het niet bewijzen, maar volgens mij roep ik nu geen dingen die ik anders niet zou hebben geroepen.’

U kunt niet meer vrij rondkijken in de samenleving. Voor een politicus is dat een handicap.
‘Ik kan inderdaad niet even aan de bar gaan hangen en met Truus naast me praten. Ik hoop dat ik, als we straks met meer mensen in de Kamer zitten, en we ook aandacht krijgen voor andere dingen dan de islam, weer een normaal leven kan leiden.’

Bent u weleens bang?
‘Ja.’

Vertrouwt u niet op de beveiliging?
‘Misschien haal je 5 procent dreiging weg. Iemand die mij ziet lopen op straat en denkt: hé daar heb je Wilders, ik sla ‘m voor z’n bek, die kan dat niet doen. Maar mensen die iets plannen, houd je niet tegen. Ik betaal een vrij hoge prijs voor een kleine verlaging van het risico. Dat gebrek aan vrijheid is een hel. Nooit kun je gewoon doen wat je wilt. Iedere dag moet ik tegen mijn beveiligers zeggen wat ik ga doen.’

Hebt u ooit op het punt gestaan om te stoppen?
‘Nee, dat niet. Maar ik heb wel heel moeilijke momenten gehad. Als er nou nog vijftig andere partijen waren die het op mijn manier deden, met mijn programma... Maar ik zie niemand met dezelfde drive. Mijn wil om door te gaan komt daar vandaan.’

Hoe voelt het om gehaat te worden?
‘Het is bij mij zwart-wit. Of mensen lopen met me weg, of ze willen me onder de grond stoppen. Dat krijg je als je een uitgesproken mening hebt. Als je in D66-proza praat, heb je weinig vijanden maar ook weinig vrienden.’

Het moet een eenzaam leven zijn.
‘Het is vaak eenzaam ja. Nou ben ik iemand die daar redelijk tegen kan. Ik hoef niet altijd mensen om me heen, ik ben altijd redelijk op mezelf geweest. Ik ging de laatste jaren toch al niet vaak met vrienden naar het café. Het is ook niet zo dat ik niks kan. Ik ga graag naar de bioscoop met mijn vrouw. Dan gaan we via de achteringang en de filmkamer de zaal in, in het donker, als de film al is begonnen. Dan is er een plekje voor ons gereserveerd, met die veiligheidsjongens om ons heen. En vlak voordat de film is afgelopen en het licht aan gaat, vertrekken we weer via de achterdeur.’

Maar gewoon even afspreken met vrienden is er niet meer bij.
‘Sterker, er zijn vrienden die zeggen: kom maar niet meer langs, we hebben jonge kinderen.’

Dat moet door uw hart snijden.
‘Dat is niet leuk, nee. Maar het gebeurt.

Houdt uw vrouw dat nog vol? Zij moet het ondergaan, terwijl ze niet in de politiek zit.
‘Dat vreet nog het meest aan me. Kijk, ik ben niet schuldig aan deze situatie. Ik heb me altijd aan de wet gehouden, nooit heb ik anderen bedreigd.
‘Maar eerlijk is eerlijk: die beveiliging is wel het gevolg van mijn gedrag, niet van het gedrag van mijn vrouw. Daar komt nog bij dat zij het op z’n tijd helemaal niet met me eens is.’

Het is een wonder dat uw huwelijk nog stand houdt.
‘Nou, dat gelukkig niet. We houden heel veel van elkaar. Maar ze heeft het er wel heel moeilijk mee. En terecht. Ik laat haar daarom veel dingen alleen doen. Toen ik na de moord op Theo van Gogh in Zeist zat, in die gevangenis, zei ik tegen haar: ga jij nou gewoon vaker een weekend naar huis, naar Venlo, jij hoeft hier niet altijd te zitten. Dat deed ze, en dan ging het ook snel wat beter.’

Is er een plek op de wereld waar u zich helemaal vrij kunt voelen?
‘Ik hoop het, ik ken ’m niet. Nou ja, thuis misschien. Ik kan ook ergens gaan wandelen in de natuur, op een rustige plek. Daar hou ik heel erg van. Maar je hebt wel altijd dat hele circus eromheen. Lezen doe ik ook op zijn tijd. En ik ga dus naar de film.’

Waar komt uw boosheid vandaan?
‘Ik ben niet boos.’

Zo komt u wel over op tv.
‘Dat is waar. Ik merk het als ik in het land ben. Mensen zeggen steeds twee dingen. Eén: u bent veel groter dan ik dacht. Twee: u bent zo’n aardige man. Het komt natuurlijk ook door mijn harde boodschap. Die komt nog vervelender over als ik erbij ga glimlachen. Dan straalt het cynisme uit. De pers helpt ook niet altijd. Elke Kamervraag die ik stel over de islam, staat op de voorpagina. Laatst had ik maanden gewerkt aan een plan voor zestien miljard euro lastenverlichting. Ik had het helemaal doorgerekend, tot achter de komma. Niemand had belangstelling.’

Zijn er dingen waar u spijt van heeft?
‘Nou ja, misschien had ik af en toe wat rustiger aan moeten doen. Ik ben erg opgeslokt door de politiek. Zeker in mijn situatie had ik meer aandacht moeten besteden aan mijn wederhelft. Zij is toch het belangrijkste van alles.’

Er zijn mensen die zeggen dat u diep van binnen een verlegen jongen bent.
‘Dat moet ik ontkennen. Ik ben heel veel, maar niet verlegen. Zalen toespreken, televisie-optredens, dat gaat mij allemaal heel geod af zonder dat ik zenuwachtig ben. Ook in mijn jeugd was ik allesbehalve verlegen. Ik luisterde niet, was nooit op tijd thuis, was veel op stap.’

U bepleit harde repressie van allochtone probleemjongeren. Was dat iets voor u geweest?
‘Nou moeten we het ook niet overdrijven. Ik was gewoon een ongehoorzaam kind met een grote mond. Ik deed mijn jas niet uit in de klas en bleef soms weg op vrijdagmiddag. Die Marokkaanse jongens zijn echt gewelddadig. Zij rammen mensen vanwege hun seksuele geaardheid in elkaar. Ik heb nooit geweld gebruikt.’

Straks zit u met twee of drie zetels in de Kamer. Dan heeft u nauwelijks betekenis.
‘Een paar zetels is geen schande. We hebben een authentiek geluid en dat zullen we laten horen. Elke partij, op de LPF na, is klein begonnen. Maar ik reken op tien zetels.
Ik krijg zo veel reacties van mensen die wél op mij gaan stemmen, maar daar niet voor uitkomen tegenover vrienden of op hun werk. Zelfs niet tegenover Maurice de Hond.’

Gelooft u in een gematigde islam?
‘Ik geloof helemaal niet in de islam. Wat krijgen we nou?’

Gelooft u dat er in Nederland een gematigde islam kan ontstaan?
‘Nee. Er is geen gematigde mainstream van voorgangers, imams en geleerden. In Nederland niet, in Europa niet, in het Midden-Oosten niet. Als er al een proces tot matiging op gang komt, duurt het nog zeker duizend jaar.’

U wilt geen nieuwe moskeeën hè?
‘Zo is dat.’

Waarom eigenlijk niet?
‘We hebben er gewoon te veel. Dat is een heel goede reden. Ik word gek van al die moskeeën. Het is gewoon niet goed. Vier- vijfhonderd moskeeën, dat is meer dan genoeg.’

Waar wordt u dan gek van?
‘Van die tsunami van een ons wezensvreemde cultuur die hier steeds dominanter wordt. Daar moet een halt aan worden toegeroepen.’

Een bouwverbod krijgt u juridisch nooit rond.
‘Dan moeten we daar goed naar kijken. Net als naar die denaturalisatie van die straatterroristen. Laten we proberen daar in Europa een meerderheid voor te vinden. Je hoeft niet meteen verdragen op te zeggen. Je kunt ze ook veranderen.’

Bent u leider van een one-issuepartij?
‘Zeker niet! Wel vind ik de islamisering het grootste probleem van Nederland. Maar er is veel meer. Ik ben voor een kleinere overheid, voor lastenverlichting, voor een harde aanpak van criminaliteit. We moeten niet alleen strenger straffen, maar ook anders straffen. Bij sommige groepen spelen trots, eer en schaamte een grote rol. Daar kunnen we gebruik van maken door cultureel te straffen. Hoe? Dat hoort u binnenkort.’

U vraagt allochtonen om de Nederlandse identiteit te omarmen. Dat is lastig als u zo’n somber verhaal houdt over Nederland.
‘Ik ben trots op onze tolerantie, op onze cultuur, die zijn wortels vindt in de joods-christelijke en humanistische traditie. Maar als we die tolerantie willen behouden, moeten we intolerant zijn tegen de intoleranten. Als we die twintig radicale moskeeën morgen sluiten, hebben al die andere moskeeën daar profijt van. Zij zijn af van het stigma dat daar dingen gebeuren die niet deugen.
‘Als we morgen die straatterroristen aanpakken, profiteren andere Marokkanen daar van. Laten we nou de rotte appels uit de samenleving wegsnijden. Dan houden we een trotse, tolerante samenleving over. Dat is een positief verhaal.’

U wilt de grenzen sluiten. Een asielzoeker kan zijn vrouw niet meer naar Nederland halen. Voor een geslaagde Turkse zakenman geldt hetzelfde.
‘Wil je een zakdoek?’

Pardon?
‘Of je een zakdoek wilt. Je zegt het bijna met tranen in je ogen. Mijn plannen treffen niemand die geen problemen maakt in dit land. Het is een Nederlands syndroom dat we op elke wet honderd uitzonderingen maken. Daar moeten we van af.’

U ontzegt mensen een gezinsleven.
‘Ik ontzeg niemand een gezinsleven. Ook niet-westerse allochtonen niet. Ze mogen trouwen, ze mogen samenwonen. Alleen niet in Nederland.’

Bron: Volkskrant en Groep Wilders/PVV

dinsdag, september 19, 2006

Prinsjesdag: Wat de politiek verzwijgt ! door Syp Wynia in Elsevier, 16 september 2006.

Tien dringende kwesties die niet in de troonrede zullen staan en ook schitteren door afwezigheid in de verkiezingsprogramma’s.

Urgente problemen genoeg. De immigratie neemt weer toe, de uitkeringen zijn te royaal, de belastingdruk is te hoog, de Nederlander is lui en er worden miljarden verspild aan ontwikkelingshulp. Toch staan deze en andere kwesties niet op de Haagse agenda. De tien grootste politieke taboes van de komende verkiezingen.

Het kabinet-Balkenende en de meeste politieke partijen ontlopen op weg naar de verkiezingen grote, ongemakkelijke, of als 'onaanraakbaar’ ervaren problemen. Het kabinet en de coalitiepartijen CDA en VVD proberen gebruik te maken van de aantrekkende economie om weer in de kiezersgunst te komen en hebben het liever niet over wat misgaat of in de toekomst mis kan gaan.

De meeste oppositiepartijen proberen eveneens een opgewekte toon aan te slaan en hebben ook de neiging om lastige thema’s uit de weg te gaan. Dat bergt niet alleen het gevaar in zich dat problemen niet worden aangepakt. Burgers kunnen zich ook – wederom – afkeren van de politiek als zij merken dat politici weglopen voor thema’s waar zij zich wel druk over maken.

Paradoxaal genoeg is het ontwijkende gedrag van de meeste politieke partijen juist ingegeven door angst voor de wispelturige burger. De hoofdstromen van de Nederlandse politiek houden elkaar zo, in de dagen voor Prinsjesdag en op weg naar de verkiezingen van 22 november, in een gespeeld opgewekte houdgreep: uit angst voor elkaar, uit angst voor de kiezer en uit angst voor machtige pressiegroepen die gemakkelijk toegang hebben tot de media. Wat zijn de tien belangrijkste angstthema’s, ofwel onderwerpen die in Den Haag taboe zijn?


1 Immigratie neemt toe
Nog maar een paar jaar geleden werd het eindelijk als feit geaccepteerd dat Nederland per saldo een hoge prijs had betaald voor de ongeremde immigratie van de voorgaande decennia. Het aantrekken van enkele tienduizenden gastarbeiders rond 1970 had een massale volgmigratie veroorzaakt. In de jaren tachtig en negentig kwamen er honderdduizenden asielzoekers die net als de gastarbeiders, in vergelijking met autochtone Nederlanders, vaker werkloos zijn, vaak de taal niet spreken, vaak een uitkering genieten en relatief hoog scoren in de misdaadcijfers.

Maar de erkenning van deze problemen was nog maar nauwelijks een feit, of er begon alweer een intensieve en succesvolle lobby om nieuwe immigratiestromen op gang te brengen. De meeste politici lijken de nog maar zo verse lessen alweer vergeten. Immigranten zouden – zo klinkt het – nodig zijn om de vergrijzing tegen te gaan. Dat is onzin, immigratie is daarvoor geen oplossing. En ook zou het beeld van Nederland als gastvrij land worden bedreigd.

De kabinetten-Balkenende deinen mee op de nieuwe tijdgeest met de introductie van een nieuwe 'kenniswerkersregeling’ waarvan ook laagbetaalden gebruik kunnen maken. Het kabinet voegde daar dit voorjaar een nieuw 'puntenplan’ aan toe, dat de immigratie van buiten Europa naar Nederland verder moet stimuleren.

Per 1 januari wil het kabinet bovendien de grenzen met acht Oost-Europese landen helemaal openzetten. Naar verwachting zal de grote extra instroom leiden tot verdringing aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat gaat vooral ten koste van de eerdere immigranten, zoals Turken en Marokkanen, en hun nazaten. Gevolg: een stijgende werkloosheid en meer uitkeringen.

Intussen heeft Den Haag nog geen begin van een idee of de Roemenen en Bulgaren die volgens plan per 1 januari bij de Europese Unie komen, al dan niet worden geweerd. Evenmin bestaat er enig idee over de gevolgen voor Nederland van de massale legalisering van illegalen in Zuid-Europa, die na verloop van enkele jaren ook recht krijgen op Nederlandse banen, uitkeringen en gezondheidszorg.

Los van deze ontwikkelingen is de immigratie naar Nederland alweer aan het stijgen. Tegelijkertijd raken maatregelen die vorige kabinetten namen, uitgewerkt. Zo moet het nog maar blijken of de maatregelen van de kabinetten-Balkenende tegen de huwelijksmigratie uit landen als Turkije en Marokko blijvend effect sorteren.

De nieuwe Vreemdelingenwet die vanaf 2001 leidde tot een sterk verminderde toeloop van asielzoekers, blijkt nú al uitgewerkt. Het aantal asielzoekers dat zich in Nederland meldt, is vorig jaar met een kwart gestegen – de enige stijging in Europa – tot 12.350 aanvragers. Over de eerste zes maanden van 2006 meldden zich ruim 9.000 asielzoekers voor de procedure, wat de prognose wettigt dat er op jaarbasis alweer 18.000 asielzoekers naar Nederland zullen komen, ongeveer net zoveel als tien jaar geleden: 22.860 in 1996. Geen enkele politicus heeft tot dusver over deze ontwikkeling aan de bel getrokken.


2 Nederland islamiseert
Er rust een bijna volledig taboe op de islamisering van Nederland – dat naar verhouding op één land na de meeste moslims telt van de hele westerse wereld. De islamisering raakt ten eerste de Nederlandse moslims zelf. Binnen de islamitische immigrantengemeenschappen heerst een grote sociale druk, waarbij de neiging bestaat de meest traditionele, fundamentalistische, conservatieve norm als toonzettend te zien. Eerwraak, gedwongen huwelijken en vrouwenbesnijdenis, hoewel geen exclusief islamitische fenomenen, worden dikwijls gelegitimeerd onder verwijzing naar het geloof. De sociale druk leidt in combinatie met de internationale radicalisering ook tot het gedwongen dragen van hoofddoeken bij soms zeer jonge meisjes en het thuishouden van vrouwen en meisjes. Gewelddadig gedrag jegens vrouwen en niet-moslims wordt met een direct of indirect beroep op de islam gelegitimeerd.

Er bestaat ook een sluipende druk op de rest van de Nederlandse samenleving om zich aan te passen aan de waarden, normen, cultuurpatronen en gewoontes die aan de islam worden toegeschreven. Aan die druk wordt steeds meer toegegeven. Zo verdwijnen traditionele Nederlandse feesten van de Nederlandse scholen, reageren autoriteiten welwillend op het introduceren van islamitische feesten als 'nationale feestdag’, passen zwembaden huisregels aan, en wil CDA-minister Maria van der Hoeven van Onderwijs afzien van het doceren van de evolutietheorie om islamitische studenten te gerieven. Indirect staat het succesvolle en populaire bijzonder onderwijs in Nederland ter discussie, uit angst alleen islamitische scholen te verbieden.

De islamisering van Nederland schrijdt ook voort via door de overheid georganiseerde en gesubsidieerde inspraak en door het opnemen van moslims in vertegenwoordigende lichamen. Zo is Nederland het enige westerse land dat meer moslims in het parlement heeft dan hun aandeel in het electoraat zou rechtvaardigen.

De meest navrante islamitische druk op Nederland en de Nederlandse samenleving gaat uit van radicale moslims – enkele duizenden, zegt de inlichtingendienst AIVD – die de Nederlandse samenleving met geweld omver willen werpen. Osama bin Laden en Mohammed Bouyeri staan bij veel islamitische scholieren als helden te boek.

Hoewel moslims als eersten de gevolgen ondervinden van terroristische acties, bestaat er onder Nederlandse moslims veel begrip en zelfs steun voor moslimterroristen.

De sluipende invloed van de islam in Nederland bedreigt de samenhang in de samenleving, bedreigt de rechtsstaat, werkt ongrondwettige discriminatie in de hand en bergt existentiële gevaren in zich.

Maar het ziet er niet naar uit dat Nederland, Nederlandse politici in het bijzonder, opgewassen zijn tegen de sluipende en deels gewelddadige druk bij het islamiseren van Nederland. Of, zoals Franse moslims tegen een Franse staatscommissie zeiden: 'Nederland is een pakje boter.’


3 Uitkeringen zijn te royaal
Nederland heeft, uitgedrukt in koopkracht, de hoogste uitkeringen ter wereld. Van een klimaat waarin het minderwaardig werd gevonden als je je hand bij de staat ophield, ontstond er de afgelopen halve eeuw geleidelijk een sfeer waarin je een dief van je eigen portemonnee was als je geen gebruik maakte van de geïntroduceerde verzorgingsarrangementen. Dat leidde niet alleen tot een explosieve stijging van de sociale uitgaven, maar ook tot morele erosie: het ontstaan van de zogenoemde calculerende burger.

Een vrijwel stabiel aantal van 2,5 miljoen Nederlanders onder de 65 jaar leeft geheel of gedeeltelijk van een uitkering. De royale uitkeringen, plus de als gratis ervaren gezondheidszorg, vormen samen met de goedkope sociale huisvesting ook een belangrijke 'pull-factor’ – aanzuigende kracht – voor immigratie.

De afgelopen kwarteeuw hebben achtereenvolgende kabinetten pogingen gedaan om de verzorgingsstaat van zijn meest aanlokkelijke aspecten te ontdoen, wat steeds stuitte op hardnekkige tegenstand van andere politici, vakbonden en kiezers.

Omdat zo veel mensen gebruik maken van de sociale arrangementen is het nauwelijks mogelijk – alleen op straffe van politieke zelfmoord – om het taboe van de royale verzorgingsstaat te doorbreken.


4 Armoede bestaat niet
Er rust een bijkans onuitroeibaar taboe op het feit dat er in Nederland helemaal geen armoede voorkomt, althans niet hoeft voor te komen. Wat in Nederland als armoede wordt gekenschetst, is bovendien de afgelopen tien jaar ook nog eens sterk afgenomen, hoewel de suggestie van het omgekeerde met succes in leven wordt gehouden. Daarbij blijft nog buiten beschouwing dat vele honderdduizenden Nederlanders die op papier een laag inkomen uit een uitkering genieten, aantoonbaar hun inkomen zwart aanvullen.

De mythe van de Nederlandse armoede wordt in belangrijke mate gedragen door de zeer succesvolle medeleven-industrie, gesteund door de vakbeweging, kerken en sommige politieke partijen die er elk hun eigen belang bij hebben.

Omdat armoede zozeer appelleert aan morele gevoelens is het moeilijk om koele feiten in te zetten tegen de suggestie van (toenemende) armoede. Er gloort bij dit politieke taboe wel enig licht. Het Sociaal en Cultureel Planbureau hanteerde tot dusver erg royale definities voor armoede, maar gaat die aanscherpen. Daardoor vermindert de gedefinieerde armoede.


5 Nederland is te duur
Nederlanders dragen gedurende hun leven gemiddeld de helft van hun inkomen af aan de overheid. Toch wil het merendeel van de Nederlandse politieke partijen geen verlaging van de belastingdruk.

Dat is des te vreemder omdat de hoge belastingdruk veel kost. Het ontneemt burgers de animo om te werken en te ondernemen – wat op zich weer leidt tot een nog zwaardere druk op wie wel iets presteert. Hoge belastingen en veel overheidsingrijpen zijn vrijheidsbenemend, op zich al een reden om tegen de hoge belastingen te zijn.

Hoge belastingen zijn in een verder internationaliserende wereld ook onhoudbaar. Bedrijven en ondernemende burgers trekken naar landen met lage belastingen, terwijl omgekeerd landen met hoge lasten en royale overheidsvoorzieningen laagopgeleiden aantrekken. Ook om die reden – de wal zal het schip keren – moet het drastisch verlagen van belastingen heel dringend uit de taboesfeer worden gehaald.


6 Nederland is te lui
Nederlandse werknemers maken op jaarbasis het kleinste aantal uren van de hele beschaafde wereld. Dat was aanvankelijk het resultaat van actie voor betere arbeidsvoorwaarden en betere arbeidsomstandigheden. In het begin van de jaren tachtig kwam daar het motief bij dat er een eerlijke verdeling nodig was van de schaarse banen. Als bijkomend gevolg kunnen werknemers in de publieke sector die formeel fulltime werken in de praktijk enkele maanden per jaar vrij nemen.

Het toch al geringe aantal werkuren per Nederlandse werknemer wordt verder gedrukt doordat Nederland ook het hoogste aantal parttimebanen heeft. Vooral vrouwen werken parttime, maar in toenemende mate ook mannen – een omstandigheid die wordt versterkt doordat meer werken door hoge belastingen weinig meer oplevert.

Deze combinatie, plus het gegeven dat vier miljoen volwassen Nederlanders onder de 65 jaar helemaal niet werken, maakt dat Nederland speelt met zijn toekomst. Het geringe aantal werkuren wordt wel een beetje gecompenseerd door een relatief hoge productiviteit, maar de productiviteitsgroei stagneert al enige tijd.

Politici die het aandurven het geringe aantal gemiddelde werkuren ter sprake te brengen, worden weggehoond. Nederland is te zeer gehecht geraakt aan zijn verwendheid.


7 Nederland is te ingewikkeld
Politici verwijzen vaak naar 'de toenemende complexiteit van de samenleving’ om simpele oplossingen af te wijzen. Maar die complexiteit is in de eerste plaats een product van de politiek zelf.

De laatste 25 jaar hebben Nederlandse kabinetten gepoogd om de omvang van de ambtenarij en de regeldruk te verminderen, wat in de praktijk hooguit tot een beperking van de groei heeft geleid. Eén van de neveneffecten van de pogingen om de bureaucratie te verminderen, is overigens de invoering van nieuwe instellingen en ambtelijke organisaties, belast met het inperken van de bureaucratie.

Het tweede kabinet-Balkenende had zichzelf opgelegd om het aantal ambtenaren te verminderen en de kosten van het toepassen van regels – tientallen miljarden euro’s per jaar – met een kwart te verminderen. Volgens de laatst beschikbare inzichten is de regeldruk niet of hooguit zeer gedeeltelijk verminderd.

Het is geen politiek taboe meer dat het voortgaande uitdijen van de overheid een van de oorzaken is van de voortgaande regeldruk. Maar de tegendruk is groot. Zo is het illustratief dat minister Gerrit Zalm van Financiën (VVD), die op eigen verzoek belast is met het verminderen van de regeldruk, nota bene zelf in het geweer kwam toen politieke partijen onlangs een stevige vermindering van het aantal rijksambtenaren voorstelden.


8 Turkije en de Europese Unie
Op enkele kleinere partijen na zeggen alle politieke partijen voor het lidmaatschap van Turkije van de Europese Unie te zijn, al maken ze aan deze gevoelige en cruciale kwestie in de verkiezingsprogramma’s weinig woorden vuil. Tegelijkertijd is het overgrote deel van de Nederlandse bevolking gekant tégen het Turkse EU-lidmaatschap.

De meeste argumenten vóór het Turkse EU-lidmaatschap houden geen stand, en de overwegingen waarmee bezwaren tegen dat lidmaatschap worden weggewoven evenmin. Turkije zou eigenlijk moeten worden omarmd als EU-lid, omdat het een brug is naar het onrustige Midden-Oosten. Het relatief jonge Turkije zou dé oplossing zijn voor het vergrijzende Europa. Het Turkse EU-lidmaatschap zou tot een geweldige economische opleving van zowel Turkije als de EU leiden.

Maar het is zeer de vraag of een 'brug’ dan wel een 'buffer’ moet worden opgenomen, of juist een brug moet blijven. Voor migratie naar Europa is geen EU-lidmaatschap nodig en volgens cijfers van het Centraal Planbureau zou Nederland economisch niet beter worden van de het Turkse EU-lidmaatschap. Turkije zou bovendien vooral zijn eigen zaakjes op orde moeten krijgen om economisch te winnen.

Zorgwekkend is ook dat Turkije herhaaldelijk schermt met dreigementen voor het geval het land niet wordt toegelaten tot de EU. Zo zouden moslims in en buiten Europa zich kwaad zouden afkeren van Europa, met als gevolg dat het terrorisme toeneemt.


9 Hulp helpt niet
De ontwikkelingshulp helpt niet, maar groeit toch tegen de klippen op. Dit is één van de hardnekkigste taboe-onderwerpen in de Nederlandse politiek. Vrijwel alle gevestigde partijen willen de uitgaven voor ontwikkelingshulp verder opschroeven, hoewel de hulp van Nederland aan het buitenland relatief gesproken al (bijna) de hoogste ter wereld is, en met 4 en straks 5 miljard euro per jaar een zware druk op de Nederlandse economie en de belastingbetaler legt en ónze welvaart aantast.

Hulp houdt arme landen arm, houdt corrupte en dictatoriale systemen in stand en ondermijnt het particuliere initiatief onder de bevolking van die landen. Maar er zijn in Nederland enorm veel organisaties en personen die zelf professioneel van de hulp leven en permanent aandringen op 'goed doen’ van staatswege. Politici blijken niet tegen die druk bestand te zijn.

Politieke partijen krijgen zelf ook geld uit de ontwikkelingshulp en veel politici, onder wie zeer vooraanstaande, zitten of zaten in ontwikkelingshulpclubs. Die verstrengeling van belangen maakt dat het bijkans onmogelijk is om dit kostbare en in veel opzichten schadelijke politieke taboe eindelijk eens te doorbreken.


10 Betonrot in rechtsstaat
De Nederlandse rechtsstaat staat al tientallen jaren ter discussie. De misdaad is de afgelopen veertig jaar vertienvoudigd, maar tegelijkertijd zijn de oplossingspercentages omlaag geschoten. Deze ontwikkeling leidde tot dusver vooral tot afbraak van het vertrouwen in politie en justitie.

Maar gaandeweg komt ook de rechtspraak ter discussie te staan. Zo zijn er, mede door de introductie van nieuwe technieken, steeds meer gevallen van (mogelijke) gerechtelijke dwalingen bekend, zoals de Schiedammer parkmoord. Ook is er steeds meer ongenoegen over de talrijke bijbanen van rechters, die hun onafhankelijkheid in het gedrang brengen.

Dan zijn er ook nog de rechter-plaatsvervangers: advocaten, politici en anderen die wel jurist zijn, maar het rechtspreken slechts als bijverdienste uitoefenen. Bij het fenomeen van de rechter-plaatsvervanger is het risico van partijdigheid en belangenverstrengeling wel heel groot.

Rechters reageren vaak boos op opmerkingen uit de politiek over de rechtsgang, maar permitteren zichzelf wel kritiek op de politiek en politici.

Wil de rechtspraak weer een onbesproken pijler van de Nederlandse rechtsstaat worden, dan moet de scheiding der machten in Nederland worden hersteld. Slechts enkele politici – Joost Eerdmans en de SP – maken zich daar druk over.

Syp Wynia
Bron: Elsevier

zondag, september 03, 2006

De Über-liberale samenleving: Hyper van de hypes door Roland DANCKAERT op Het Vrije Volk, 2 september 2006.

Hypes zijn in de mode. Deze trend vaart wel bij het aangeboren kuddegedrag der mens. Hypernerveus word ik ervan!

Breng een dansprogramma met BN-ers op televisie en heel Nederland walst door de ballrooms. De danscursussen zijn niet aan te slepen. De vraag is groter dan het aanbod. Heeft de moderne mens dan helemaal geen eigen denkvermogen en geen eigen wil meer? Het lijkt erop van niet. Alles moet worden voorgekauwd en men voelt zich blijkbaar alleen nog veilig op de platgetreden paden der meute. Wat Fred Astaire niet is gelukt, daar is John de Wolf in een paar afleveringen wél in geslaagd: de hele wereld danst (naar de pijpen van de dansers). Nu de sterren op het ijs dansen, zal de massa wel massaal de schaatsen onderbinden in de disco en in de ijshallen…

Tuinkabouter Rob Verlinden is er verantwoordelijk voor dat heel Nederland al jarenlang op zaterdag en zondag in de tuin zwoegt. Er wordt geen genoegen meer genomen met een ordentelijk grasveldje voor het huis, nee, er moet een ingenieus tuinontwerp aan ten grondslag liggen. Dankzij de groene televisiepraatjes van Verlinden zijn de tuincentra als viooltjes uit de grond gerezen en heeft het hele land groene vingers. Vroeger hielden bloemen van mensen, maar nu houden mensen echt van bloemen. Ofschoon, ik zie maar heel weinig mensen echt genieten van hun tuintje.

Het is eerder een schoonheidsrace: wie heeft de mooiste tuin. En dan constateren dat het gras aan de overkant niet alleen groener is, maar ook veel duurzamer. Afmattend hoor, al die grasmatten leggen keer op keer… Plotseling hebben veel tuinmannen zich trouwens bekeerd tot de herenliefde, net als hun grote voorbeeld RV. We doen wat de ander doet, want anders vallen we uit de toon en weten we ons geen raad met onze vrije wil…

Joop van Ellende besmette ons land met het musicalvirus en daar zijn we nog steeds niet van genezen. Alle onderwerpen en alle legendes zijn al eens de leidraad geweest van het muzikaal toneelspel. Straks komt er geheid een musical over Joop zèlf! Het zal wel aan mij liggen, maar al deze hypes zijn totaal niet aan mij besteed. Ik ben geloof ik een alleenstaande Nederlander als het gaat om musicals. Ik heb er ééntje gezien ('Hair' en ik kreeg er inderdaad haaruitval van) en sindsdien weet ik dat ik op de vrijdagavond liever een potje mikado speel met de kinderen. Alleen sta ik daarin, want om mij heen vliegt iedereen naar De Musical. Mensen schijnen thuis tegenwoordig tegen elkaar te zingen in plaats van te praten: het musicalvirus maakt van alle mannen een replica van Ben Cramer en van alle huisdames een kloon van Mariska van Kolck.

Slordig zou het zijn van mij als ik de reiki zou vergeten. Wie nog niet op een reiki-cursus is geweest of geen reikibehandeling heeft ondergaan, hoort er echt niet bij. Het rijk der reikimasters is onbegrensd. Wie een beetje zweverig is aangelegd en geen bron van inkomsten heeft, laat zichzelf inwijden tot reikimaster. Hup, een bordje naast de deur is zo in elkaar geflanst en je mag patiënten gaan genezen met je Japanse energie. Geef mij maar een bordje sushi, daar knap ik veel meer van op. Daarna een portie Japanse sm-porno met stokjes en Rolandje kan weer de hele wereld aan.

Wijn, lieve mensen. Wat een cultus hangt daar ineens omheen! Wijn, de godendrank die we jarenlang hebben ondergewaardeerd. Plotseling praat en doet iedereen over wijn alsof het de kutsap is van de Engel des Levens. Jezus, ik word er niet goed van hoe decadent zelfs de bouwvakker tegenwoordig doet over de wijn die hij heeft geproefd.

Het is net alsof Nederland zonder een dagelijks flesje wijn weinig meer in de melk te brokkelen heeft. Waar die wijntik vandaan komt, Joost mag het weten, maar het is een feit dat we nog nooit zo creatief zijn geweest met kurk…

Verre reizen maken, dat 'moeten' we ook al een tijdje. Heb je in Zuid-Afrika nog geen wijncursus gevolgd, dan word je bijkans ons land uitgezet. En elkaar maar overtroeven: vertel je dat je in Canada een wilde beer hebt gezien, gaat een andere pseudo-Boudewijn Büch eroverheen door te melden in Ecuador te zijn opgevreten en naderhand te zijn uitgekotst door een orka. Ook de vakantiebestemmingen zijn onderhevig aan hypes. Lieten de Nederlandse tienermeisjes zich decennia lang aflikken door geile Spaanse beren, tegenwoordig stroomt de studio van 'All you need is love' vol met Turkse jongens die hun Nederlandse vriendin komen opzoeken, om vervolgens door te vliegen naar Zweden, Duitsland, Italië, België, Noorwegen en Engeland om ook daar hun vriendinnetje bij de landelijke Robert ten Brink in de armen te sluiten.

We doen en praten elkaar na alsof we volwaardige imitators zijn. Het wordt ons allemaal kant en klaar door de media voorgeschoteld en we vreten het met z'n allen van één groot bord op. Waar is de individuele authenticiteit gebleven? Ik zal wel teveel Einzelgänger zijn om dit gedrag te kunnen begrijpen. Een papegaai, dàt is misschien iets voor mij: eindelijk eens een levend wezen dat mij na gaat praten en na gaat doen!

Bron: Het Vrije Volk

vrijdag, augustus 25, 2006

Europa centrum voor Islamitisch streven en macht ! op NOVOPRESS, augustus 2006.

(Novopress) - Europa is het middelpunt voor rekrutering en uitbreiding voor verscheidene bundelingen van Islamitische groepen en activiteiten geworden, van het Moslim-Broederschap (Muslim Brotherhood) tot de Salafisten die in Irak vechten en voor Afghanistan aanwerven. Er heerst de nodige spanning tussen en onder deze groepen, maar wat deze groepen gemeenschappelijk hebben is een duidelijke visie van wat zij willen doen en waarom. Dat blijkt uit het hele onderzoek rondom de geplande aanslagen in Engeland.

Misschien de interessantste handeling, en één met grote implicaties op lange termijn, zijn de (grotendeels succesvolle) inspanningen door deze groepen om grote hoeveelheden onroerend goed te kopen, grondgebied dat effectief "Moslim" land wordt zodra het in de handen van groepen Islamieten is. Sommige groepen ondertekenen overeenkomsten om te waarborgen dat zij slechts het land aan andere Moslims zullen verkopen.

Het Moslim-Broederschap, in het bijzonder, is actief in investeringen in instellingen en ondernemingen in heel Europa, hetgeen de grondslag legt voor het toekomstige netwerk dat snel en met grote flexibiliteit zal moeten kunnen reageren in het geval van een actie of optreden op of tegen de financiële structuur van de groep.

De recent ontwikkelde structuren worden grotendeels ontworpen om verschillende groepen binnen het internationale Broederschap toe te staan financieel zelfverzorgend te worden, misschien in afwachting van de toekomstige activiteiten van de wetshandhaving tegen Ikwan. Het zal hen ook helpen te verzekeren dat hun aanwezigheid permanent zal blijven, gezien de bezittingen die zich uitbreiden. De groei naar de vorming van een (Islamitische) staat binnen een (Europese) staat is daarmee een onvermijdelijk feit.

Het grootste deel van het geld voor Ikwan en andere groepen komt uit de gebruikelijke bronnen, Saoedi-Arabië, en groeiende, Koeweit. De belangrijkste financiële huizen van het Golf-gebied kanaliseren tientallen miljoenen dollars richting de instellingen en de bedrijven van het Broederschap als onderdeel van hun wettige economische activiteiten.

De aankoop van bezit en goederen is een strategie die Ikwan in de Verenigde Staten heeft herhaalt, waar de aan de broederschap gelieerde groepen onlangs voor tientallen miljoenen dollars aan onroerende goederen hebben opgekocht, vaak met buitenlandse bedrijven die als buffer optraden en allerlei holdings creërden die het geld door veelvoudige lagen filtreerden zodat het bijna onmogelijk te traceren blijkt te zijn.

Dit onderstreept slechts het feit dat deze groepen, ondanks de behoorlijke meningsverschillen onderling, een lange termijnplanning hebben van infiltratie en activiteiten in de, nog, niet door Moslims gedomineerde Westerse wereld. Deze groepen hebben strategieën lopend van 10 jaar tot 50 jaar.

Als reactie, blijven de regeringen van Europa en de Verenigde Staten deze groepen toestaan te groeien en blijven zij de "gematigde" elementen zoeken die als tegenhanger van de "radicale" elementen kunnen worden omhelst en geknuffeld.

Wij hebben geen plan. Zij wel. De geschiedenis toont aan dat die wie plannen hebben, vooruit durven te kijken en een coherente strategie hebben, gewoonlijk winnen. Wij winnen niet !

Richting dramatische demografische veranderingen ? op NOVOPRESS

(Novopress) - De laatste cijfers (over de eerste helft van 2006) van het CBS (Centraal bureau voor de Statistiek) laten zien dat de bevolking van Nederland nauwelijks meer groeit.

"Vooral de sterke toename van de emigratie zet een rem op de bevolkingsgroei." De helft van deze emigranten betrof in Nederland geborenen. Nederlanders die het hier wel gezien hebben en hun heil elders in de wereld zoeken. De andere helft betrof voormalige immigranten die weer vertrokken. Opmerkelijk is het dat hiertoe ook de 'asielzoekers' uit Afrika en voormalig Joegoslavië worden gerekend.

Als we hierbij het CBS-bericht nemen van 31 juli over de samenstelling van de bevolking in de grote steden, dan kunnen we niet anders stellen dan dat we richting een dramatische demografische verandering gaan.

Aangevuld met de berichten over de 'vergrijzing', lijken we naar een samenleving te gaan gedomineerd door van oorsprong niet-westerse allochtonen. Een toekomst die ons, in het kader van sociale zekerheden, niet veel goeds zal beloven.

Novopress heeft de hand weten te leggen op een aantal bijzondere en opmerkelijke overheidsadviezen in het kader van het hier boven staande en zijn druk doende deze informatie te organiseren en te vormen tot een bijzonder artikel;. U hoort van ons !

Nederlanderschap: Wat ons verenigt ! in ELSEVIER

(Elsevier.nl) Omslagartikel - Wat houdt het eigenlijk in, Nederlander zijn? De sleutel tot het Nederlanderschap is kennis van de vaderlandse geschiedenis.

Patriottisme en vaderlandsliefde zijn stoffige begrippen geworden, zelfs taboe. De geringe kennis van de vaderlandse geschiedenis heeft daaraan bijgedragen. Wie weet nog wat de Acte van Verlatinghe is? Of waar de nationale kleur oranje vandaan komt? De hoogtepunten uit het verleden van Nederland op een rij.

Decennialang gold patriottisme als 'fout’. Progressieve geesten stelden vaderlandsliefde sinds de jaren zestig gelijk aan nationalisme of zelfs aan fascisme. En iedereen wist waar dat in nazi-Duitsland toe had geleid. Het ging zover dat het vaderlandse verleden nagenoeg uit het geschiedenisonderwijs werd geschrapt. Kennis van de eigen geschiedenis zou immers niet bijdragen aan de vorming van 'kritiese burgers’. Onder het motto 'de wereld is ons vaderland’ leerden generaties Nederlanders meer over het verleden van, zeg, Chili dan over 'hun’ Nederland.

Patriottisme degenereerde tot een sluimerend nationaal gevoel dat alleen nog sporadisch opvlamde in het voetbalstadion – hup Holland hup. Verder kwam het niet. Toen individualisering en mondialisering Nederlanders deden snakken naar saamhorigheid waren ze gedwongen daarnaar te zoeken in de regio. Terwijl de Europese eenwording de nationale munt opslokte en de Engelse taal zich stevig nestelde in het Nederlands, bereikte de popmuziek uit de streek (Bløf, Rowwen Hèze, Skik) een ongekende populariteit. Regionalisme werd zo een vorm van alternatief patriottisme.

Het taboe op vaderlandsliefde vertaalde zich ook in het immigratiebeleid. Nieuwkomers hoefden zich de Nederlandse cultuur niet eigen te maken. 'Integreren met behoud van eigen identiteit’ heette dat. Ironisch genoeg zijn het juist de slecht geïntegreerde immigranten die nu zorgen voor een terugkeer van het patriottisme. Want hun gebrekkige integratie dwingt na te denken over de vraag wat Nederlander-zijn precies inhoudt en hoe je dat kunt worden.

In juni stelde het kabinet voor om immigranten die Nederlander willen worden een Verklaring van Verbondenheid af te laten leggen. Nieuwe Nederlanders zouden daarbij moeten beloven de 'Nederlandse rechtsorde te respecteren en de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien’. Maar anders dan de Verklaring van Verbondenheid suggereert, maakt het afleggen van een eed immigranten nog geen Nederlander.

De basis voor het Nederlanderschap is kennis van de geschiedenis van het nieuwe vaderland; de historie inderdaad die Nederlanders zelf decennialang verwaarloosden. Geschiedenis hoort immers te gaan over zaken die Nederlanders verbinden, en zonder verbinding is er geen gezamenlijk lot, schrijft historicus Arie van Deursen in De last van veel geluk, het eerste deel van een negendelige reeks over de geschiedenis van Nederland.

Het verleden moet een nieuw wij-gevoel creëren. Maar is dat genoeg? Nee, het moet natuurlijk wel een verleden zijn waarop nieuwe Nederlanders trots kunnen zijn. Bij een volk van slavenhandelaren, nazi-heulers en koloniale tirannen, zoals Nederlanders sinds de jaren zestig werden voorgesteld, wil niemand horen.

Een prachtig voorbeeld van hoe het wel moet, gaf Fouad Laroui vorig jaar in de Volkskrant. De schrijver van Marokkaanse afkomst beschreef het gekibbel in 1989 tussen de toenmalige Franse president François Mitterrand en de Britse premier Margaret Thatcher. Mitterrand beweerde dat de Fransen tijdens de Franse revolutie in 1789 de democratie uitvonden. Thatcher beweerde dat de Britten met hun Bill of Rights van 1688 de Fransen een eeuw voor waren. Een jaar later las Laroui in Nederland over de Acte van Verlatinghe, de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring uit 1581: 'Ik kon mijn ogen niet geloven. Ze konden wel inpakken, de Engelsen en de Fransen! Hier werd de essentie van het hele politieke denken van de moderne tijd verwoord.’ Twee eeuwen voor de Franse revolutie en een eeuw voor de Bill of Rights was in Nederland al besloten dat het volk de baas was.

De Acte van Verlatinghe is slechts een van de feiten uit de geschiedenis waarop alle Nederlanders trots kunnen zijn. Elsevier selecteerde een aantal zaken uit het verleden die Nederlanders definiëren en kunnen verbinden. Samen met de symbolen van de Nederlandse eenheid vormen ze een handboek voor de patriot. Niet alleen voor nieuwe Nederlanders, maar ook voor hen die de Nederlandse geschiedenis sinds de jaren zestig niet meekregen door het taboe op vaderlandsliefde. Wil geschiedenis het middel zijn dat Nederlanders bindt, dan moeten immers alle Nederlanders er kennis van nemen.

Bron: Elsevier
Zie voor het gehele omslagartikel: Elsevier
Incl. kaders: WANNEER MAG DE VLAG UIT ?; RIJKSWAPEN; VOLKSLIED; STAATSINRICHTING; Etc.

11 CLICHÉS OMTRENT IMMIGRATIE door Guillaume FAYE op VJWestland.tk

Nota: de onderstaande tekst is een vertaling van een fragment uit een werk van de Franse filosoof Guillaume Faye. De tekst is dan ook in belangrijke mate gericht op de Franse situatie, maar deze verschilt weinig of niets met de situatie in Vlaanderen, Nederland en de rest van West-Europa.

In 'De Kolonisatie van Europa' schrijft Guillaume Faye dat men niet meer kan spreken van immigratie, maar eerder van kolonisatie door grote bevolkingsgroepen uit Afrika, Noord-Afrika en Azië; dat de Islam een verovering van Frankrijk en Europa onderneemt; dat de 'criminaliteit der jonge allochtonen' het begin is van een burgeroorlog; dat wij overweldigd worden door een allochtone bevolkingsexplosie en dat om demografische redenen een islamitische macht zich zal vestigen in Frankrijk, allereerst op lokaal stedelijk niveau en vervolgens wellicht op landelijk niveau.


De 11 clichés en foutieve ideeën omtrent immigratie en Islam

Cliché nr. 1:
"Wij zijn het die de immigranten lieten komen, want ze waren economisch onontbeerlijk. Zij waren en bleven de motor van de economische groei."

Thierry Desjardin vernietigt in zijn essay "Brief aan de president naar aanleiding van de immigratie" dit cliché dat hij als volgt formuleerde: "Wij lieten hen komen, wij hadden hen nodig". In feite rekruteerden de werkgevers vanaf 1960 tot 1973 in Noord-Afrika volgzame en goedkope arbeidskrachten met de medeplichtigheid van de vakbonden, terwijl Europese arbeidskrachten niet ontbraken! We hadden hen dus niet 'nodig', maar het uitbuitende kapitalisme had hen nodig. Dat was een economische vergissing, een kortzichtige berekening; want deze immigratie beperkte het beroep op investeringen; de Europese landen die geen beroep hebben gedaan op Noord-Afrikaanse arbeidskrachten hebben een krachtiger economische groei gekend dan Frankrijk.

Sedert 1973 vindt de aankomst van migranten plaats onder 'druk', dat wil zeggen dat ze komen doordat ze zich opdringen. Het is hun belang om te emigreren, niet het onze. Een allochtone werkloze of bijstandstrekker leeft hier beter dan al werkend in zijn thuisland. Met de massale komst van illegalen sedert het midden van de jaren 70, ziet men dat het niet Europa is dat een beroep doet op de allochtonen uit economische behoefte, maar dat zij zichzelf opdringen. De aanwezigheid van immigranten (genaturaliseerd of niet) is een rem op de economische groei door hun enorme kosten, hun lage niveau van deskundige vakbekwaamheid, ondanks alle opleidingen die men hen aanbiedt, en het is ook de reden van een algemene verslechtering van de kwaliteit van het leven en de sociale samenhang.

Contra-slogan: "De overgrote meerderheid der allochtonen is hier op vrijwillige basis en is een rem op de economische groei, de werkgelegenheid, het niveau en de kwaliteit van het leven."

Cliché nr. 2:
"Zij doen het werk dat de Fransen niet willen doen."

Zoals Alain Griotteray beschreef, is de immigrant-arbeider reeds lang vervangen door de immigrant als werkloze en uitkeringtrekker. Deze mythe van de immigrant als slaaf leidt een hardnekkig leven. Bovendien probeert de partij die hen laat binnenkomen momenteel quota op te leggen voor het in dienst nemen van de allochtonen door voor hen werkgelegenheid te reserveren waarvoor de Europese Fransen zijn uitgesloten.

Veel banen die mensen van Franse origine graag zouden willen hebben, zijn heden ten dage gereserveerd voor deze allochtonen, gemeentes van zeer grote omvang, onder anderen door ambtenarenapparaten, die een verborgen voorkeurspolitiek uitvoeren van positieve discriminatie. We spreken niet, dat is duidelijk, over banen voor jongeren en banen in het kader van solidariteitscontracten.

Contra-slogan: "Zij beperken de omvang van de werkgelegenheid van de autochtone Fransen."

Cliché nr. 3:
"De Noord-Afrikanen en de Afrikanen zijn de Italianen en de Polen van gisteren. Frankrijk is altijd een immigratieland geweest. Er is niets veranderd."

Dit is te gek voor woorden aangezien zij geen Europeanen zijn en hun gewoontes en mentaliteit uitermate ver hier van af staan. De intra-Europese immigraties, die nooit voor problemen op het gebied van integratie gezorgd hebben, vergelijken met de massale komst van Afro-Aziatische bevolkingsgroepen staat gelijk aan het verborgen houden van de etnische realiteit van de menselijke samenlevingen. Men mag zich niet blindstaren op de notie van 'nationaliteit', een begrip zo dierbaar voor de republikeinse ideologie. Een Vlaming met de Belgische nationaliteit, een Toscaan met de Italiaanse nationaliteit, een Provençaal met de Franse nationaliteit staan veel nader tot elkaar dan, bijvoorbeeld, een Antilliaan en iemand uit de Savoye. Echter, de laatstgenoemden zijn al langer "Fransen" dan de eerstgenoemden.

Contra-slogan: "Frankrijk is nooit een land geweest met immigratiestromen van buiten Europa afkomstig. Het is een dergelijk land geworden."

Cliché nr. 4:
"Immigranten zijn slachtoffers, verstoten door racisme en economische armoede."

Het tegendeel is waar. De immigranten profiteren van veel meer hulp en sociale opleidingen dan de Fransen van origine. De jonge immigranten zijn het voorwerp van dure maatregelen om hen aan werk te helpen, bij opleidingen en scholing alsmede voor wat betreft hun vrijetijdsbestedingen. In de voorsteden leven de allochtonen op een zeer redelijk niveau, dankzij de uitkeringen en de parallelle economie. Hen voorstellen als een lompenproletariaat is bedrog. Personen zonder vaste verblijfplaats en daklozen van Afro-Aziatische origine zijn overigens zeldzaam in tegenstelling tot wat er beweerd wordt.

Veel immigranten voelen zich geenszins uitgesloten, maar sluiten zich vrijwillig uit etnische haat af van een maatschappij die zij bevechten. Hun anti-Europees racisme (de fameuze 'haat') is overigens sterker dan het vermeende racisme der autochtonen. Overigens, de vreemdelingenhaat die in Frankrijk altijd een minuscuul fenomeen geweest is (hetgeen voor de allochtonen een wonderbaarlijke mazzel is), wordt uitgelokt door de wandaden van jonge kinderen van immigranten en lijkt niet op een intrinsiek racisme tegenover Arabieren of Afrikanen.

Contra-slogan: "Immigranten worden economisch en sociaal begunstigd, ondanks de afwijzing door velen van het land van ontvangst."

Cliché nr. 5:
"De bovenmatige criminaliteit van de jonge Noord-Afrikanen komt doordat ze ontworteld zijn of (variant) omdat ze in getto's leven."

Het is deze slogan die de overheid ertoe aanzet om de allochtonen te willen spreiden over haar territorium: dit veroorzaakt dat de autochtonen opnieuw moeten vluchten (niet uit racisme, maar omdat het etnische samenwonen fysiek ondraaglijk is) en het leidt tot nieuwe getto's. Leven in getto's, of beter gezegd, vanuit hun standpunt, leven in gebieden bevrijd van de Europese wetten en welke gebieden ook nog eens onophoudelijk worden uitgebreid, dat is hun strategie.

Van de andere kant, de betrokkenen voelen zich helemaal niet ontworteld: zij nestelen zich tegelijkertijd in de islam, het arabisme en in de etnisch zwarte Amerikaanse cultuur. De gezamenlijke fenomenen van de "culturen" rap en rai (1) bevestigen dit. De salonintellectuelen, die het sociaal afwijkende gedrag van de jonge Noord-Afrikanen verklaren middels een "identiteitsverlies", een "veramerikanisering" of een in de steek laten van de Arabisch-Afrikaanse wortels ten gunste van een hallucinaties opwekkende Amerikaanse subcultuur, profileren jammerlijke onwaarheden die slechts te verklaren zijn door hun onkunde op dit gebied.

De Arabieren zijn niet veramerikaniseerd in de zin waarin de jonge Europeanen dat zijn. Deze laatsten zijn daadwerkelijk losgeraakt van hun cultuur en ontworteld, niet de eerstgenoemden. Zij behouden van de Amerikaanse cultuur slechts de component "zwarte rap", die in zijn protest antiblank is en die, als vergelding (fenomeen rai), doortrokken wordt met een beslist arabisme tot uitermate grote vreugde van de imams der voorsteden.

In tegenstelling tot de hersenschimmen van de rechtse gemeenschap die zich inbeeldt dat het islamo-arabisme van de voorsteden een uiting is van de strijd tegen het amerikanisme, moet men zeggen: de jonge immigranten hebben een tegencultuur geschapen (die tegelijkertijd een subcultuur is) welke het zwart-amerikanisme verbindt met het arabisch-islamisme.

De jonge immigranten zitten zeer goed in hun vel, maakt u zich om hen geen zorgen; zij zien zich als binnengedrongen strijders, zij vernietigen de cultuur ,maar het is niet zo dat zij zonder cultuur zijn. Ten bewijze: de houding van de jonge blanken die contact met hen hebben en die, door nadoen, hun aparte manier van spreken aannemen, hun manieren, hun muziek, zich volledig onderwerpen aan hun invloed en een verontrustende culturele achteruitgang ondergaan. We kunnen aannemen dat, om de (relatieve) vrede te bewaren en vooral als blijk van onderdanigheid, een zeker aantal jonge Europeanen zich bekeert tot de islam en zijn ondergeschiktheid aanvaardt.

Contra-slogan: Jonge immigranten nestelen zich in een nieuwe neoprimitieve cultuur en in zich uitbreidende getto's, naar hun volle tevredenheid.

Cliché nr. 6:
"De jeugdcriminaliteit onder immigranten is, evenals het geweld onder jongeren, het gevolg van werkloosheid, neoliberalisme en verharding van de economische verhoudingen."

Dit is een variant op cliché nr. 5 hierboven. Dit cliché is erop gericht de klassenstrijd te verwarren met de etnische strijd. De actuele criminaliteit komt niet voort uit de strijd der klassen.

Ik ben de eerste om de wandaden van het neoliberalisme aan de kaak te stellen, zoals de ongebreidelde vrijhandel, de autonomie van de financiële en speculatieve economie, kortom, de dictatuur van de handelsactiviteiten die de sociale verhoudingen platwalst, de onderlinge solidariteit verbrijzelt en de armoede aanwakkert. Maar toch, dit cliché snijdt geen hout.

Waarom?

1. De gemeenschapssolidariteit (in etnische zin) van de immigranten is geenszins gebroken door het neoliberalisme. Integendeel. De ontmanteling van de solidariteit betreft de Europeanen en niet de anderen.
2. Gedurende de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw, toen de werkloosheid en de armoede in Europa veel groter waren dan nu waarbij het aandeel van de jonge generaties 10 procent hoger lag en de verharding in de industrie die van tegenwoordig overtrof, werd geen enkel fenomeen van massale criminaliteit waargenomen. De Italiaanse, Spaanse, Portugese en Poolse migranten van de periode 1890 - 1960, veel armoediger dan de allochtonen van tegenwoordig van buiten de Europese Unie, veroorzaakten geen problemen de openbare orde betreffende.
3. Het geweld en de criminaliteit hebben voornamelijk betrekking op jonge Noord-Afrikanen en zeer weinig op de Aziaten (Chinezen, Pakistanen, enz.).

Het economische argument gaat dus niet op.

Contra-slogan: "De reden voor de criminaliteit en het geweld van jongeren, afkomstig uit immigratie, is endogeen (van binnenuit) en etnisch. Zij komt voort uit een etnische, haast mechanische schok, die in principe onvermijdbaar is en derhalve niet te verklaren met behulp van de gebruikelijke misdaadanalyses."

Cliché nr. 7:
"De multiraciale, multiculturele en multireligieuze maatschappij is een cultuurverrijking. De inbreng van immigranten is aanzienlijk, cultureel zowel als economisch. Leve het veelkleurige en multiraciale Europa!"

Men kent de slogan van SOS Racisme, een volgeling van Black-Blanc-Beur (2): "Frankrijk is als een mobylette, het loopt op de goede mix en smering van zijn motor."

In de geschiedenis zijn alle multiculturele en pluri-etnische maatschappijen altijd conflictueus van aard geweest en nooit creatief. Het tegenvoorbeeld daarvan is Japan, een mono-etnische samenleving. De economische impact van de immigratie qua kosten en ook sociaal gezien is enorm; het is een echte kanonskogel, veroorzaker van sociale conflicten en algemene incompetentie. De culturele en economische inbreng van immigranten is verwaarloosbaar. Noch in wetenschappelijke research, noch in het oprichten van ondernemingen, noch in de kunsten, wetenschappen, enz, hebben zij enige inbreng. Hun aandeel in de creatieve elites is heel klein in vergelijking tot hun aandeel in de bevolking, uitgezonderd de Aziaten van het verre Oosten. En dit feit is niet verklaarbaar met het argument van racisme of verstoting. Dit cliché vindt zijn oorsprong in het sociaal romantisme. Zij die het uitventen, geven als voorbeeld de Verenigde Staten: kijk, zeggen ze, hoe deze multiraciale en multiculturele maatschappij presteert! Maar het probleem, zowel van de voor- als tegenstanders van Amerika is, dat zij de USA niet kennen, waar zij nooit gewoond hebben. De Amerikaanse situatie is niet vergelijkbaar met die van Europa.

Contra-slogan: Iedere multiraciale maatschappij is multiracistisch, geen enkele multiculturele of multi-etnische maatschappij is creatief (scheppend van aard).

Cliché nr. 8:
"Er zijn in Frankrijk nu evenveel vreemdelingen als in 1936."

Dit is een van de mooiste drogredenen van tegenwoordig waarop we geregeld attent gemaakt worden door de linkse media, teneinde ons gerust te stellen, en het berust ook nog eens op statistische grondslagen die ongeveer waar zijn.

Heel eenvoudig gezegd, de notie van "Fransman" verliest langzamerhand zijn betekenis vanwege de massale naturalisaties (ongeveer 200 duizend per jaar) en het bodemrecht (een automatisme wat betreft nationaliteit in het geval van geboorte op Frans grondgebied). Vroeger was de Republiek, die duidelijk het raciale element verwierp, er trots op dat alleen diegenen de Franse nationaliteit kregen die cultureel en qua taal onderdanig de integratie aanvaardden binnen de Franse gemeenschap. Maar dat is niet meer het geval. De nieuwe Fransen voelen zich niet Frans en herkennen zich niet in de Europese cultuur. Zij voelen zich altijd solidair met hun afkomst van origine.

De notie van "Franse nationalieit", beroofd van zijn etnisch-culturele grondslagen, feitelijk zelfs van republikeins kosmopolitisme, heeft niet meer veel te betekenen. Er zijn steeds meer allochtone migranten, juridisch gezien Fransman, die de befaamde nationale taal verkrachten, het nog slechter spreken dan de Franssprekende vreemdelingen uit zwart Afrika of uit Quebec. De notie zelf van 'Fransman" verliest langzamerhand zijn betekenis. Iedere definitie van nationaliteit die niet berust op een etnische basis, maar die strikt juridisch is, stuurt aan op zelfmoord zoals het Romeinse Rijk ooit ervaren heeft. Deze notie van "juridische nationaliteit", een erfenis van de Europese oorlogen van de 19e eeuw, zou niet meer in zwang mogen zijn in Europa. De notie "vreemdeling" moet dus eigenlijk herzien worden.

Contra-slogan: Er zijn tien maal zo veel niet-Europese allochtonen in Frankrijk dan in 1936, dat wil zeggen, vreemdelingen in etnische zin.

Cliché nr. 9:
"Er bestaat een islam, die vreedzaam, wereldlijk en gematigd is, en perfect in staat om te integreren binnen de normen en waarden van de Republiek (3)."

Diepgaande miskenning van de islam en de koran, alsmede historische onkunde liggen ten grondslag aan dit vooroordeel, waarvan de nietigheid is aangetoond in een vorig hoofdstuk. De islam is een blok. Iedere gematigde mohammedaan kan morgen een terrorist of een islamitische strijder worden, zoals men het ontzettend duidelijk heeft kunnen zien gedurende de oorlog in Algerije.

Contra-slogan: de islam is een oorlogszuchtige, intolerante en theocratische religie, in wezen onverenigbaar met alle politieke Europese waarden.

Cliché nr. 10:
“Het geweld op scholen is te wijten aan een slechte verstedelijkte omgeving, een gebrek aan middelen en aan armoede.”

De school van de 3e en de 4e Republiek (4) profiteerde voor minstens 80 procent van algemene middelen, wist uitstekend tot integratie te leiden en verzekerde zelfs voor de allerarmsten het bestijgen van de sociale ladder. Ook werden analfabetisme en onkunde uitgebannen, vanaf het begin van de 1e Republiek. Tegenwoordig wankelt het nationale onderwijs, aanzienlijke middelen ten spijt, op zijn basis en is de overdracht van kennis en sociale vaardigheden niet meer gegarandeerd in de helft van alle instituten, ten prooi aan anarchie en geweld.

Contra-slogan: "Het geweld op scholen kan verklaard worden met het pedagogische, antiautoritaire dogma, maar vooral door de massale aanwezigheid van Noord-Afrikanen, die zich voor het overgrote deel niet aanpassen."

Cliché nr. 11:
"Voor een neger (4) of een Noord-Afrikaan is het veel moeilijker om woningen of werk te vinden dan voor een Fransman van origine."

Dit cliché verwijst naar de legendarische 'discriminatie' waarvan de Afrikanen het slachtoffer zouden zijn. Allereerst is het waar dat sommige huisbazen ervoor terugschrikken om te verhuren aan immigranten. De reden is niet raciaal maar heeft te maken met problemen als burenruzies, die door deze bevolkingsgroepen veroorzaakt worden, evenals met vaak optredende betalingsproblemen.

De weigering om iemand voor werk aan te nemen heeft in de meeste gevallen te maken met een gebrek aan vakbekwaamheid bij de kandidaten. Calixte Beyala en zijn 'Collectief van Gelijkwaardigheden' (Collectif Egalites) - die niets gelijkwaardigs heeft aangezien hij ernaar streeft middels dwang raciale quota bij sollicitaties aan te leggen met name binnen de audiovisuele media - deze organisaties hebben zich nooit afgevraagd waarom er zo weinig negers bij de televisie werken. Discriminatie van de kant van de omroepen? Zeker niet. Heel eenvoudig, de kandidaten - het is eenvoudig, dus voor een intellectueel te moeilijk om te begrijpen - zijn niet op de hoogte. De extreemlinkse (6) organisatie "Droit au Logement" (recht op woning), beweert dat de meerderheid van de krakers en uit kraakpanden verdreven personen bestaat uit Afrikaanse en Noord-Afrikaanse gezinnen. Zij vergeet om nader aan te geven dat deze personen clandestiene illegalen zijn die zich opdringen, dat zij zelden verdreven zijn zoals de wet dat voorziet en dat zij in het algemeen van een nieuw onderkomen voorzien en geholpen worden. Deze gezinnen profiteren van het officiële medelijden en komen zelden terecht bij de daklozen zoals de Fransen van origine, in hun ellende waarmee de politiek en de media de spot drijven.

In werkelijkheid profiteren de allochtone bevolkingsgroepen van toegangsfaciliteiten tot sociale woningen, van sollicitatieprivileges (met name wat betreft jongerenbanen), van privileges voor hulp en meervoudige uitkeringen waarvan de oorspronkelijke Fransen en vreemdelingen van Europese origine zijn uitgesloten.

Contra-slogan: "Voor een neger of een Noord-Afrikaan is het makkelijker om toegang te hebben tot werk, onderdak en uitkeringen dan voor een armoedzaaier van Europese origine."

- - - - -

In Frankrijk is 8 procent van de volwassen bevolking afkomstig van buiten Europa en voor kinderen onder de 5 jaar is dat een percentage van 34 procent.

Dit stuk is vertaald door een bezoeker van Rechtsepolitiek.nl. Zie voor meer informatie: La Colonisation de l'Europe. Het boek staat daar in het Frans geheel online.

Voetnoten van de vertaler en aanvullende opmerkingen:

(1) rai: Arabische muziekstijl.

(2) "Black-Blanc-Beur": "Zwart-Wit-Arabisch". Soort van slogan, gebruikt door SOS Racisme, waarmee aangeduid wordt dat iedereen gelijk is.

(3) Met de "Republiek" wordt in feite bedoeld: Frankrijk.

(4) Het woord 'neger' heeft in Nederland inmiddels een beladen betekenis. Het is niet meer 'politiek correct' om het te gebruiken. Echter, om het onderscheid tussen Noord-Afrikanen (Maghrebiens) en overige Afrikanen (les Noirs) beter te kunnen aangeven, is consequent de letterlijke vertaling van het woord 'un Noir', zijnde 'neger' gebruikt.

(5) De 3e en 4e Republiek: Hiermee worden tijdvakken aangegeven, die voor een Fransman vanzelfsprekend associaties oproepen met bepaalde tijdsperiodes. Voor ons, Nederlanders, zijn het doorgaans onbekende begrippen. Net zoals bijvoorbeeld voor een Nederlander 'De Gouden Eeuw' een vanzelfsprekendheid is, zo is de 'zoveelste' Republiek dat voor een Fransman. 2e Republiek: 1848 - 1852; 3e Republiek: 1870 - 1914; 4e Republiek: 1945 - 1958

(6) extreemlinkse: letterlijk stond er: 'paratrotskistische'. Ook dit begrip is in Frankrijk veel bekender dan in Nederland. Veel Nederlanders zullen niet weten, wat ermee bedoeld wordt. Vandaar de vrijheid in de vertaling, om dit weer te geven met 'extreemlinks'. Frankrijk heeft een geschiedenis gekend van communistische partijen, heel anders dan wat zich op dat gebied in Nederland heeft afgespeeld.

‘Het probleem is de pure islam. Daarom is integratie onmogelijk.’ door Geert WILDERS

(GeertWilders.nl/Volkskrant.nl) Den Haag - ‘Het probleem is de pure islam. Daarom is integratie onmogelijk.’, aldus Geert Wilders in de Volkskrant over harde maatregelen tegen terrorisme.

Het meermaals met de dood bedreigde Tweede-Kamerlid Geert Wilders pleit voor een noodwet waardoor potentiële terroristen zonder vorm van proces langdurig vastgezet kunnen worden. Hij wil zo spoedig mogelijk premier Balkenende in de Kamer aan de tand voelen over de aanhouding van zeven terreurverdachten, afgelopen vrijdag.

Volgens Wilders is de kans groot dat de verdachten binnen de kortste keren weer op straat staan. De aanhoudingen noemt hij daarom ‘symptoombestrijding’ en ‘een nogal gênante vertoning’.

Wilders, die na bedreigingen al lange tijd beveiligd wordt, weet niet of hij tot de politici behoort voor wie, volgens het kabinet, een acute dreiging bestond. Wilders was de afgelopen dagen in Israël, waar hij zich oriënteerde op de aanpak van terrorisme in dat land.

Volgens Wilders doet Nederland er goed aan het Israëlische systeem van administratieve detentie over te nemen. Dat houdt in dat potentiële terroristen, louter op basis van informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, worden vastgezet. Eens per half jaar zou de Hoge Raad, als hoogste Nederlandse rechtscollege, moeten bekijken of de detentie verlengd mag worden. In Israël stemt het Hooggerechtshof in de meeste gevallen in met verlenging, waardoor mensen soms jaren gevangen zitten.

Wilders: ‘De Nederlandse wet voorziet niet in zo’n systeem. Maar het werkt, heb ik in Israël begrepen van militairen en anderen die het kunnen weten. Via een noodwet zouden we ook in ons land mensen kunnen gaan vasthouden tegen wie, op grond van de strafwet, onvoldoende bewijs bestaat. Samir A. is al twee keer op vrije voeten gesteld bij gebrek aan bewijs. Hij en zijn sympathisanten lachen zich een deuk, en kunnen doorgaan met het voorbereiden van misdrijven.’

Het onafhankelijke Kamerlid verwijt de ministers Donner van Justitie en Remkes van Binnenlandse Zaken naïviteit. ‘Donner houdt vol dat er slechts sprake is van een kleine groep die de islam misbruikt. Maar tegelijkertijd wordt toegegeven dat de Hofstad-groep groeit. De analyse van Donner klopt dus niet.’

Om buitenlandse beïnvloeding van moslims in Nederland tegen te gaan, pleit ex-VVD’er Wilders voor een totale immigratiestop. ‘Het probleem is de pure islam. Daarom is integratie onmogelijk'.’

Demografische dreiging voor Nederland ! door NOVOPRESS

(Novopress) - Hoewel politiek Nederland met oogkleppen blijft rondlopen en daarmee haar afstand tot de realiteit en de bevolking maar blijft vergroten, kunnen we toch enige hoop putten uit de diverse media die zich niet laat muilkorven. Van Volkskrant tot HP/De Tijd en Elsevier zien we uitingen die duidelijk maken dat de huidige maatschappelijke en demografische omstandigheden gaan leiden tot een grote dreiging voor maatschappelijke verhoudingen en demografische omstandigheden.

In Elsevier nr. 43, 29 oktober 2005, geeft een gesprek met de Israëlische veiligheidsdenker Dan Schueftan, over moslimterreur, de problematiek zeer juist weer. Wij laten Dan Schueftan voor U aan het woord:

"Ik zeg niet dat iedere Arabier een bedreiging is voor de democratie. Maar de vraag is wel of mensen die vanuit islamitische landen naar West-Europa komen, deze manier van leven accepteren. Zij willen profiteren van de West-Europese manier van leven, zonder ervoor te betalen en de waarden te delen die de welvaart mogelijk maken. Islamieten in Spanje duiden dat land reeds aan als 'Al Andaluz', het land waarop zij historische rechten claimen en dat zij willen heroveren. Op de lange duur is er voor West-Europa een enorm probleem."

"......En er is een demografische dreiging. Ik geloof niet dat de immigratie vanuit islamitische landen het resultaat is van een duistere samenzwering. Maar feitelijk vormt deze steeds grotere bevolkingsgroep een bedreiging. De ervaring leert dat Arabieren overgaan tot dominantie, zodra zij de macht hebben."

"......Er zijn in Nederland grote bevolkingsgroepen die zich laten inspireren door de landen van herkomst, waar miljoenen mensen het terrorisme bewonderen. De oude instrumenten, zoals het strafrecht, werken niet meer."

Voeg hierbij de uitspraken van diverse imams in Europa en daarbuiten en we zien buiten de demografische en maatschappelijke dreiging ook een politieke dreiging gaan ontstaan. Welke vlag zal er in de nabije toekomst over Europa gaan waaien ?Europa als 'Dar al-Islam' ?

Een zoekterm als 'Islamic Europe' in de diverse zoekmachines maakt ons niet vrolijker."Of course, such a transition from a Christian continent to an Islamic one in the near future is not a hypothesis. The Netherlands, one of the smaller European countries but with one of the largest Islamic communities in Europe has been predicted to have - in less than 30 years, majority Muslim population. One can fear the day when by majority votes the Dutch queen is forced to wear the Islamic hejab in her public appearances!!"

Deel van een artikel dat in tal van kranten en bladen in Islamitische landen is verschenen. Een bezem door de politiek is hard nodig, maar de stoffer en blik zoals we die tot op heden daadwerkelijk in de praktijk hebben gezien maakt de Nederlandse samenleving niet frisser. Er moet nog veel gebeuren.

donderdag, augustus 24, 2006

NATIONALE CRISIS deel I, ll en lll door drs. Alfred VIERLING, Marcel RÜTER en drs. Mart GIESSEN in Heemland '98/'99

Het tijdschrift Heemland biedt een partij-onafhankelijk forum voor allen die de nederlandse identiteit, solidariteit en autonomie willen behouden en ontwikkelen. Ook de lezer wordt uitgenodigd tot deelname aan dispuut en overleg. Voor die discussie stelt Heemland, als gespreksforum van nationaal-gezinden, ruimte in het tijdschrift ter beschikking.
In die zin heeft Heemland in de periode '98/'99 om bijdragen gevraagd tot bijdrage aan de discussie "Nationale crisis"; een discussie die bedoeld was om richting te geven aan een nieuwe politieke beweging in Nederland. Veel van de bemoeienissen, gevolgen en uitkomsten van deze discussie hebben we terug mogen zien in de latere Fortuynistische revolte.
Daar we nu in Nederland op politiek vlak weer op een herbezinningspunt staan, omdat een groot deel van de Fortuynistische beweging haar wortels niet meer trouw is, er een conservatieve stroming zoekende is en de nationaal-gezinde beweging opnieuw het wiel tracht uit te vinden, zijn de onderstaande artikelen ondanks een veranderde tijdsgeest nog steeds actueel en mogen zij hopelijk bijdragen aan hernieuwde discussies, initiatieven en gespreksrondes.
Een deel van die reeds gaande discussies, die divers van aard zijn, kunt U terugvinden op: Nieuwe Cultuur, Nieuwe Politiek, Nieuwe Synthese


NATIONALE CRISIS deel I door Alfred VIERLING

Het lange stilzwijgen verbroken

Nu de centrumstroming door de verkiezingen voor de gemeenteraden en de Tweede Kamer in 1998 door de Nederlandse kiezer op een enkele zetel na naar huis is gestuurd, is er in de pers wat meer aandacht voor onderwerpen die voordien taboe waren zoals de volgende. Aandacht voor de knellende werking van recente jurisprudentie op het gebied van discriminatiebestrijding (Rosier proefschrift 1997), waardoor zelfs een politieke groepering zich niet meer mag uitlaten over de inrichting van de samenleving, aldus M. Fennema, aangehaald door Blokker (1998). Ontsporing van Marokkaanse jongeren (rellen in Amsterdam). De verbinding van bevrijdingsbewegingen en dier onderdrukkers met de heroïnehandel middels Turkse huisvaders in Nederland (Bovenkerk en Yesilgöz 1998). De bedreiging die uitgaat van de demografische opbouw in de Europa omringende islamitische landen, maar ook in bijvoorbeeld Kosovo (Huntington 1997). Aandacht voor het fundamentalisme van Milli Görüs (Braam en Ülgez 1997). En een recent aan de Tweede Kamer toegezonden BVD-rapport, waarblijkens "moslimorganisaties een hekel hebben aan de westerse samenleving en integratie in de weg staan". Kenmerkend voor de gesignaleerde problematiek is de reactie van de voorzitter van moskeeën in Nederland op de BVD, volgens wie "de BVD de weigering om te assimileren verwart met de onwil om te integreren. Wij investeren juist veel in (islamitisch/ av) onderwijs."

Het verzuilingsmodel

Hier raken we de quintessens van het minderhedenvraagstuk in Nederland. Anders dan in het omringende buitenland heeft men hier gemeend het aloude verzuilingsmodel, waarvolgens onderscheiden volksdelen in ons land in het verleden als groep werden geëmancipeerd, thans toe te passen op onder andere moslims. Deze 'imperia in imperio' (rijkjes in het rijk) zijn een ontoelaatbare aanslag op een nationale identiteit, een saamhorigheidsgevoel, dat onontbeerlijk is voor het functioneren van een samenleving. Slechts de bezetting door een vreemde mogendheid en de naoorlogse secularisering heeft een nieuwe godsdienstoorlog in Nederland voorkomen, zodat we nu baarlijk kunnen lachen over de moeilijkheden terzake van een oecumenisch Oranjehuwelijk, een familie die onze bevolking nochtans een oecumene met de islam door de strot wil duwen.
De liberalen (vrijzinnig christenen !), de sociaal-democraten (ook al niet ontkerstend) en de christen-democraten denken de nationale identiteit voldoende te kunnen waarborgen door het begrip 'natie' meer op het vlak van democratische en burgerschapsrechten te funderen, dan op dat van etnische of culturele overerving, vergelijk Wallace, professor aan de London School of Economics in het NRC-artikel "Op zoek naar een nieuw nationaal besef" (1998).

Burgerrechten voor wie ?

In ons land nestelen zich bevrijdingsbewegingen en religieuze fundamentalisten, die tot consternatie van nationale overheden en zelfs van enige islamitische landen (zie het BVD-rapport) hier hun acties voorbereiden en hier met heroïnehandel wapentuig verdienen. Maar onze staatkundigen menen deze mensen voldoende met ons te kunnen laten vereenzelvigen door burgerschapsrechten ! Welke eigenlijk ? Voor wie eigenlijk ? Nationalisten mogen in Nederland niet vergaderen, noch hun gedachtengoed uiten op straffe van verbod en celstraf. Milli Görüs mag wel met 40.000 man een militante bijeenkomst houden in de Arena, de Koerden mogen hun schaduwparlement houden, en de Albanezen mogen hier tegen Servië protesteren en wie wat van hun geboorte-explosie zegt, is 'racist'. Volgens het PvdA-rapport "Wisselwerking. Een visie op Interculturaliteit", geschreven door Van Thijn en Patijn, kan men "actief stimuleren dat mensen elkaars verscheidenheid leren begrijpen, aanvaarden en waarderen". Let op: elkaar beter leren kennen betekent hier verplicht beter waarderen ! Om dat af te dwingen wordt 'de ander' middels etnisch voorrangsbeleid voorgetrokken op maatschappelijke posities, iedere autochtone criticus met antidiscriminatie-geboden de mond gesnoerd en kwantitatief 'überfremdet' door een aanhoudend open gulle ontvangst voor nieuwkomers, het ruimhartig asielbeleid.
Volgens Wallace is het 'reactionaire nationalisme' een revanchistische reactie op de globalisering, waarvan immers iedereen die niet over de grenzen handelt, slachtoffer wordt in een toenemende economische tweedeling. Deze verdedigers van een open globalisering, kapitalisten én socialisten, gaan hier samen en miskennen de mogelijkheid, dat sommige culturele normen en waarden niet samengaan, zie ook Van der Zwan "Heeft het socialisme nog toekomst" in S&D (1996). Zij voeden daarmede de tendens dat de mensheid zich niet langer gelukkig voelend in haar eigenheid - zoals die soms cultureel, soms staatkundig tot uitdrukking komt, vervalt tot grenzenloos materialisme, hedonisme en sportocratie (sport als kapstok voor identiteit) als uitvluchten uit een ernstige identificatiecrisis.

De nationale stroming

Als gevolg van de verkiezingsnederlaag is binnen de nationale stroming hier en daar het besef doorgedrongen, dat deze niet alleen verklaard kan worden door externe factoren als de mediale en strafrechterlijke tegenwerking. Onbekwaam partijbestuur, het veelvoud van nationaalgezinde partijen dat aan de kiezer is aangeboden, funest nu juist voor de beeldvorming van een nationale beweging ! , en het gebrek aan een duidelijk uitgedragen ideologie zijn er tevens debet aan; zie artikel 'Partijpolitiek' in dit blad. Als antwoord op de hedendaagse problematiek zijn er binnen de nationaal gezinde stroming wel enige ideologisch verschillende accenten te vinden.
Er is een libertaire inbreng, die vooral oog heeft voor de financiële lastendruk ten gevolge van de migratie, er is een law-and-order benadering, een volksnationalistische en tenslotte een staats­nationalistische benadering. Je zou haast denken dat Nederlanders niet te verenigen zijn in één partij. Wie echter de partijliteratuur naast elkaar legt, wordt juist bevangen door de welhaast volstrekte eensgezindheid aangaande te nemen politieke maatregelen. De concretisering van de diverse ideologieën levert bijkans geen problemen op om te komen tot een gemeenschappelijk program van, zeg, tien punten.

De verschillen benadrukt

Laat ik nu toch eens inzoemen op de ideologische verschillen. Ten eerste worden deze gevoed door grote misverstanden over en weer; blijkbaar werkt de partite verkokering verblindend uit.
Met het staatsnationalisme (Vierling 1985) wordt geenszins gedoeld op een Jacobijnse traditie, maar op een gaullistische benadering, stoelend op een 'contrat social': een sterk centralistisch moreel gezag, dat een unificerend cultuurbeleid uitdraagt, samenvallend met een sterke uitvoerende macht, die evenwel periodiek door referenda naar huis kan worden gestuurd. Hierbij kan men denken aan het Rassemblement pour la République (RPR) in Frankrijk, waarvan de woordvoerders Balladur en Pasqua onlangs met een zeer strikt toelatingsbeleid en uitsluiting van buitenlanders uit de sociale zekerheid (la préférence nationale) een vergaande handreiking hebben gedaan aan Le Pen van het Front National. Het gaullisme staat een streng enkelzinnig assimilatiebeleid voor, iedere legale inwoner van een land moet er in beginsel de staatsburger van worden, maar pas nadat hij zich totaal met de nationale cultuur en de staatsrechtelijke structuur identificeert. Er is geen ruimte voor multiculturaliteit of dubbele nationaliteit. Cultuur en staatsburgerschap kunnen evenwel door ieder individu ongeacht etnische afkomst worden gedragen. Er is geen gevaar voor etnische zuiveringen, maar de staat stelt wel enge grenzen aan de organisatietitel van zijn burgers. Kemalisten (Turkije) gaan zover, dat elke organisatie op grond van godsdienst, etniciteit of sociale klasse wordt verboden of althans ondergeschikt wordt gemaakt aan de staat. De 'Diyanet', het staatsinstituut voor religieuze zaken, beheerst met een enorm budget alle moskeeën !
Met het volksnationalisme wordt volgens het beginselprogramma van de Volksnationalisten Nederland gedoeld op een 'organische' volkssamenleving, gekenmerkt door beweerdelijk eeuwenlang collectief onderbewuste, genetisch verankerde reactiepatronen. Deze 'organische' samenleving blijkt een 'standenmaatschapppij' op te leveren, een meritocratie, waarvan de daadwerkelijke ordening (bij ontstentenis van marktmechanisme ?/av) weliswaar op het subsidiariteitsbeginsel dient te berusten, maar wel zeer statisch is. Hoe voltrekt zich een opwaartse mobiliteit in een 'gildenmaatschappij' ? Bovendien houdt het volksnationalisme vast aan het 'eeuwenlang collectief onderbewuste' en is dus in wezen conservatief. Als een bevolking "eeuwenlang" in de ban is van bijvoorbeeld een theocratie zoals in Tibet, dan moet ze dat dus maar blijven ?
De 'law-and-order'-benadering van de OSL-Stichtingen met Stavast-hoofdredacteur Ego gaat uit van de maakbaarheid van de samenleving door juridisch repressieve middelen. 'Multae leges, mali mores' zeiden de Romeinen al. Als je veel wetten nodig hebt, is het met de zeden blijkbaar slecht gesteld. Ook bij overige nationale kringen zien we een neiging tot geloof in de heilzaamheid van hogere straffen (doodstraf !), een juridische aanpak van verslavingsproblemen, een veelwettelijkheid zonder 'glue of the nation'.
Tenslotte zien we bij de Janmaat-CD deze tendens merkwaardig genoeg gepaard gaan met een economisch libertarisme, een 'survival of the fittest'-ideologie, die deze partij sterk heeft vervreemd van haar achterban in de oude stadswijken, die dan ook vaak SP is gaan stemmen.

Krachten bij het ontstaan van de Nederlandse samenleving

Bovenstaande ideologieën waren niet de bouwstenen tot de vorming van de Nederlandse samenleving; dat zijn socialisme en liberalisme evenmin. De ontstaansgeschiedenis ervan wordt juist bepaald door een strijd tegen een centralistisch staatsgezag te weten de Spaanse Overheid, tegen een staatsdoctrine te weten het katholieke staatsgeloof, tegen een repressief strafrechtelijk instituut (inquisitie) en tegen volkseigen tradities zoals van christenbekeerders tegen germaanse mythologie. Wat overblijft is misschien de zorg over de afdracht van te veel belastingcenten: de tiende penning is inmiddels de zeventig-percentsheffing geworden, met allicht 100 miljard gulden voor de multicul op jaarbasis. Men leze hierover vooral het boek van Ernest Zahn (1989). De Nederlandse samenleving berust op verzuiling, een godsdienstige, later ook politieke souvereiniteit in eigen kring, het eigen gelijk veiliggesteld en beschut tegen anderen. De enige te betalen prijs is die ander zijn eigen tent te gunnen. Interreligieus of intercultureel debat wordt zodoende ontgaan.
De Nederlandse samenleving werd niet gevormd uit een volk, een natie, en was nooit onderhorig aan een eigen 'Obrigkeit'. De overheid mocht slechts uitvoeren wat de stadsregenten en kooplieden, later de zuilbestuurders onderling overeenkwamen. Dit samenlevingsmodel werkt nu fataal uit, omdat de nieuwgekomen culturen de structuur ervan beleven als een interne zwakte van onze samenleving, die zich dan ook niet weert tegen vreemde invloeden.

Nieuwe politieke theorievorming ?

Het is duidelijk dat een nieuwe ideologische theorievorming nodig is met betrekking tot de nieuwe vraagstukken van onze tijd. Hoe om te gaan met een internationaal werkende maffia zoals de Turkse en de Russische ? Hoe ons te redden in een geglobaliseerde economie ? Men kan niet én tegen de euro zijn én tegelijkertijd tegen de globalisering zijn, want Europa heeft hiertegen de euro juist hard nodig. Hoe om te gaan met een jeugd, die 'rootless' is opgevoed en opgeleid zonder geschiedenis of talenkennis, maar wel drugs consumeert ? Hoe om te gaan met virtuele globale communicatie ? Hoe om te gaan met internationale grondstoffen en energiemarkten en milieuvernietiging ? Deze problemen kun je niet oplossen met een regionalisme dat alleen nog maar bestaat in de hoofden van bestuurlijke theoretici.

drs Alfred Vierling


Geraadpleegde en aangehaalde literatuur:

Th. Rosier "Vrijheid van Meningsuiting en Discriminatie in Nederland en Amerika" proefschrift (1997)
B. Blokker "Voor de rechter ermee" in NRC Handelsblad 4 april 1998
F. Bovenkerk en Y. Yesilgöz "De Maffia van Turkije" (1998)
S. Huntington "The Clash of Civilizations" (1997)
S. Braam en M. Ülgez "De Grijze Wolven, een zoektocht naar extreem rechts" (1997)
W. Wallace "Op zoek naar een nieuw nationaal besef" in NRC handelsblad 20 juni 1998
E. van Thijn en S. Patijn "Wisselwerking. Een visie op Interculturaliteit" (1998)
A. van der Zwan "Heeft het socialisme nog toekomst" in S&D mei 1996
A. van der Zwan "Verlicht nationalisme als werkelijke uitdaging voor paars" in S&D januari 1997
A. Vierling "Centrumdemocratisch Beleid ter Bescherming van het Nederlands Staatsburgerschap" (1985)
Beginselprogramma der Volksnationalisten Nederland, juli 1997
E. Zahn "Rebellen, Regenten en Reformatoren" (1989)


NATIONALE CRISIS deel II door Marcel RÜTER

De Nationale Crisis; een reactie

Het deed mij deugd weer eens een artikel (Heemland 11 (1998)) van iemand van de oude garde te mogen lezen, die daarbij ook nog eens een verrassende visie inzake de nationaal-gezinde beweging neerschreef. Drs Alfred Vierling weet mijns inziens een groot aantal juiste snaren te raken voor wat betreft de verkiezingsnederlagen en de verdeeldheid binnen de nationale stroming, en zou hiermee de juiste aanzet kunnen geven tot interne discussies over welke weg men zou moeten bewandelen binnen de nationale stroming en over de wijze waarop. Toch zou ik hierbij ook enige opmerkingen willen plaatsen betreffende Vierlings artikel, daar waar naar mijn bescheiden mening een toch niet geheel juist oordeel dan wel juiste conclusies worden getrokken.

De nationale identiteit in gevaar

Onder de kop 'Het verzuilingsmodel' schrijft Vierling inzake de emancipering van onder andere moslims dat "Deze 'imperia in imperio' (rijkjes in het rijk) zijn een ontoelaatbare aanslag op een nationale identiteit, een saamhorigheidsgevoel, dat onontbeerlijk is voor het functioneren van een samenleving". Als ik het goed begrijp, staat hiertegenover een assimilatie ofwel verregaande integratie van onder andere moslims; maar als toch iets een 'ontoelaatbare aanslag' (Vierling/Heemland 11) op de nationale identiteit betekent, dan is dat wel assimilatie ofwel verregaande integratie van onder andere moslims. Tenzij Vierling, evenals zijn even verder genoemde liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten, de nationale identiteit voldoende denkt te kunnen waarborgen door het begrip 'natie' meer op het vlak van democratische en burgerschapsrechten te funderen dan op dat van etnische of culturele overerving. Daar waar onder andere moslims gaan assimileren in onze samenleving, zal elke vorm van saamhorigheidsgevoel of gemeenschap verdwijnen, daar er alsdan geen sprake meer kan zijn van etnische of culturele overerving en hiermee elke vorm van cohesie binnen zo'n samenleving verder wegkwijnt. De verwijzing verderop in zijn artikel naar de RPR in Frankrijk staaft mijn visie in deze dat ook de RPR een streng assimilatiebeleid voorstaat. Op welke wijze mogen wij ons voorstellen dat "onder andere moslims" (Vierling/Heemland 11) zich totaal met de nationale cultuur en de staatsrechtelijke structuur identificeren. Sterker nog, volgens Vierling, kunnen "Cultuur en staatsburgerschap ... evenwel door ieder individu ongeacht etnische afkomst worden gedragen". Alle Goden nog aan toe !!! Zien we hier niet één van de tendensen en doelstellingen van de globalisering. Cultuur, ongeacht etnische afkomst, zien we hier niet de homogenisering van de wereld, waar geen plaats meer is voor culturele eigenheid. De stelling dat door een ieder 'ongeacht etnische afkomst' eenzelfde cultuur met inbegrip van staatsburgerschap kan worden gedragen, is een ontkenning van culturele en nationale verschillen. Deze universalisatie van de cultuur betekent verlies van eigenheid en zal leiden tot sterven van die cultuur. Een verwijzing naar opkomst en verval van het Romeinse rijk (zie bijvoorbeeld Mommsen "The history of Rome") is hier op zijn plaats, tenzij Vierling ook de cyclische benadering van de historie afwijst en zich openbaart als aanhanger van het moderne Vooruitgangsgeloof en een lineaire visie voorstaat. 'De nivellerende invloed van het westers-liberale moderniseringsproces tast ook het eigen karakter van de natuurlijke en gebouwde omgeving aan' (Couwenberg/Civis Mundi, 4-98).

Ook Vierling's onderdeel betreffende de ' krachten bij het ontstaan van de Nederlandse samenleving' (Vierling/Heemland 11), behoeft naar mijn mening enig tegengas. Hoewel juist is te stellen dat nationalisme evenmin als socialisme of liberalisme, de bouwstenen van de Nederlandse samenleving zouden zijn geweest, kunnen we wel degelijk stellen dat de oorsprong van de Nederlandse samenleving; 'ligt in de premoderne culturen, in de vroeg-Europese culturen' (Couwenberg /Civis Mundi,4-98), in het voorchristelijke Europa. En ondanks het feit dat deze periode - en latere perioden - ook vormen van multiculturaliteit kende, werd deze periode gekenmerkt door een ontwikkelingsgeschiedenis van stadstaten en rijken welke, 'hoewel multi-etnisch, toch wel degelijk etnisch-hiërachisch waren' (Friedman "Transnationalization, Socio-political Disorder and Ethnification as Expression of Declining Global Hegemony") en 'dat zich ook manifesteerde in een pluralisme van rechtsbronnen. Voor verschillende bevolkingsgroepen golden verschillende rechtsstelsels' (Couwenberg/Civis Mundi, 4-98). De ontwikkelingsgeschiedenis van de premoderne, vroeg-Europese, voorchristelijke culturen tot de vorming van de Nederlandse samenleving is een organische ontwikkeling geweest; via het vroegmoderne Europa, waar de eenheid van de staat belichaamd werd in de vorst en de heersende religie waarop ook de legitimiteit van de macht steunde, tot de intrede van de natie-staat in de politieke geschiedenis. De bouwstenen liggen in het geheel van deze ontwikkelingsgeschiedenis en zeker niet speciaal door een strijd 'tegen volkseigen tradities zoals van christenbekeerders tegen germaanse mythologie' (Vierling/Heemland 11, Nationale crisis (1)).

Naar een nieuwe politiek vanuit het gemeenschapsdenken

In de huidige tijd waarin we geconfronteerd worden met de globalisering, onderdeel van het 'Verlichtingsdenken' en gesteund door liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten, is er naar mijn visie maar één antwoord mogelijk: 'gemeenschap'. Gelijk aan de gemeenschap staat de culturele verworteling, geen wortels zonder land, geen cultuur zonder wortels. Hetgeen ook betekent dat de identiteitsbeleving voor elk volk, voor elke cultuur geldt. Ook voor de moslims.
Het mondiale spel van de Vooruitgang heeft geleid tot postmodernisme, politiek correct denken, cultuurrelativisme, ondermijning van traditionele vormen van culturele transmissie, decadentie, enzovoort. Onze opdracht is niet het spel met de ons voorgehouden kaarten mee te spelen, maar de opzet van een nieuw kaartspel, daar het oude ineengestort is. Het betekent dat elke vorm van nationaal denken, identiteitsbeleving, cultuurbehoud, nationalisme, natuurbehoud, milieubescherming, biodiversiteit en herstel van het leefmilieu begint bij het gemeenschapsdenken en het gemeenschapsleven gebaseerd op culturele verworteling.
Het is dan ook van hieruit waar de nieuwe politieke theorievorming begint, en sinds het neerschrijven van zijn artikel heeft Vierling inmiddels persoonlijk en actief mogen meemaken dat die nieuwe politieke theorievorming al reeds in beweging is.

Een nieuwe politieke theorievorming:

die niet pessimistisch mag zijn, geen psychologisch funeste gedachte dat we machteloos zouden zijn;
die de vrijheid van meningsuiting maximaal moet benutten, voor het doorbreken van de zwijgspiraal die doorlopend tegen ons ingezet wordt;
die de dingen bij hun naam noemt, zich niet laat leiden door de ideologie van politieke correctheid;
die zich inzet voor het herstel van de politieke cultuur, voor cultuurherstel in het bijzonder;
die zich inzet voor de verdediging van ons gemeenschapsleven;
waarin diegenen zich organiseren die deze gedachten delen.
Bewust ben ik hier niet in details getreden daar dit - zoals Vierling's artikel ook bedoeld moet zijn - de ruimte laat voor verdere discussie en tevens een intensivering van een nieuwe politieke theorievorming moet opleveren.

J.P.M.Rüter



Korte tussenbalans in de discussie

Nadrukkelijk hebben wij als redactie naar aanleiding van het uitdagende artikel van Vierling in de vorige Heemland de lezers opgeroepen mee te discussiëren, waarvan bovenstaande reactie van Rüter de eerste is. We hopen dat anderen ook hun inbreng gaan leveren. Op Vierling met zijn onverbloemde voorliefde voor staatsnationaal politiek-juridisch denken is mede op ons verzoek bovenstaand weerwoord van de redacteur van SOS (Studie, Opbouw en Strijd) verschenen. Rüter staat in de traditie van de conservatieve stroming die hecht aan een politiek geënt op de cultureel gevormde gemeenschap in een ontwikkelingsproces van eeuwen met inbegrip van de etnische bepaaldheid die daar deel vanuit maakt. Ondanks hun verschillende uitgangspunten maken beiden zich zorgen om onze toekomst en willen ze werken aan een nieuwe politieke theorie, waarbij Vierling vraagstukken aanreikt en Rüter voorwaarden stelt.
Duidelijk is dat om nader tot elkaar te komen ten aanzien van de doelstellingen van een nationaalgezinde beweging in Nederland grondig overleg vereist is. Van de zijde van de redactie beklemtonen wij dat voor een ernstig antwoord op de hedendaagse maatschappelijke problemen aan het adres van het politieke establishment eveneens een sociaal-economische visie zeer gewenst wordt.

De redactie Heemland

NATIONALE CRISIS deel III door drs. Mart GIESSEN

De Nationale Crisis; Beschouwing der Discussie

Zoals U bekend is, wil het tijdschrift Heemland een partij-onafhankelijk forum bieden voor allen die de nederlandse identiteit, solidariteit en autonomie willen behouden en ontwikkelen. Ook U als lezer wordt uitgenodigd tot deelname aan dispuut en overleg. Uw schriftelijke inbreng of reactie wordt op prijs gesteld. Voor discussie stelt Heemland, als gespreksforum van nationaal-gezinden, ruimte in het tijdschrift ter beschikking.
Met name vraagt de redactie om bijdragen van lezerszijde in de discussie "Nationale crisis"; een discussie die bedoeld is om richting te geven aan een nieuwe politieke beweging in Nederland.

Verschillen in politieke theorie

In deze discussie is het voortouw genomen door Alfred Vierling, die een sterke nadruk legt op een morele aansturing door de Staat of een cultureel-pedagogische autoriteit zoals bij voorbeeld de Académie Française dat doet in lijn met rechtse Franse politieke opvattingen omtrent verregaande culturele assimilatie van immigranten, waarbij hij etnische afkomst slechts van secundair belang acht of zelfs irrelevant. Hij stelt dat door zo'n rigoreus beleid van unificatie aan de overheersende cultuur vanzelf de Europese waarden en normen ingeprent worden zodat ze gelijkgezinde loyale staatsburgers met eenendezelfde cultuur worden.
Marcel Rüter, op zijn beurt, is bevreesd voor dit politieke denken met sturing van bovenaf en wijst erop dat zo'n assimilatiepolitiek leidt tot het verlies van de nationaal-culturele verscheidenheid der europese volkeren en van hun interne saamhorigheidsgevoel op grond van gemeenschappelijk 'organisch' gegroeid etnisch erfgoed. Zo'n besef van gemeenschap op grond van collectieve identiteit zou erdoor verdwijnen, en juist dat besef is essentieel voor het gestalte geven aan een nieuwe politieke beweging die zich wil weren tegen vervlakking, ontworteling en globalisering.

De Staat als ijkpunt is onbruikbaar

Beide auteurs hebben gemeen dat ze hun politiek filosofische verkenningen impliciet of expliciet in de Europese context plaatsen, beseffend dat de mogelijkheden van nationale staten tot het voeren van een volledig zelfstandige politiek door sterke onderlinge economische, militaire en technische afhankelijkheid beperkt geworden zijn. Vanwege deze Europese context is het beroep op én de afkeer van de zelfstandige staat, vooral de Nederlandse Staat, wellicht niet zo zinnig.
Van de concrete Nederlandse Staat valt weinig positiefs te verwachten, noch voor Vierling noch voor Rüter; deze is namelijk buitengewoon verzuild, partijdig, burocratisch, verdoezelend en hautain onvaderlandslievend en atlantisch op een anglo-americanofiele wijze. Maar zelfs de Franse Staat met z'n sterke jacobijnse, cultuur-centralistische traditie heeft niet kunnen voorkomen dat de massa der Noord-Afrikanen in de banlieue van Parijs en andere grote steden allerminst verfranst is en thans in een soort permanente schemeroorlog verkeert met het Franse gezag, niks geen assimilatie, (de toestanden zijn er ernstiger dan in Amsterdam). En van de (supra)statelijke Europese Unie kennen we voornamelijk verkwisting, corruptie en burocratie vanuit haar instellingen.
Om de politieke filosofie voor een nieuwe beweging dannog grotendeels te baseren op theorievorming vanuit een sterke Staat, is - als we dit al zouden willen - onrealistisch. Het zal contraproductief zijn omdat uitgerekend de Staat van een andere intrinsieke mentaliteit en taakopvatting vervuld moet worden, wil het volk, de burgerij weer enig vertrouwen in de overheid kunnen terugkrijgen. Slechts een krachtige politieke verzetsbeweging kan verandering brengen in het denken van de elite over de Staat en tenslotte in het functioneren van de Staat en de elite zelf.

Hoe het verzet te mobiliseren ?

Om veranderingen in het bestel te bereiken is langdurige actiebereidheid vanuit de bevolking nodig; op z'n minst is een permanente verzetshouding noodzakelijkheid tegenover de schijndemocratische dictatuur die ons dagelijks leven thans zozeer bepaalt, terwijl de burger er geen wezenlijke invloed op kan uitoefenen. Te denken valt aan vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid zoals weigeren om rekening te rijden, om huurverhogingen, gemeentelijke belastingverhogingen en dergelijke te betalen. Tot nu toe is zulk spontaan verzet evenwel gestrand op onvoldoende massaliteit en organisatiekracht en bovenal solidariteit. Elke groep staat er steeds weer alleen voor; echte volksgemeenschapszin, waar nationalisten het graag over hebben, is ver te zoeken, als het nog bestaat.
Bij oplopende conflicten en toenemend verzet is de gevestigde orde bovendien uitstekend in staat gebleken de zaak te sussen door de leiders op te nemen in het eigen establishment of te breken door de groep te isoleren, weg te honen of te verdelen.
Ook van onderop, vanuit het 'volk' is er vooralsnog geen perspectief op veranderingen die vanzelf kunnen leiden tot een nieuwe nationaalgezinde politieke beweging die korte metten kan maken met het jarenlang veronachtzamen van de gemeenschapsbelangen. Vierling heeft wellicht gelijk met zijn scepsis terzake.

Is er dan niets mogelijk om ons volk wakker te schudden, het zich bewust te laten worden van de crisissituatie waarin het verkeert, het te doen beseffen dat het nog immer zelf over eigen omstandigheden mag beschikken, eigenwaarde en identiteit mag hebben, eigen baas in eigen land mag zijn en geen willoze speelbal hoeft te zijn van transnationale en buitenlandse machten, het samen te binden in de strijd voor bepaalde gemeenschappelijke doelen en idealen ? Om zodoende een nationaalgezinde, solidairdere inrichting van de samenleving tot stand te brengen ?
Persoonlijk denk ik dat deze opwekking kans van slagen heeft omdat zelfs de nederlandse gemeenschap uiteindelijk niet ontdaan is van gevoel voor eigenheid en saamhorigheid mits ze daar maar op geschikte wijze op aangesproken wordt.

Geen politieke theorie is alleenzaligmakend

Natuurlijk is daartoe een passende politieke filosofie, ideologie of zo men wil theorie als referentiekader buitengewoon wenselijk; vanuit zo'n filosofie kan men zich goed weren tegenover geheide politieke tegenstanders door houvast aan de eigen beginselen en een bruikbaar begrippenapparaat. Telkens weer heb ik er in gesprekken Alfred Vierling op gewezen dat het etnisch-culturele 'volks'nationalisme dit biedt en dat hij de aanhangers ervan hun leer niet steeds maar moet ontzeggen; het kwalijkste is dat hij hun dan tegelijk hun verweer tegen de aanvallen van politieke tegenstanders zou ontnemen, en dat doet de politieke correctuur van overheid en justitie ook al, zodat hij die daarmee in de kaart speelt. Terecht merkt Rüter op dat met dat kaartspel niet meegespeeld moet worden.
Vierling heeft daarop in "Lessen van de Balkan" zijn uniculturele samenlevingsmodel bijgesteld vooral ook vanwege praktische problemen voor zijn cultuurpolitiek door de massaliteit en culturele vasthoudendheid van de immigrantenpopulaties die assimilatie verhinderen, en tot de balkanisering in onze steden langs culturele en materiële lijnen leiden. Tegelijk erkent hij dat het Christendom toch voor velen van ons verweven is met onze cultuur, en wijst juist daarom de kerkelijke leiders tevens op hun schatplichtigheid jegens ons volk.

Het door Vierling bekritiseerde moderne etnisch-culturele nationalisme lijkt mij eerder te typeren als een erfnationalisme dan als een strikt genetisch of organisch bepaald nationalisme, dus met inbegrip van zekere staatse, economische factoren die de horigheid en ten leste de wil van onderdanen kunnen wijzigen.
Deze laatste factoren kunnen ook leiden tot het verdwijnen van hele volken met hun cultuur. Als voorbeeld is het oude nederlandse cultuurgebied aanzienlijk ingekrompen door verfransing en verduitsing; een verblijf in het verduitste graafschap Bentheim van enige weken kan ontnuchterend werken. Men leze de literatuur over nationalisme, met name de studies van Anthony Smith.

Niet iedereen zal een bepaalde politieke leer volledig verstaan en onderschrijven, maar dat behoeft geen beletsel te zijn om toch deel te nemen aan ons nationale overleg om te komen tot een nieuwe politieke beweging die de nationale crisis beschrijft, die onze nederlandse erfgemeenschap bedreigt en splijt, en die oplossingsmogelijkheden in kaart brengt.

Het bereiken van overeenstemming binnen de politieke praktijk

Die crisis is zo ernstig van aard en omvang dat daarbij politiek-theoretische scherpslijperij uit den boze is. Maar het politiek-filosofische dispuut is wel degelijk nodig om tot zekere eenstemmigheid te komen ten aanzien van de doelstellingen, zodat misverstanden beperkt blijven en later niet tot grote geschillen zullen leiden. Het gaat uiteindelijk om de politieke praktijk. De verschijnselen moeten daartoe helder beschreven worden. Ik zal hierna een paar punten noemen die veel aandacht vragen, zonder volledig te willen zijn. Zulke punten zouden in een werkprogramma of manifest opgenomen kunnen worden.
Niet alleen de schadelijke gevolgen van de crisis dienen bestreden te worden maar vooral ook de oorzaken dienen aangepakt te worden. Het kan niet zo zijn dat verkeerde voldongen feiten, omdat ze nu eenmaal gepasseerd zijn - nu tot de status quo behoren - , blijvend aanvaard behoeven te worden. Gevolgen én oorzaken vragen correctie.

Lang niet iedereen lijdt onder alle crisisverschijnselen in dezelfde mate, maar bezien moet worden in hoeverre er een grootste gemene deler is bij oplossingen hiervoor. Problemem voor deelgroepen kunnen zo ernstig zijn dat verregaande wederkerige inleving en solidariteit vereist is; te denken valt aan de criminaliteitsexplosie voor de een en de woonlastensexplosie voor de ander. Het programmatisch aanbieden van aantrekkelijke algemene veranderingen die voordelig uitpakken voor gedupeerde lagen van de bevolking: het wederzijds solidariseren van hen, zal kunnen leiden tot steun aan onze beweging.

Enkele aandachtspunten bij een politiek manifest

De overheid zal zodanig geherstructureerd moeten worden dat zij geen willig werktuig meer is voor persoonlijk eigenbelang en partijdig zuilenbelang, veel doorzichtiger wordt voor democratische controle voor geïnteresseerde burgers (ook voor leken op financieel gebied) en dat zij geen beslissingen meer kan nemen die grote groepen van de volksgemeenschap direct of indirect aanzienlijke schade toebrengen.
Referenda of volksraadplegingen moeten besluiten van de representatieve democratie welke immers een particratie of oligarchie geworden is, kunnen corrigeren.
De rechterlijke macht dient gedepolitiseerd te worden en jurisprudentie ter bevestiging van politieke correctheid dient uitgebannen. Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht worden weer strikt gescheiden, waarbij de wetgever zich van zijn verantwoordelijkheid voor uitvoering en rechtspraak bewust moet zijn en daarvoor aansprakelijk gesteld moet kunnen worden bij deraillerende wet- en regelgeving.
De economische afhankelijkheid van de kapitalistische krachten zal door een nieuwe orde zodanig beheerbaar gemaakt moeten worden dat de gehele bevolking hierover door middel van politiek bestuur zeggenschap en mogelijkheden van bijsturing verkrijgt.
Samenwerking binnen Europa in economisch, militair en technisch opzicht zijn randvoorwaarden bij wat mogelijk is, zeker voor een klein land als Nederland. Deze context mag niet veronachtzaamd worden op straffe van het maken van plannen buiten de werkelijkheid om. Wederkerige actieve steun van gelijkgezinde bewegingen in de landen van Europa is hierbij onontbeerlijk.
Van de bovenstaande aandachtspunten ben ik mij bewust dat die slechts verwoord en uitgedragen kunnen worden door de nationaalgezinde beweging zelf, of dat nu gebeurt vanuit een persburoo of een politieke partij, of vanuit welk orgaan dan ook is minder belangrijk. Voortdurend nationaal overleg is hiervoor noodzakelijk; parlementair kan misschien middels een wervende politieke groepering het beleid in de gewenste richting omgebogen worden. Van de gevestigde politiek hoeft op voorhand bar weinig medewerking verwacht te worden.

Samengevat staan we voor de opgave om een verbindende politiek-filosofische leidraad te formuleren, een politieke strategie of werkwijze te volgen en een programma van noodzakelijke veranderingen op te stellen.

Mart Giesen
Heemland
Postbus 58
2740 AB Waddinxveen
Heemland

Nut en noodzaak van een Nederlandse identiteit door H.J. SCHOO op Waterland, mei 2006.

H.J. Schoo is politiek columnist van de Volkskrant. Dit stuk is een bewerking van een lunchlezing over (inter)nationale identiteit en buitenlands beleid die hij op 16 februari jl. hield op het Ministerie van Buitenlandse Zaken.


Domineesverlichting
Identiteit is maar een glibberig begrip. De onvermijdelijke Huizinga vond dat al. Met ‘geestesmerk’, het woord dat hij voor identiteit meende te hebben gemunt – Abraham Kuyper bleek hem te zijn voorgegaan –, wilde hij ook zeggen ‘dat de hoedanigheid van een volksaard ten slotte met geen woorden te beschrijven is, dat men het merk moet proeven op de tong’ (1). Je herkent het meteen als je er tegenaan loopt, maar om het te omschrijven, te preciseren, te meten is iets heel anders. Volksaard, geestesmerk, nationaal karakter, natiebesef, identiteit – allemaal verwante, elkaar overlappende, maar vage, enigszins duistere en omstreden begrippen. De moderne sociale wetenschap heeft het er dan ook niet erg op: te geesteswetenschappelijk. In 1960 prepareerden de Amsterdamse psychologen Duijker en Frijda een trend report over nationaal karakter, waarin ze het concept als onbruikbaar van de hand wezen (2). De betekenis die ‘identiteit’ – niet helemaal hetzelfde als nationaal karakter – nu meestal heeft: onveranderlijke kern, onvervreemdbaar wezen, is bovendien uit de nevelen van de Romantiek tot ons gekomen, samen met ‘essentie’ en ‘authenticiteit’. Onze domineesverlichting moest al weinig van die zweverige Romantiek hebben: te Duits en duister.

Die domineesverlichting hield zich in de tweede helft van de achttiende eeuw niettemin intensief met vaderland en natie bezig, zoals de Amsterdamse historicus Van Sas laat zien in zijn recente synthese De metamorfose van Nederland (3). In een jarenlang debat kruisten orangisten en patriotten de degens over het karakter van de Nederlandse natie: de aanhangers van het oude, stadhouderlijke regime en de voorstanders van een gemoderniseerde staat op basis van burgerlijke vrijheden en van volkssoevereiniteit. Wie de volkssoevereiniteit omhelst, ontkomt er niet aan vast te stellen wat dat volk nu eigenlijk is, wat eigen en vreemd is, waar het vandaan komt en waar het heen gaat. Dat debat en de daarmee verbonden vaderlandscultus politiseerden de natie en gaven haar een prominente plaats in het bewustzijn van de burgerij. Zoals Van Sas schrijft: ‘In het complex van bindingen en loyaliteiten, het coördinatenstelsel van elk individu, kreeg de natie in de tweede helft van de achttiende eeuw een steeds hogere waarde, hoger vooral dan vorst en religie.’ En dan stad of streek, die in het voorafgaande coördinatenstelsel nog hoog reikten. Een algemeen-Nederlands besef, op zich niet nieuw, werd door debat en cultus verbreed en verdiept.

Van Sas’ subtiele behandeling van het Verlichtingsnationalisme maakt duidelijk hoe dit debat uiteindelijk tot vergaande overeenstemming leidde over de grondslagen van de moderne Nederlandse natiestaat – waarbij de triomferende patriotten uiteindelijk ook hun gezworen vijanden, de orangisten, toelieten tot de nieuwe nationale gemeenschap die in die lange politieke strijd vorm kreeg. Het kosmopolitisme dat het Franse Verlichtingsdenken kenmerkte werd gematigd door de nationalisatie van universele beginselen als het streven naar kennis, deugd en geluk. Maar de gedachte dat burgerschap tevens wereldburgerschap inhoudt, bleef daarbij overeind. Via de tussenstations van Bataafse Opstand en Franse Tijd kreeg de nieuwe consensusopvatting over de eenheid van land en volk tenslotte in 1815 ook een passende staatkundige gestalte door de aanvaarding van de Grondwet van het Verenigd Koninkrijk. De gewestelijke autonomie, kenmerkend voor de oude Republiek, was al in de Franse tijd ingeperkt, de gelijkheid voor de wet van alle burgers was toen ook al afgekondigd, ook voor katholieken en protestantse dissenters. Zelfs de joden werden, ondanks ‘Bataafse mythe’ en aarzelingen bij de ‘echte’ Bataven, in het nationale plaatje ingepast, zoals het onlangs nog is genoemd (4). De beginselen van de moderne rechtsstaat maakten een inclusief burgerschap en natiebesef mogelijk, waarin religieuze of lokale loyaliteiten geen allesoverheersende rol meer speelden. Na een lange periode van politisering verwierf de natie zo eigenlijk al rond 1800 een onomstreden, bovenpartijdige status.

Volgens Van Sas is dit ongedeelde natiebesef, dat continuïteit zocht en vond bij Middeleeuwen en Gouden Eeuw, nooit meer echt geweken. Zelfs het jarenlange touwtrekken over de Nederlandse identiteit, waarmee de emancipatiestrijd van de gereformeerde en katholieke volksdelen gepaard ging, ondermijnde de eenheid niet. Terwijl de liberalen politiek-maatschappelijk domineerden en zich opwierpen als de hoeders bij uitstek van de rond 1800 gevestigde nationale consensus, deden de gereformeerden, in een geest die zich tegen de Franse Revolutie en de idee van de volkssoevereiniteit keerde, een poging de natie een calvinistische signatuur te geven. Uiteindelijk namen zij genoegen met het isolement van hun soevereiniteit in eigen kring. Ook rooms-katholiek Nederland voegde zich op den duur in een nationaal regime van relatieve autonomie voor de onderscheiden volksdelen.

Verzuiling en identiteit
Op grondslag van de Pacificatie van 1917 kreeg de autonomie van de volksdelen tot in het absurde organisatorisch gestalte in de zuilen. Volgens sommigen maakte de verzuiling en haar ‘morele federalisme’, zoals Gertrude Himmelfarb het in ander, Amerikaans, verband heeft genoemd, een einde aan de een eeuw oude consensus over de natie (5). Maar Van Sas ziet geen noemenswaardige tegenstelling tussen de verzuiling en de verdere ontwikkeling van de Nederlandse natiestaat en een vaderlandse identiteit. Verzuiling en acceptatie van de natiestaat zijn bij hem twee zijden van dezelfde medaille. Van Sas’ positie verschilt hierin vrij radicaal van die van E.H. Kossmann. Onze enige echte public historian achtte de verzuiling als verschijnsel nauwelijks van belang en vond bovendien dat nationale identiteit niet veel meer was dan een ‘enorme kwal op het strand’ waar je het beste met een boog omheen kon lopen.

Niettemin betekende de verzuiling een verzwakking van de gevestigde liberaal-nationale consensus. Op grondslag van een vanzelfsprekende nationale identiteit met universalistische inslag koesterden de volksdelen hun particularistische groepsidentiteiten en loyaliteiten, ieder met hun eigen vaderlandse geschiedenis. Toen Huizinga midden jaren dertig Nederland’s geestesmerk schreef, deed hij dat in feite als vertegenwoordiger van de eertijds dominante, de staat en de buitenlandse politiek bestierende, conservatief-liberale, vanzelfsprekend christelijke en – dat hoorde er onvermijdelijk ook bij – orangistische burgerij. Zijn vaderlandsliefde was bovenpolitiek, pretendeerde dat tenminste te zijn. In de hogere burgerij zag hij de ruggengraat van de natie en de drager bij uitstek van Nederlandse waarden als burgerlijkheid, gematigdheid en openheid. De evenredige vertegenwoordiging, die tegelijk met het algemeen mannenkiesrecht in 1917 was ingevoerd, moest het bij hem genadeloos ontgelden. Dat stelsel bevorderde in zijn ogen hokjesgeest en een kleinzielige partijdigheid, ongeschikt om een Nederlandse volkseenheid te schragen, noodzakelijk om de dreiging uit het Oosten het hoofd te bieden.

Huizinga’s smeekbede richtte weinig uit. Voor de Tweede Wereldoorlog kwam de door hem gepropageerde nationale eenheid niet tot stand – hoewel zij een eind weegs vorderde met de geleidelijke incorporatie van de SDAP in het bestel. Tijdens de Bezetting kwam het er ook niet van en al evenmin na afloop van die nationale beproeving. Althans niet meteen. Want al hamerden vernieuwers van diverse snit nog zo op de noodzaak van nationale vernieuwing en eenheid, de doorbraak kwam er niet. De soevereine volksdelen zetten zich schrap tegen het opgeven van hun geprononceerde groepsidentiteiten en restaureerden het zuilenbewind. Ter illustratie van de confessionele afwijzing van een nationale identiteit roept Couwenberg een uitspraak van de naoorlogse ARP-leider Bruins Slot in herinnering: ‘Wat ons als Nederlanders bindt, is zuiver negatief van aard, te weten de erkenning van elkaar, ieder in zijn bijzondere eigen aard, en het vinden van een vorm van samenleving die alle ruimte laat voor het beleven van die verscheidenheid en dus afziet van iedere poging haar onder één nationale noemer te brengen’(6).

Verzorgingsstaatpatriottisme
De hernieuwde zuilenheerschappij zou tot midden, eind jaren zestig duren. Het corporatistische bestel ontfermde zich over de wederopbouw en voltooide de emancipatie van de volksdelen. Die inspanningen en de welvaartsgroei mondden uit in een volkseenheid die de georganiseerde solidariteit van een juweel van een verzorgingsstaat mogelijk maakte. Eind goed, al goed? Kwam na het intermezzo van de verzuiling een naadloze nationale identiteit tot stand, een nieuw vaderlands gevoel op grondslag van de verdelende rechtvaardigheid van de verzorgingsstaat? Regelmatig is gewezen op de nationalistische inslag van het ‘verzorgingsstaatpatriottisme’ en het ‘verzorgingsstaatsocialisme’ à la Den Uyl, bijvoorbeeld door J. L. Heldring. Maar toen in de jaren zestig de scheidslijnen tussen de volksdelen eindelijk grotendeels wegvielen, brak ‘het nationale’, zoals Huizinga het had genoemd, weer niet onbelemmerd en onbekommerd door. Integendeel, ‘het postnationale’ drong zich krachtig naar de voorgrond. In sommige opzichten leidde de terugkeer van een universalistisch kosmopolitisme zelfs tot scherpere breuklijnen – tussen elite en volk – binnen de Nederlandse natie dan die welke tijdens de verzuiling de volksdelen gescheiden hadden gehouden.

Op termijn werd de Tweede Wereldoorlog alsnog het grote omslagpunt. Hans Blom, de directeur van het NIOD, heeft de roerige jaren zestig een verlate en verhevigde reactie op de oorlog genoemd (7). De ‘zestigers’ verbonden radicale consequenties aan het vermeende falen van hun ouders, de oorlogsgeneratie. Nationaal gevoel, de natiestaat met zijn potentieel voor nationalistische wanen en uitwassen en altijd op zijn minst onder de oppervlakte sluimerend racisme, zouden toen onbeheersbare gevaren hebben gegenereerd. De natiestaat sluit buiten, is exclusief, daarom is ieder nationaal sentiment of een krachtige nationale identiteit ten diepste verwerpelijk. Hans Righart, historicus en sixties-adept, was een exponent van deze al snel heersende richting. Enerzijds ontkende hij het bestaan van een nationale identiteit – daarvoor had de verzuiling te veel verdeeldheid gezaaid. Anderzijds zag hij haar als een gevaar en bovendien als overbodig (8). Internationalisme en een Europese identiteit wenkten. Na de neergang van de zuilen, waaraan we collectieve identiteiten hadden ontleend, kon Nederland probleemloos opgaan in een verenigd Europa, dat op haar beurt een volgzaam filiaal zou worden van de internationale gemeenschap.

Zo volgde op de relativering van de nationale identiteit door de verzuilde elites haar afwijzing door een nieuwe, postverzuilde elite. In deze wending is desondanks moeiteloos historische continuïteit te ontwaren. De Nederlandse identiteit combineert nationale eigenaardigheden met een gooi naar het wereldburgerschap, fuseert particularisme met universalisme, het nationale met het bovennationale. Misschien is deze dubbelzinnigheid wel haar ‘wezen’ – en gaat het mis als het evenwicht tussen beide bestanddelen, particularisme en universalisme, verstoord raakt en een van beide gaat overheersen, zoals na 1970 gebeurde. De progressieve elite van ‘zestigers’ die toen de dienst ging uitmaken in Nederland, politiseerde de natie in negatieve zin met haar kosmopolitische vlucht naar voren en afkeer van het klootjesvolk. Anders dan de nieuwe elite hechtte dat wel waarde aan het vaderland – als intussen vanzelfsprekende cultuurnatie en als verzorgingsstaat. De historicus Joh. S. Wijne noemde de verzorgingsstaat het vaderland van de gewone man.

Ook het elitaire postnationalisme bevatte opvallende nationalistische elementen, deels afkomstig uit de liberaal-nationale traditie: de hovaardige gidslandgedachte, tolerantie en openheid als bijzondere nationale deugden, Nederlands morele voortreffelijkheid, onbaatzuchtigheid en opofferingsgezindheid. Daarbij voegden zich naadloos de ‘verworvenheden’ van de jaren zestig. De voorbeeldige verzorgingsstaat, een libertijnse moraal die we een ‘achterlijke’, vaak bekrompen geoordeelde wereld als superieur voorhielden, het afzweren van ieder conservatisme, de spectaculaire neergang van het georganiseerde christendom, ‘narco-chauvinisme’, het kampioenschap ontwikkelingshulp. Nee, geen nationale sentimenten alstublieft, maar bij de aanblik van al dit tafelzilver zwol toch ook de postnationale borst van nationale trots. Het brengt het woord van Peter Sloterdijk in herinnering dat ‘het kosmopolitisme het provincialisme van de verwenden is’.

In deze context passen ook het cultuurrelativisme en multiculturalisme van de babyboomgeneratie in de omgang met immigranten. Wie een nationale identiteit verwerpt, is haast wel verplicht om nieuwkomers hun gang te laten gaan. Hier geen laïcité en républicanisme, om immigranten mee in te burgeren, geen dwingende taalpolitiek of kordate Amerikanisering via de arbeidsmarkt. Wel een goedertieren, ‘waardevrije’ verzorgingsstaat, tolerantie grenzend aan onverschilligheid, en ¬– oudergewoonte – soevereiniteit in eigen kring. Maar misschien was de verborgen agenda wel dat immigranten als vanzelf zouden vallen voor de onweerstaanbare verleiding van onze nationale voortreffelijkheden.

De terugkeer van het nationale
Het afwijzen van een geprononceerde, gearticuleerde nationale identiteit door de postverzuilde elite heeft in het nieuwe millennium tot een dubbele politieke crisis geleid, met ingrijpende consequenties voor het Nederlandse zelfbeeld en internationale imago. Eerst het failliet van het multiculturalisme en de opkomst van het populisme, vervolgens een luidkeels ‘nee’ tegen de Europese Grondwet. Met enige kwade wil kan aan beide échecs als derde déconfiture worden toegevoegd de teloorgang van de vrijgevochten Nederlandse Sixties. Onze maniakale antiburgerlijkheid heeft geleid tot wijdverbreide onmin – ook in het buitenland – over onze publieke slonzigheid en een gebrek aan ‘normen en waarden’. De eerste twee kwesties hebben gemeen dat de elite op weg naar haar postnationale bestemming het voetvolk verloor. Had de natiestaat voor de nieuwe postnationale elite geen speciale betekenis meer, geen positieve lading, voor de ‘gewone man’ is hij juist het gekoesterde vaderland, vooral als verzorgingsstaat, maar ook als vanzelfsprekende cultuurnatie. Wie dat bedreigt moet op afkeer en afwijzing rekenen. Politiseerde in de achttiende eeuw de elite het vaderland, dezer jaren wordt die rol vervuld door ‘het gemene volk’. De Opstand der Burgers van 2002 en het afwijzen van de Europese Grondwet in 2005 wezen de postnationale identiteitsconceptie scherp terug.

Populisme, antimulticulturalisme en het wegstemmen van de Europese Grondwet maken een renaissance van het nationale en een nieuwe verhouding tot Europa en de rest van de wereld noodzakelijk. Immigratie, voortgaande Europese integratie, internationalisering en globalisering leidden niet tot de geleidelijke ‘opheffing’ van Nederland, maar vragen veeleer om de terugkeer van het nationale. Ook het ‘elitaire’ immigratie- en integratiedebat à la Paul Scheffer en de broeierige contemplatie op literaire en historische canons maken dit punt. Internationalisering en mondialisering vereisen een nieuwe balans tussen nationaal burgerschap en wereldburgerschap in de nationale identiteit. Een vergelijkbare paradox signaleert Van Sas gedurende het vierde kwart van de achttiende eeuw, toen de universele ambities van de Franse Verlichting Nederland tot een nationale interpretatie en verwerking ervan brachten.

Het is nu niet anders. De vaderlandse identiteit kan niet definitief naar de schroothoop van de geschiedenis, maar vergt een nieuwe plaatsbepaling en inhoud: wie zijn we, waar gaan we naartoe, waaraan moeten nieuwkomers zich aanpassen, hoe moeten wij ons voegen in een dynamische internationale omgeving? Het zijn eigenlijk dezelfde vragen die aan de orde waren in de vaderlandscultus aan het einde van de achttiende eeuw. Men kan veel zeggen over die tijd, maar niet dat de toenmalige elite haar taak niet ernstig nam. Van intellectuele verwaarlozing van de natie, zoals de afgelopen decennia, was geen sprake. Het huidige debat moest conceptueel praktisch bij nul beginnen en schreeuwde om nieuwe begrippen en woorden, besmet als ‘volk’, ‘natie’ en ‘vaderland’ nu eenmaal zijn geraakt. Van toenadering van postnationalisten en neonationalisten, zoals toentertijd van patriotten en orangisten, is vooralsnog geen sprake. Overigens geldt zulks niet alleen voor het kleine Nederland: het grote Amerika heeft er evengoed last van, getuige bijvoorbeeld Samuel Huntingtons even monumentale als geprangde Who are we? (9).

Een werkhypothese over onszelf
Nationale identiteit zal door het lopende debat niet als bij toverslag een ondubbelzinnig begrip worden. Het blijft even glibberig en ongrijpbaar als het was, het bestaat wel en niet – zie Huizinga. Die vaststelling roept een nieuwe vraag op. Als nationale identiteit zo ongrijpbaar is, kneedbaar, omstreden, open voor discussie – waarom moeten we er dan zo nodig een hebben? Wat heb je eraan als het helemaal niet onveranderlijk en onvervreemdbaar is en zijn beloften dus niet waarmaakt? Misschien hebben de ontkenners dan toch gelijk: begin er niet aan, we kunnen prima zonder. Je hebt niets aan zo’n tijdelijk, krakkemikkig onderkomen.

Daartegenover staat dat (nationale) identiteit psychologische en sociale doelen dient. Het begrip is een nuttig cognitief schema, een manier om complexiteit te reduceren en greep op de sociale werkelijkheid te krijgen. Zonder zulke schemata is de (sociale) werkelijkheid een empirische rijstebrijberg: oeverloos, contourloos, ongestructureerd. Bovendien sluit het identiteitsbegrip aan bij alledaagse ervaringen. Het ‘verklaart’, zeer nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, waarom wij, ondanks evidente onderlinge verschillen, verdacht veel op elkaar lijken. Zozeer zelfs dat we elkaar in den vreemde onmiddellijk als Nederlanders herkennen. Dat moet ergens door komen. De tegenkant is natuurlijk dat anderen ons ook meteen als Nederlanders herkennen. Identiteit markeert het verschil met de ander, zoals Carry van Bruggen schreef, collectief en individueel: ‘ik’ naast of tegenover de anderen; ‘wij’ naast ‘zij’. Zonder zulke begrenzingen is alles amorf.

Groepsidentiteit biedt ook een emotioneel tehuis, a sense of belonging. Dat benauwt vaak, maar helemaal zonder is ook weer erg schraal. Daarbij komt dat onze nationale identiteit – wat die ook moge inhouden – zo ongeveer de enige overgebleven collectieve identiteit is geworden. De andere verdwenen allemaal grotendeels met de ontzuiling. Verwant hieraan is de charme van historische continuïteit in het identiteitsbegrip, met alle psychologische voordelen van dien: het leven begint en eindigt niet met jou, of met ons. Je maakt deel uit van een groter geheel, een mars van lotgenoten en generaties. Verder is nationale identiteit pasmunt in het internationale verkeer, een handzaam label. Inderdaad: een merk, steunend op de beeldtaal van simpele, krachtige iconen. In het geval van Nederland: kaas, tulpen, molens, dijken, fietsen, bier, hasj, hoeren. Clichés die onze werkelijkheid meestal op genante wijze tekort doen, helaas. Maar wie er niet over beschikt, doet er een moord voor. De sociale waarneming gebruikt nu eenmaal simplistische representaties. Benauwend, maar onmisbaar. Zonder zulke symbolen ben je een nobody op het wereldtoneel, dat in toenemende mate een markt is, waar dan ook de wetten van de markt heersen.

Net als identiteiten zijn merken niet statisch: periodiek worden ze opgefrist, met nieuwe waarden geladen. Althans, tot op zekere hoogte. Wij construeren onze identiteit dan wel in een onderonsje zonder einde, maar we kunnen haar niet helemaal naar believen ‘projecteren’. Er zijn grenzen aan haar maakbaarheid. De Bataafse mythe hield stand totdat de moderne wetenschap haar ondermijnde. Het verzorgingsstaatpatriottisme stevent op haar uiterste houdbaarheidsdatum af. Maar ook anderen – de overgrote meerderheid van de wereldbevolking dus – gaan over ons zelfbeeld. Dat is daarom zowel een lamp als een spiegel, waarin ‘hun’ beeld van ‘ons’ wordt opgevangen – en opgenomen. ‘Wij’ zijn ook wat ‘zij’ in ons zien – en daar hebben we betrekkelijk weinig invloed op. Nationale identiteit is niet wat het pretendeert te zijn. Als zo’n wezen, essentie, harde kern, ‘merk’ echt bestond, dan zou het zich immers moeiteloos kenbaar maken en hoefde minister Verdonk niet bijna korzelig te zeggen dat we nu eindelijk eens moeten vaststellen wat onze identiteit is.

Identiteit is niet gegeven, maar een sociale, historisch bepaalde constructie, een werkhypothese over onszelf. Dat iets geconstrueerd is, mensenwerk, maakt het overigens niet gekunsteld – ook het sociale bestaat echt. Het houdt wel in dat we er steeds heftig over zullen discussiëren en strijden. Dat is ook wel gebleken. Identiteit is net als de geschiedenis zelf een discussie zonder einde, zoals de Utrechtse historicus Geyl zijn studieobject ooit typeerde. Onze achttiende-eeuwse voorzaten wisten dat al. Wij moesten er met vallen en opstaan weer achter komen.

H.J. Schoo

Noten
1. Huizinga, J., Nederland’s geestesmerk. Leiden, 1935.
2. Duijker, H.C.J. en N.H. Frijda, National character and national stereotypes: a trend report prepared for the international Union of scientific psychology. Amsterdam, 1960.
3. Van Sas, N.C.F., De metamorfose van Nederland – Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900. Amsterdam, 2004.
4. Woud, A. van der, De Bataafse hut. Denken over het oudste Nederland (1750-1850).
Amsterdam/Antwerpen, 1998; Stikkelorum, M., ‘De joodse gelijkberechtiging in de opkomende Nederlandse natiestaat: droom of werkelijkheid in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’, De Achttiende Eeuw 37 (2005) 2.
5. Himmelfarb, G., One Nation, Two Cultures. New York, 2001.
6. Couwenberg, S.W., ‘Ons multiculturele enthousiasme’, de Volkskrant 31.2.02.
7. Blom, J.C.H., Burgerlijk en beheerst: Over Nederland in de twintigste eeuw. Amsterdam, 1996.
8. Righart, H., Het einde van Nederland? Utrecht, 1992.
9. Huntington, S., Who Are We? New York, 2004.

HET RECHTSE PRINCIPE door Karlheinz WEISSMANN in TeKoS nr. 113

In het jaar 1988, kort voor de ineenstorting van het Oostblok, verscheen in de Büchergilde Gutenberg het boek Lexikon linker Leitfiguren. Naast de personen, die men met zekerheid kon verwachten – van Bebel tot Schumacher – werd vooral de intellectuele omgeving – van Brecht tot Arnold Zweig – in het overzicht mee opgenomen, en royaal was men vooral tegenover de martelaars - zoals Jezus Christus en Che Guevara – terwijl men in de opsomming van de klassiekers – Engels en Marx – met veel schuchterheid te werk ging. Natuurlijk ontbraken in dit overzicht Ceaucescu, Enver Hoxha en Stalin, maar van Lenin, Mao en Castro kon men géén afstand doen. De keuze laat zich natuurlijk verklaren door de plaats van publicatie, een uitgeverij van de vakbond zelf, en de eerder pedagogische dan wetenschappelijke bedoeling van de uitgever.

Kan u zich een gelijkaardig project voorstellen voor de andere kant van het politieke spectrum ? Een Lexikon van rechtse figuren dat reikt van Antigone over Bismarck, en van De Gaulle tot kardinaal Ratzinger, de lunatic fringe van Benn over Eliot, de broers Jünger tot Botho Strauss registreert, Edgar Jung en Stauffenberg als bloedgetuigen vernoemt, dat zelfs doordringt tot Barrès, Nietzsche, Sorel en Spengler, misschien Joris van Severen mee in het rijtje opneemt, maar consequent de behandeling van Franco, Mussolini of Hitler uit de weg gaat ? Bijna onmogelijk. En een verklaring voor de leemte is niet de ontbrekende morele of intellectuele waardigheid. Beslissend is veel meer een proces waarbij rechts als denkbare geestelijke of politieke positie verdwijnt.

Dit verdwijnen is vooral het gevolg van een “linkse mystiek” (1), die in Frankrijk reeds voor de Eerste Wereldoorlog tot het ineenstorten van alle politieke partijen leidde, die tot dan als openlijk rechts golden en zich van dan af aan in het beste geval nog als “centrum”, als “radicaal” of als “socialisten” durfden te uiten. Maar is dit onzichtbaar worden van rechts als een uitdoven te begrijpen, als een eindoverwinning van “eeuwig links” ? De formule “eeuwig links” heeft Ernst Nolte gekozen om de eigenaardige stabiliteit van linkse doelstellingen te omschrijven, die vanaf de stakingen van de pyramide-arbeiders en de kritiek op de maatschappij door de profeten van de Oude Testament onverminderd bleven voortduren. En het ging er steeds om, sociale gelijkheid in te voeren, gekoppeld aan de stelling dat de wereld – de natuurlijke zowel als die die de mensen hebben gecreëerd – zich in deze stelling onbegrensd laat voltooien.

Ernst Nolte vermeed het, “eeuwig links” tegenover “eeuwig rechts” te plaatsen, “eeuwig rechts” als vertegenwoordiger van de heersende klasse. De samenstelling van rechts heeft zich in de loop van de tijden zeer sterk gewijzigd, en met haar de rechtse wereldbeschouwingen en haar programma’s. Deze heterogeniteit leverde haar de roep op de partij van de ongelijkheid en het blinde conservatisme te zijn. Maar een snelle, oppervlakkige benadering toont ons reeds dat rechts niet de ongelijkheid als dusdanig heeft verdedigd, en dat zij niet achter élke ordening staat.

Het afwijzen van de centrale inhoud van de linkse ideologie is voor rechts misschien vooral en vooreerst een stijlvraag (2). Men ervaart gelijkheid als gelijkvormigheid, als uniformiteit en als esthetisch storend. De waardering van de hoffelijkheid, genuanceerde signalen van “Ueberordnung” en “Unterordnung” is in zoverre typisch rechts. En de voorkeur voor het op zich geslotene tegenover het diffuse staat hier maar in schijn in tegenspraak mee, omdat geslotenheid een Gestalt garandeert, die de enkeling ergens een plaats geeft, en tot deel van een geheel maakt, dat meer is dan de som van de onderdelen. Voor rechts is hiërarchie iets mooi en bijna een liturgische uitdrukking. Uit deze waarneming komt een sympathie voort voor authentieke volksculturen. Rechts ziet in de cultuur steeds een geheel van afkomst, heimat en specifieke uitdrukkingswijzen, voor links is de cultuur patchwork, waarvan men de elementen naar eigen wil en omwille van het leuke van de bontheid lustig kan omwisselen.

Het beklemtonen van de verschillen loopt verder in de neiging tot het concrete en grondvest de vreemdheid van rechts tegenover systematische wereldduidingen. Haar basis wantrouwt ideologen en beroept zich op ervaring en gezond mensenverstand. Reeds in de agrarische contrarevolutie van de Vendée, in de afkeer van arbeiders-in-hun-hemdsmouwen van het communisme en in het wantrouwen van de kleine burgerman voor wereldverbeteraars allerhande bevindt zich een opvatting van de realiteit, die superieur is aan die van veel opgeleiden. De beïnvloedbaarheid en de irriteerbaarheid van intellectuelen verwekt in de hoofden van vele rechtsen antipathie op en doet als paradoxale neiging ontstaan, dat men zich als “anti-intellectueel” laat doorgaan, wat niets men verachting van de geest heeft te maken, maar alles met een scherp bewustzijn van de grenzen van de ratio. Van de “antifilosofen” van de 18e eeuw tot de “antisociologen” van de 20e eeuw werkte rechts aan een tegen-Aufklärung, die opheldering moest brengen in de problematische gevolgen van de Aufklärung – en vooral dan van haar nihilistische tendens.


Rechts is dus niet principieel theorie-vijandig, maar ze benut theorieën als hulpmiddelen, en ziet ze niet als geloofssurrogaat. Daarom ook trok ze zoveel begaafdheden aan, die met de discipline van huis uit meegenomen, vooral te maken had met de verscheidenheid van de levensvormen, naast de geschiedenis en de godsdienstwetenschappen, volks- en volkerenkunde, germanistiek en filologie. Men zou deze stelling eigenlijk evengoed voor de psychologie kunnen volhouden, voor zover ze haar vaststellingen doet buiten de school van Freud. Al deze wetenschappen hebben niet alleen hun aandacht voor de fenomenen gemeen, maar ook de antropologische interesse. En tot de Leitmotive van rechts behoort ongetwijfeld ook het zoeken naar een correct mensbeeld.

Gebruikelijk wordt het onderscheid tussen het linkse en rechtse mensbeeld teruggebracht op de tegenstelling tussen optimisme en pessimisme, en inderdaad heeft links steeds de stelling blijven verdedigen dat de mens naar zijn wezen “vrij, gelijk, goed en gelukkig” is (Rousseau) en zou leven. Waar de omstandigheden die niet toelieten, moesten ze maar worden aangepast. De voor de hand liggende plausibiliteit van dit programma verklaart veel van de aantrekkingskracht van links, en haar neiging om haar utopische kern als handelingsaanduiding aan te geven, verklaart veel van haar mislukken. Daarom is links niet alleen gangmaker van democratisering, maar ook van totalitaire systemen. Het jacobinisme net als het sovjetcommunisme en alle mogelijke staatssocialistische modellen van de derde wereld vonden en vinden hun rechtvaardiging in de opvoedingsdictaturen. Ze zouden de weg voorbereiden van het nabije “Rijk van de vrijheid” en het ontstaan van een “nieuwe klasse” (Milovan Djilas), van een almachtige nomenklatura, werd vaak hierop teruggebracht dat het ideaal wegens ongunstige omstandigheden nog niet kon worden gerealiseerd. Tot dit zich zou hebben voltrokken, moesten enkelen – net als de varkens in Orwells Animal Farm – gelijker zijn dan de anderen.

Links vertoont de neiging het paradijs op deze wereld te willen brengen, wat het moeilijk maakt haar leidende ideeën anders dan in theologische begrippen te beschrijven (3). Daartegenover erkent rechts de “val”, zelfs daar waar ze zich van het geloof heeft afgewend en accepteert ze de noodzaak om te leven onder de gegeven omstandigheden. In een bepaalde zin kan het juiste leven maar bestaan in het valse. Links wil de “vervreemding” – ook dat is een oorspronkelijk religieus begrip – helemaal opheffen, terwijl rechts onderzoekt hoe een zinvol leven ondanks vervreemding te organiseren valt. Vat men “identiteit” op als tegenbegrip voor vervreemding, dan ziet links daarin een finale toestand, een bevrijding. De enkeling doorziet de bindingen, de relaties en bevrijdt zich ervan of neemt ze – in overeenstemming met zijn eigen wil – op, daarentegen beschouwt rechts identiteit als overeenstemming met zichzelf, die bereikt wordt door erkenning van datgene wat er aanspraak op kan maken: een autoriteit, een institutie, of uiteindelijk zelfs een lot of beschikking.

In deze erkenning is een behoefte naar eenduidigheid merkbaar, dat het decisionisme van rechts evengoed helpt verklaren als zijn wantrouwen tegenover het discours. De pathos van de beslissing en de scepsis tegenover debatten, die de beslissing voorbereiden, maar niet vervangen, vinden hun basis in de ervaring dat Het Grote Palaver regelmatig macht en verantwoording omsluiert, verbergt of ontbindt. Het aanwenden van macht is echter net zo onvermijdelijk als de aanvaarding van verantwoordelijkheid. En legitiem geweld behoort tot de kenmerken van elke goede orde. Het gebruik ervan staat niet in tegenspraak met de vrijheid van het individu, voorwaarde is wel dat vrijheid in een morele samenhang wordt begrepen.


Dat rechts tegenover het linkse “vrijheid waarvan” het “vrijheid waartoe” opstelt, kan men terugbrengen op de zorg voor de denkbare en waarschijnlijke gevolgen van een verkeerd begrepen vrijheidsbegrip, maar ook op de mening dat het verlenen van onbeperkte vrijheid niet passend is voor de mens. Onmenselijkheid is vanuit rechts perspectief het ultieme resultaat van de linkse ideologie. Egalitarisme hoort thuis in het rijk van de leugens en verstoort diep in de mens vastgelegde behoeften: de behoefte zich te onderscheiden van de rest, alsook de behoefte een zaak met fatsoen te dienen. Men kan rechtsgelijkheid religieus, filosofisch of pragmatisch onderbouwen maar elke poging om deze gelijkheid uit te breiden tot buiten deze gebieden, wordt geconfronteerd met het feit dat mensen op het gebied van de beslissende kwaliteiten – intellectueel, creatief en moreel – niet gelijk zijn. Links heeft steeds weer geprobeerd dit door herverdeling, opvoeding en therapie tegemoet te treden, zonder dat men de resultaten overtuigend kan noemen. Integendeel, ze waren meestal vernietigend. Als mensen hun verscheidenheid moeten handhaven tegen een dogmatische opvatting van gelijkheid in, wordt de ontplooiing van hun geestelijke en scheppende capaciteiten verstoord en zal de twijfel groeien aan een voldoende klare bepaling van goed en kwaad. In zoverre rechts gelooft dat de mens het best gedijt als hij overeenkomstig zijn mogelijkheden wordt behandeld, en verder aanneemt dat de mens moreel kan handelen, is zijn antropologie in de consequenties eigenlijk optimistischer dan die van links.

Volledige gelijkheid is er slechts in de dood. Ook als egalitaire ideologieën de schijn hooghouden van vitaliteit, dan nog treedt vroeg of laat hun levensvijandig karakter naar voor. Weliswaar werden de successen van “nieuw-links” in de jaren zestig van de vorige eeuw begeleid en mogelijk gemaakt door de “seksuele revolutie”, maar het zag er alleen op het eerste gezicht uit als een ontketenen van dionysische energie. In de loop van de tijd werd de vreugdeloosheid van de liederlijkheid duidelijk, én de bedenkelijke gevolgen van de vrouwenemancipatie, het schandaal van de massale abortussen, evengoed als de aporiën van de voortplantingstechnologie of de gevolgen van de enorme geboortedaling. Nog helemaal niet te overzien is wat de bevoordeling van de homoseksualiteit zal betekenen. Begeleid door de deconstructie van de geslachtelijkheid zal de antropologie van links hiermee haar laatste doel bereiken : de opheffing van elke antropologie in volkomen maakbaarheid van de mens, en dit verpakt als autonomie van de mens.

In de kern is links levensvijandig en het leven zelf is hét “conservatieve begrip in de hoogste, religieuze zin” (4) – een irriterende vaststelling als men in het conservatisme vooral nostalgie bemerkt en het vasthouden aan het bestaande. Zonder twijfel bestaat bij rechts een Sehnsucht, een diep verlangen naar het Gouden Tijdperk, wordt de smart over het verlies van het vertrouwde dieper gevoeld en bestaat een bijzondere eerbied voor het oude. Maar het aantal echte Archaiker is steeds klein geweest en een “antihistorische” – Julius Evola – positie kan men bijna niet volhouden. Ook een eerste conservatieve reflectie leidde tot het inzicht in de bepalende kracht van de verandering. Maar in elk geval neemt de verandering het bestaande, het oude in zich op en vormt het om. De gehele romantische beweging was begeesterd door de idee van “organische ontwikkeling”, waar noch de metafoor van het vegetatieve groeiproces, noch het later zo invloedrijk geworden naturalisme op de voorgrond kwamen, die de theorie van Darwin op de menselijke maatschappij toepaste. “Het wezen van het organische” schrijft Adam Müller, “is dat het zich tot in het oneindige organiseert”. Dit betekent dat het organische de samenhang van verschillende en verscheidene elementen waarborgt, die – als vanzelf – tot een eenheid “georganiseerd” worden.

Wij zijn er aan gewoon geworden organisatie te begrijpen als een stap naar voor, terwijl het hier als omvattende, maar juist niet “mechanische” eenheid wordt begrepen. De voorliefde van conservatieve theoretici voor de makroanthropos, de grote mens, als zinnebeeld voor volk of staat of kerk vindt in deze ideeën over organisatie evengoed haar wortels als de menigte van alternatieve, regionalistische of natuurbeschermingsbewegingen, die “ecologie” tot hun oriënteringspunt maakten in tijden dat het begrip ecologie nog niet eens bestond. Ecologie als links progressieve opvatting zien, is alleen dan mogelijk als men het behoud van het leven met sentimentaliteit verwisselt, en men terugdeinst voor de belangrijke conclusies. Dat ecologie moeilijk tot zeer moeilijk samengaat met zelfontwikkeling, dat beschaving van de soorten moeilijk kan worden beperkt tot bedreigde planten en dieren, werd door conservatieven steeds weer naar voor gebracht. En hier past het de naam van Herbert Gruhl te vernoemen, maar ook die van Konrad Lorenz (5). Lorenz liet zich niet afschrikken en duidde de eigenlijke ondermijning van elke organisatie aan als “decadentie”. Onder decadentie verstond hij als bioloog het “verstoren van de totaliteit van het systeem” en op het menselijk vlak toegepast, zag hij vooral in de afbraak van de traditie een oorzaak van deze storing. Het is verhelderend dat Lorenz het uitdrukkelijk had over de gevoeligheid, de kwetsbaarheid van de cultuur, een uitgangspunt dat typisch is voor rechts, terwijl links cultuur ten gronde voor vanzelfsprekend houdt en denkt haar draagkracht ongestraft verder te kunnen uitproberen. Lorenz hield het decadentieproces echter niet voor onvermijdelijk. En rechts neigt er slechts uitzonderlijk naar om de idee van een involutie aan te houden, de idee dus van een onvermijdelijke neergang, hoe sceptisch hij voor de rest ook staat tegenover het begrip “vooruitgang”. Normaal gezien heeft men te maken met de idee van een wisselend spel van opgang en verval, van een alternerend proces, waarin decadentie en hergeboorte elkaar opvolgen

Ter rechterzijde bestaat dus niet alleen de sterke drang om de traditie te verdedigen, maar ook een bijzondere interesse voor “cadmeïsche velden” (6), dit betekent voor situaties waarin nieuwe levensvatbare toestanden worden gecreëerd door helden, wonderlijke wezens, historische persoonlijkheden. Het perfect samenvallen van hun persoon met hun tijd en hun buitengewone bekwaamheid respecteert men, verder gelooft men niet dat ze vervangen kunnen worden of met de gewoon geldende maatstaven kunnen worden gemeten. In deze eerbied voor de “vormende” daad ontmoet de anders voor rechts typische voorkeur voor het bestaande en zijn instituties haar grenzen. Er zijn namelijk omstandigheden die men niet meer kan behouden, en instellingen die wel nog bestaan, maar niet meer in staat blijken hun nuttige opdracht te vervullen. Het eerste criterium voor levensnut is het vermogen duurzaamheid te creëren. Rechts heeft in zijn lange ontwikkelingsgeschiedenis totaal verscheidene reuzen - de kerk, kroon, de standen, het volk – als garantie van duurzaamheid bestempeld en eeuwigheidsaanspraken ingefluisterd, maar heeft in de grond nooit vergeten dat deze uitwendige Gestalten eindig zijn, en dat onder bepaalde voorwaarden een “conservatieve revolutie” noodzakelijk was.

Door de band genomen is het aantal denkbare politieke stellingnamen klein, in elk geval als men zich beperkt tot de ideaaltypes en de talloze varianten, de combinatiemogelijkheden en de extreme vormen buiten beschouwing laat, die links als rechts de neiging vertonen om de kerninhoud van de stellingname die men de zijne noemt, op te lossen. Men kan dit aflezen in de nationalistische en militaristische elementen in het stalinisme, net als in de egalitaire en progressieve elementen van het fascisme en het nationaalsocialisme. In zoverre het echter gaat om de vermelde kerninhoud, zijn de omtrekken relatief gemakkelijk te trekken. Voor rechts wordt deze kerninhoud het duidelijkst vertegenwoordigd door de conservatieven, voor zover men het conservatisme opvat zoals het hierboven is afgebakend.

Dit voorbehoud is noodzakelijk, omdat conservatisme niet alleen bestaat als politieke of wereldbeschouwelijke stellingname maar ook als “instelling tot de dingen” (7). In deze zin heeft het conservatisme de laatste jaren een conjunctuur beleefd, die echter ook een van de oorzaken is van de krachteloosheid van rechts. Een rol daarin speelde zeker de spontane regeneratie, maar belangrijker is dat diegenen die eergisteren nog op de barricaden stonden en luidop het opbreken van de bestaande orde eisten, vandaag goedgekleed rondlopen en het genot als een levenswaarde inschatten. Links als establishment gebruikt natuurlijk de mogelijkheden die het bezit van macht verschaft en bouwt gedragingen op, die vooral de burgerlijk ingestelde mens geruststellen. Het conservatisme voorstellen als een natuurlijk, vanzelfsprekend fenomeen, als gevolg van menselijke rijpheid, spreekt veel mensen aan, maar in dit geval gaat het niet om een verworven inzicht maar om een pseudomorfose. Het conservatieve wordt misbruikt als decor, en men is heel ver verwijderd van de erkenning van haar leidende gedachten; Dat wordt zeer duidelijk als het gaat om de beoordeling van crisissituaties of voorstellen tot verbetering.

In een toespraak van de dichter Rudolf Borchardt in het begin van de jaren dertig klinkt het zo : “De ganse wereld wordt verscheurend, vechtend conservatief, uit zelfverdediging, uit noodzaak om het eigen erf te verdedigen, vanuit de plicht tot iets of iemand…. De door elkaar geschudde elementen … weer in de hand van het nationale continuüm opvangen, elk in een andere richting, wijzelf op de moeilijkste weg, de omverwerping van de revolutie, van de genegeerde en negerende negatie…’. De belofte is niet in vervulling gegaan, het proces van de culturele afbraak, die Borchardt als zo pijnlijk ervoer, was nog lang niet beëindigd. Eerst nu komt die ontwikkeling tot haar einde. Dat geeft een aanduiding van de afmetingen van het gevaar, maar opent ook mogelijkheden. Ter voorbereiding mag de “zelfverdediging” vanuit het inzicht in de toestand en de vele bedreigingen, bepaalde diensten leveren, maar belangrijker is de bereidheid de moeilijkste taak aan te vatten, die van de “omverwerping van de omverwerping”.



Vertaling : Peter LOGGHE
Tekst uit SEZESSION
SEZESSION
redaktion@sezession.de

Noten :

(1) ROHDEN, P. R., Demokratie und Partei, Wenen, 1932
(2) MOSEBACH, M., Häresie der Formlosigkeit. Die römische Liturgie und ihr Feind, Wenen, 2002
(3) OAKESHOTT, M., Rationalismus in der Politik, Neuwied, 1966
(4) MANN, T., Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918, laatste heruitgave Frankfurt a.M., 2002
(5) LORENZ, K., Die acht Todsünden der zivilisierten Menschheit, laatste heruitgave, München, 2003
(6) FAHRNER, R., Arndt. Geistiges und politisches Verhalten, Stuttgart, 1937
(7) QUABBE, G., Tar a ri. Variationen über ein conservatives Thema, Berlin, 1927

Gemeenschap en maatschappij door Marcel RÜTER in TeKoS nr. 83/1996

In 1996 schreef ik een artikel voor het nederlandstalige conservatief-revolutionaire blad "TeKoS" geheten "Gemeenschap en maatschappij: De actualiteit van Tönnies aan de vooravond van het derde millennium".
Nu, in 2005, heeft dit artikel weinig aan visie ingeboet. Sterker nog, de actualiteit van Ferdinand Tönnies zou wel eens de toekomst van ons Europa en de diversiteit van de volkeren kunnen betekenen. Daarom is het niet verkeerd eens terug te grijpen naar een artikel dat bijna 10 jaar terug werd geschreven en mogelijk voor anderen een inspiratiebron kan betekenen.

TeKoS Nr.83/1996

Gemeenschap en maatschappij -
De actualiteit van Tönnies aan de vooravond van het derde millennium


Aan het eind van deze twintigste eeuw worden we voortdurend geconfronteerd met de door de liberalen opgeeiste overwinning op het socialisme. Een overwinning die wordt doorgetrokken door met Fukuyama van de daken te schreeuwen dat de volgende eeuw voor het liberalisme zou zijn. Het liberalisme zou het best denkbare (economische) model opleveren voor de democratische samenleving en na het liberalisme zou er geen serieus alternatief meer kunnen ontstaan. De liberale zegetocht met haar streven ‘naar een zo groot mogelijke vrijheid van het individu’ is er een vol egoïsme. Want wanneer een tegenstelling wordt opgelost (liberale democratie versus communisme) of overstegen, zal op een hoger plan diezelfde oplossing een nieuwe tegenstelling in zich dragen, en uiteindelijk opnieuw tot een conflict leiden. Het is dan ook de arrogantie ten top om te stellen, dat na het liberalisme geen leven meer mogelijk zou zijn. Zeker wanneer kort na of zelfs tijdens de zegetocht al blijkt dat het liberale individualisme en het materialisme niet meer democratie (wat de definitie daarvan ook moge zijn) heeft gebracht, maar slechts geleidt heeft tot plutocratie en teloorgang van de politiek. Privatisering en individualisering gaan hand in hand, want de privatisering moet meer verantwoordelijkheden bij de burger leggen, onder de noemer: ‘Meer verantwoordelijkheid, meer vrijheid’. Zo ook de moralisering, want dat is ook onderdeel van de verantwoordelijkheid. De burger wordt aldus zelf verantwoordelijk voor alle zorg die voorheen door de staat, de zorgstaat, werd voldaan en niet alleen voor alle zorg maar ook verantwoordelijk voor het mogelijke voortbestaan van deze wereld. De strijd om overleving die daaruit voortkomt is er een vol van egoïsme en afgunst, maar vooral van afkeer en onverschilligheid. Afkeer van en onverschilligheid tegenover dezelfde politiek die haar die zogenaamde vrijheid heeft gegeven, omdat die politiek met haar moraliserende vingertje zelf al haar moraal aan haar laars lapt. De voorbeelden van corruptie, oncapabele mensen, belastingontduiking of achterdeurpolitiek worden dagelijks aan ons voorgelegd en lijkt te hebben geleid tot een nieuwe regentenstand. Een samenleving waar slechts het economische leven van belang schijnt te zijn, een plutocratie. Het wordt steeds meer duidelijk dat talloze besluiten al buiten het politieke stelsel genomen zijn. Het politieke stelsel is niet langer meer het organiserend principe van de gemeenschap en is verworden tot tweederangs activiteit waar overigens nog geen 4% van de bevolking deel aan heeft en dan nog slechts door middel van een stem eens per vier jaar bij verkiezingen. De betrokkenheid van de overheid met de gemeenschap, de samenleving, is volkomen verdwenen. En in een samenleving waar een egoïstische strijd om (economische) overleving heerst, waar algemeen belang niet meer in de woordenlijst voorkomt, daar kan ook geen solidariteit meer bestaan. Maar daar waar solidariteit en algemeen belang niet meer vanzelfsprekend zijn, daar valt de fraaie inrichting van een samenleving volledig uiteen en kan men niet meer spreken van gemeenschapszin. En een volk zonder gemeenschapszin, is geen volk en heeft ook geen overlevingskans. Zie alhier het ware gezicht en streven van het liberalisme. Spenglers ‘Untergang des Abendlandes’ had niet voor niets de laatste fase van een beschaving omschreven als ‘ceasarisme’, een vorm van dictatuur als logisch eindstadium van een door rationaliteit en geldzucht vernietigde (traditionele) cultuur.
Het is hier waar de lang verzwegen en verborgen naam en visies van een Ferdinand Tönnies weer naar boven komen. De in 1855 geboren Duitse socioloogTönnies zette met zijn visie op de sociologie een nieuw tijdperk in. Zijn beroemde werk “Gemeinschaft und Gesellschaft” uit 1887 bracht een duidelijk onderscheidt tussen gemeenschap en maatschappij, destijds beschreven als de gemeenschap van de ‘oude’ wereld tegenover en vervangen door de industriële revolutie gevormde maatschappij van de ‘nieuwe’ wereld. Tönnies leert ons dat die zogenaamde ‘oude’ wereld eeuwige (organische) waarden omvat en nooit vervangen kan worden door de ‘nieuwe’ wereld zonder de logische voornoemde consequenties. Het fundament van het sociale bouwsel is de gemeenschap. In haar bestaan de verstandverhoudingen tussen de mensen onder elkaar. Zij beroept zich op bloedbanden en gemeenschappelijk leven, op gevoelsmatige overeenstemming en diepe solidariteit, de volksgemeenschap. Zij is onbewust en puur geestelijk en slechts bij bedreiging is men haar bewust. “Gemeenschap is het voortdurende en echte samenleven”. Zij is het “levende organisme” waarin de mensen “wezenlijk verbonden” blijven, ondanks alle (mogelijke) verdeling. Het verval van de gemeenschap en de zegetocht van de (individualistische) maatschappij, een mechanisch aggregaat, leiden naar een gevaarlijke crisis. Alle mogelijke solidariteitsgevoelens worden vernietigd, de overdreven geestesontwikkeling (rationaliteit) verzwakt de vitaliteit. Het overdoorgevoerde individualisme en het alles bepalende materialisme zijn de tekenen van een maatschappij in haar laatste fase.
In de door Tönnies neergezette antithese ‘gemeenschap en maatschappij’ is het niet moeilijk de overeenkomsten met het huidige maatschappelijke leven te zien. Het is danook niet verwonderlijk dat vanuit diverse ideologische hoeken verwoedde pogingen gedaan worden om onderdelen uit sociologische leer van Tönnies te halen en te gebruiken als dekmantel voor de diverse tekortkomingen in die ideologieën. Het liberalisme spant hierbij de kroon door via een verbond met het conservatisme, waaruit een ‘conservatief liberalisme’ dient te ontstaan, na de moralisering ook het solidariteitsprincipe naar binnen te willen halen. Dat het liberalisme zelf de schuldige is aan het ontbreken, en eerder het wegvallen, van een publieke moraal en solidariteit in de samenleving, door de individualisering, is natuurlijk voor de liberalen moeilijk te erkennen, maar maakt wel duidelijk dat de liberalistische, en dus individualistische, maatschappij niet samengaat met publieke moraal en solidariteit. Klassiek liberalisme, conservatief liberalisme of postmodern liberalisme, liberalisme gebaseerd op John Stuart Mill en Hayek of liberalisme met een vleugje conservatisme of een pragmatisch liberalisme zonder theorie, geen der liberalistische stromingen zijn in staat het tij te keren bij een vasthoudendheid aan het individualisme.
Concluderend kunnen we stellen dat de essentie van de actualiteit van Tönnies’ leer hem zit in de ontmanteling van het liberalisme, dat met zijn ‘zo groot mogelijke vrijheid voor het individu’ leidt tot afbraak van solidariteit en algemeen belang en daarmee leidt tot de afbraak van de gemeenschapszin, waarzonder het volk alszodanig geen overlevingskansen meer heeft. Reden genoeg voor enige aandacht.

J.P.M. Rüter

Slecht Nieuws voor het Multi-Culturalisme in Europa !

Het schijnt dat Europeanen eindelijk zich realiseren dat multi-culturalisme eenvoudig niet werkt. De BBC rapporteerde maandag 7 maart 2005 over een rapport van de Internationale Federatie van Helsinki voor de Rechten van de mens (IHF) dat de anti-moslimmeningen en -houding zich meer en meer verspreid over Europa (IHF Report "Intolerance and Discrimination Against Muslims in the EU - Developments Since September 11"). Van Franse wetten die het dragen van traditionele Islamitische hoofddoekjes verbieden en een opiniepeiling in Duitsland waaruit wordt afgeleidt dat 80% van de mensen de Islam met terrorisme en de onderdrukking van vrouwen associëren tot aan de houding en mening van de meerderheid van de Nederlanders t.o.v. de Islam naar aanleiding van de laffe moord op Theo van Gogh.
Natuurlijk is de Internationale Federatie van Helsinki voor Rechten van de mens (IHF) bezorgd en wenst de media te gebruiken om te proberen de tolerantie t.o.v. de Islam te bevorderen. Zal dat werkelijk de houding en de mening van het volk veranderen, welke gebaseerd is op dagelijkse ervaringen en voorvallen ?

De harde waarheid is dat multi-culturalisme eenvoudig niet werkt, en wij hoeven slechts maar te denken aan de dramatische gebeurtenissen op de Balkan of maar terug te blikken op de vroegere Sovjetunie om de tragische gevolgen van dergelijke experimenten te zien.
Een gezonder alternatief is wat Alain de Benoist omschrijft als "ethno-pluralisme". Net zoals multi-culturalisme, stelt het ethno-pluralisme de volledige diversiteit van culturen en ethniciteiten in de wereld voorop. Maar in tegenstelling tot multiculturalisme stelt het ethno-pluralisme dat ware diversiteit slechts mogelijk is in het licht van haar sociale en culturele context. Volkeren zijn immers geen louter optelsom van individuele atomen, maar gehelen die een eigen persoonlijkheid (ethnisch kader, moedertaal, cultuur) hebben, gekneed en gesmeed door de geschiedenis.
De Arabische cultuur kan slechts binnen de Arabische samenleving bloeien, zoals de Europese culturen slechts in de Europese samenleving kan bloeien. Dit is een groot verschil met het multi-culturele paradigma dat verscheidene culturen binnen een zelfde samenleving samen kunnen bloeien. De Arabische en Europese cultuur kunnen eenvoudig weg niet zij aan zij binnen de Europese samenleving bloeien en vice versa. De twee culturen hangen totaal verschillende waardesystemen aan; en vooral omdat de Arabische samenleving is gebaseerd op het Islamitische onderwijs terwijl de Europese samenleving grotendeels is gebaseerd op het Christelijke onderwijs. De twee culturen zijn eenvoudig niet compatibel, dat is de reden zij vaak met elkaar in oorlog zijn geweest (herinnert u zich iets wat men de Kruistochten noemde?). Een boek dat dit uitermate duidelijk maakt en praktisch overal verkrijgbaar is, is "Het Westen en de Islam - over globalisering en terrorisme" van Roger Scruton.
Het is te hopen voor Europa's toekomst dat met de uitzending van de BBC daadwerkelijk blijkt dat we als Europese volkeren een stap in de goede richting hebben gezet. Een NEE tegen de Europese grondwet zou een logisch vervolg moeten kunnen zijn. De tijd zal het ons leren.

Voor het BBC-artikel: http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/europe/4325225.stm
Voor het IHF-rapport: http://www.ihf-hr.org/documents/doc_summary.php?sec_id=3&d_id=4029

NAAR EEN NEDERLANDS PALEOCONSERVATISME - Een pleidooi voor een paleoconservatieve beweging in Nederland door Erik van GOOR

"Er bestaat volstrekt geen kans dat de gewone Amerikanen ooit de macht zullen heroveren voor een voldoende lange tijd om het tij te keren tegen het multiculturalisme, positieve rassendiscriminatie (...) De anti-Amerikanen in beide partijen hebben bovendien de Amerikaanse soevereiniteit vernietigd door hun verliefdheid op de economische en politieke globalisering. (...) Het feest is voorbij, het is tijd om het einde vast te stellen. De strijd voor de Amerikaanse toekomst daarentegen is pas begonnen. (...) De Amerikanen hebben nog vele opties, al is geen enkele daarvan een politieke. Sommigen zullen bij hun biertje zitten wenen, anderen zullen hun leven vergooien aan haat zoals de White Power-bewegingen. Maar enkelen zullen dapper genoeg zijn om de toekomst onder ogen te zien en te beseffen dat de Westerse mens dit allemaal al eens eerder meegemaakt heeft en erin geslaagd is om enkele kostbare dingen uit de ruïnes te redden."

Thomas Fleming in Chronicles, november 2001.

Met bovenstaand citaat van dr. Thomas Fleming eindigt Koenraad Elst zijn breedvoerige analyse van het Amerikaanse paleoconservatisme [1]. Dit paleoconservatisme is volgens Elst om meerdere redenen opmerkelijk. Het weerlegt volgens hem niet alleen het beeld van Amerikanen die niet denken, het problematiseert ook de verhouding tussen christendom en conservatisme en eveneens de verhouding tussen "klassiek liberaal" denken en conservatisme.

Het paleoconservatisme is echter om meerdere redenen - naast de door Koenraad Elst genoemde redenen - voor ons interessant. Juist in de bedding van het paleoconservatisme, en het aanverwante traditioneel conservatisme van bijvoorbeeld Russell Kirk en Claes G. Ryn, is de erfenis, en de daarin verscholen werkelijkheid, van het Oude Europa een levende werkelijkheid, meer nog dan bij ons in Europa. In Europa werd tijdens het Interbellum en tijdens de zogenaamde "omslag van de scheppende rede" [2] een duidelijke breuk geslagen in de Europese cultuur en traditie, onder meer door het trauma van de Eerste Wereldoorlog die een grote wond had veroorzaakt in de Europese ziel. Hierdoor konden denkstromingen als existentialisme en decisionisme diep doordringen in het gapende gat dat was ontstaan in de continuïteit van de Europese cultuur.

Het meest opmerkelijke is echter dat er in het citaat van de Amerikaanse paleoconservatief Thomas Fleming, een bezwaar wordt gemaakt tegen het "multiculturalisme". Voor veel Europeanen klinkt dit bezwaar bizar in de oren, evenals in de oren van vele "liberale" (progressieve) en neoconservatieve Amerikanen. Is een Amerikaan met Europese wortels niet het toonbeeld van multiculturalisme? En komt hij voort uit een hele zwik verschillende culturen, terwijl hij indringer is geweest in een autochtone Indiaanse beschaving? En is de Amerikaanse geest niet doordrenkt met Verlichtingsdenken dat zich uitte in denkcategorieën als ontwikkeling, vooruitgang en modernisering? [3]

Het is echter deze typering van de Amerikaanse cultuur geweest die niet zozeer aangaf wat de werkelijke cultuur van dit land was en wat de specifieke Amerikaanse cultuur oversteeg, maar die slechts liet zien hoezeer de intellectuele elite van zowel Amerika als van Europa zelf in Verlichtingstermen haar eigen beeld oplegde aan dit land, en daaraan de identiteit van Europa spiegelde. Deze houdgreep van liberalisme en Verlichting heeft lange tijd het werkelijke Amerika toegesloten en afgedekt en zelfs deels langzamerhand naar dit Verlichtingsbeeld toe getransformeerd. Want door zichzelf consequent twee eeuwen lang als liberaal te zien, werden ook antiliberale mensen na twee eeuwen vanzelf "liberaal"; wie zijn werkelijke wortels maar lang genoeg negeert en vergeet, raakt vanzelf los.

Het Amerikaanse paleoconservatisme, onder meer van de hierboven geciteerde Thomas Fleming, grijpt daarentegen consequent terug op prerevolutionaire en pre-Rousseauaanse opvattingen. Sinds de Verlichting, "Rousseau" en de Revolutie vatte in het Westen de opvatting post, als zou elke cultuur een toegesloten culturele en etnische eenheid zijn met separate gewoontes, religies en lichamelijke kenmerken. Wie consequent zo doorredeneert ziet dan vanzelf onoverbrugbare kloven tussen Europeaans en Indiaans of tussen "Brits" en "Duits". En onze tijd laat zien waar dit Verlichtingsdenken toe heeft geleid: tot een relativering van alles tot folkloristische eigenaardigheden en het grijpen naar "overstijgende" identiteiten die (direct) aan Verlichting en Modernisme zijn ontleend. Waar alles privaat is gemaakt, kan ieder zijn eigenaardigheid koesteren. Tenminste, zo lijkt het.

Het probleem is echter dat de Verlichte cultuur elke eigenaardigheid totaal vrij ziet van elke waarde en zich uiteindelijk zelfs ontwikkelt tot een systeem dat vijandig staat ten opzichte van elke specifieke culturele, religieuze en traditionele of etnische waarde. In onze tijd laten auteurs als Benjamin Barber en Paul Cliteur [4] zien dat het Verlichtingsdenken zich juist keert tegen elke vorm van relativisme door juist de "fundamentele Westerse (lees: Verlichte) waarden" als universeel en onopgeefbaar te zien. Tegenover islam en fundamentalisme stelt men geen relativisme, maar een universeel Westerse cultuur die weinig meer is dan een optelsom van een selectie van geschriften uit Klassieken, Humanisme, Verlichting en Modernisme.

Paleoconservatieven doorbreken deze schijntegenstelling. De werkelijke Clash of Civilizations is niet zozeer die tussen Islam en Westen, zoals de conservatieve "democratische" (!) Amerikaan Samuel Huntington enkele jaren geleden stelde in zijn gelijknamige bestseller [5], maar is een "clash" tussen een Westen dat zich als moderne, mondiale, liberale, globalistische en post-Verlichtingsbepaalde McWorld presenteert enerzijds en een Westen dat zich als continue Avondlandcultuur ziet anderzijds. Deze laatste "cultuur" ziet het universele waarin het Westen "superieur" zou zijn in iedere cultuur: van de Indiaanse tot de Taoïstische en van de Romeinse Republiek tot de Joodse cultuur. De Verlichting verbindt het universele aan abstracte waarden, het paleoconservatisme ziet het universele aanwezig in iedere concrete cultuur. In zijn The Morality of Everyday Life en Politics of the Human Nature verwijst Thomas Fleming daarom met even groot gemak naar Griekse bronnen als naar Indiaanse gebruiken [6].

De paleoconservatieve insteek is dezelfde als die van het Oude Europa die mensen niet zag als totaal verschillende etniciteiten waar een abstract substraat aan kon worden ontleend, maar daarentegen zag als universeel één in afkomst en natuur, maar fundamenteel verscheiden in cultuur en samenlevingsverband (bijv. volk). Zo zag Joseph de Maistre, in tegenstelling tot de Verlichtingsdenkers, weliswaar geen "de Mens", maar alleen Fransen, Duitsers en (zo had Montesqieu hem "geleerd") Perzen, maar "nog nooit had hij een mens ontmoet". Toch bestreed ook dezelfde De Maistre dezelfde Verlichtingsdenkers door te wijzen op de universele oorsprong en natuur van de mens zonder daar echter een natuurtoestand in te zien [7].


De voortzetting van het "Old Europe" in de VS

Deze denkwijze van het Oude Europa is dus in de periode rond Interbellum en WO II finaal afgebroken. Merkwaardigerwijs werd de cultuur van het Oude Europa echter wel voortgezet, maar dan wel in het zo ogenschijnlijke liberale Amerika. De wijze waarop dit gebeurde was nog niet meteen duidelijk, maar achteraf buitelen de voorbeelden van deze voortzetting over elkaar heen.

Zo ook de volgende gebeurtenis. De Duitse staatsrechtgeleerde Carl Joachim Friedrich aanvaardde in 1936 een benoeming aan de Harvard University als hoogleraar in dienst van de Department of Government. Tijdens deze periode deed hij een wel heel merkwaardige vondst: het belang van een politiek meesterwerk dat in de vergetelheid was geraakt: de Politica van de zeventiende-eeuwse Duitser Johannes Althusius. Friedrich verzorgde de nieuwe uitgave in het Latijn en schreef er een voorwoord voor. Of Friedrich er zich van bewust was dat zijn keuze zo afwijkend was, weten we niet; het gebeurde: Althusius werd herontdekt om tot op de dag van vandaag onderdeel te zijn van de Amerikaanse paleoconservatieve traditie.

Op het moment dat vele Europese staatsrechtgeleerden tijdens het Interbellum, men denke aan Carl Schmitt en Hans Kelsen, de staatsrechtsideeën van Thomas Hobbes herontdekten, kwam Friedrich met een opponent van Hobbes in aanraking: Althusius. Terwijl Hobbes een voluntaristische i.c. decisionistische politiek voorstond in het teken van macht, beheersing en – vooral – de soevereine eenheidsstaat, ging Althusius uit van totaal andere principes: denkend vanuit de familie en de verbanden die daaruit voortkomen, en geheel in de lijn met confederale opvattingen uit de Middeleeuwen en de Spaanse school van Salamanca, hanteerde Althusius de idee van de beperkte staat die gedragen werd door de basis van verbanden als familie, stad, kerk of gilde die in sommige gevallen zelfs het recht op secessie hadden - iets waar Hobbes van zou gruwen.

Terwijl de herontdekking van Hobbes doorwerkte in de machtspolitiek van Nazi-Duitsland, vond Friedrich de werkelijkheid van het Oude Duitsland - het Oude Europa - terug in de Verenigde Staten (afgezien van zijn interpretatie van Althusius, maar dit terzijde). Het was dan ook niet toevallig dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog Carl Joachim Friedrich naar Duitsland terughaalde om mee te werken aan de denazificering en de staatkundige opbouw van de Bondsrepubliek Duitsland – die ironischerwijs werd gemodelleerd naar “Amerikaans” model. Op gelijke wijze deden de ideeën van een bekende van Friedrich: Wilhelm Röpke, zijn uitwerking in de economische wederopbouw van West-Duitsland onder Ludwig Erhard en Konrad Adenauer. Deze laatste van de “klassieke” economen dacht op economisch vlak “confederaal”. Niet de techniek, de economie of de wetenschap stonden bij Röpke voorop, maar de mens, zijn gemeenschap, de kleinschalige levensverbanden, het geloof en de traditie

De verhalen van Carl Joachim Friedrich en Wilhelm Röpke staan niet op zichzelf. Amerika herbergde tijdens het Interbellum talloze gevluchte en geëmigreerde Europese denkers die protesteerden tegen het opkomende historicisme, existentialisme en decisionisme. Deze mensen raakten onder meer door de dreiging van het opkomende Nazisme in Duitsland en door de intellectuele en culturele malaise in Oostenrijk ten gevolge van de identiteitscrisis na het debacle van WO I en het uiteenvallen van de Donaumonarchie daarna, in de Verenigde Staten verzeild. Weer anderen bleven weliswaar in Europa, maar zagen na de Tweede Wereldoorlog hun leerlingen in de VS opstaan, en niet in het Oude Europa. Het is de ironie van de geschiedenis geweest dat het Oude Europa in de VS werd voortgezet. Hadden vele Europese intellectuelen, ook conservatieve, zich niet voortdurend denigrerend uitgelaten over dit liberale land? Zoals Johan Huizinga, Menno ter Braak, Groen van Prinsterer in Nederland. Maar ook Graf Hermann Keyserling en Martin Heidegger in Duitsland. De laatste sprak zelfs over het ontologische probleem Amerika.

Maar de namen en de bewijzen zijn dermate overvloedig dat er iets beschamends zit in het anti-Amerikanisme van genoemde lieden. Iemand die het bijvoorbeeld al op jonge leeftijd opnam tegen de hierboven genoemde Heidegger, Leo Strauss, raakte weliswaar volkomen vergeten in Europa, maar maakte school in de VS. Hetzelfde gold voor Eric Voegelin, of zelfs voor een Nicolai Hartmann die nota bene niet was gevlucht, maar toch de vergetelheid ingleed onder de stormram van het opkomende existentialisme, maar waarvan zijn drie-delige hoofdwerk over ethiek in een Engelse vertaling (nota bene van de Nederlandse dr. Andreas Kinneging!) opnieuw in Amerika is uitgegeven.

De lijst kan met talloze namen worden aangevuld: Wilhelm Röpke vluchtte naar Zwitserland en raakte via contacten rond de Oostenrijkse School (via de Mont Pelerin Society) en later met een blad als Modern Age blijvend bekend in de VS, terwijl hij vergeten raakte in Europa. Hetzelfde geldt voor de socioloog Helmut Schoeck, de dwarse politieke denker Erik Ritter von Kuehnelt Leddinh (via William Buckley van National Review), mannen als John Lukacs, Thomas Molnar (opvallenderwijze beide van Hongaarse oorsprong) en Jacques Barzun. Een theoloog als Emil Brunner die onder het theologische geweld van Karl Barth en Rudolf Bultmann, ondanks zijn gezonde politieke houding en zijn praktische insteek bij ons niet meer gelezen wordt, maar wel in de kringen rond het Amerikaanse Acton Intitute, net als oudere figuren als de Britse kardinaal John Henry Newman en de Nederlandse theoloog-staatsman Abraham Kuyper. Verder denken we aan de Franse conservatief-liberaal Alexis de Tocqueville en, niet te vergeten, Edmund Burke die vooral door de stichter van Modern Age, Russell Kirk, blijvend een voet aan de grond kreeg in het voorheen als liberaal gedoodverfde Amerika.

Neoconservatieve onwetendheid en een dubbele ironie

Tijdens de zogenaamde "Tweede Golfoorlog" pleegden neoconservatieven als Donald Rumsfeld en Dick Cheney zich wel eens denigrerend uit te laten over het "Old Europe". Daarmee bedoelden ze de houding van landen als Duitsland en Frankrijk die niet mee wilden gaan in het voortschrijdende inzicht inzake veiligheid en vrede op deze wereld. De ironie is echter juist dat het "Old Europe" gezocht moet worden in de Verenigde Staten zelf. In Europa heersen Hobbes, Kant en Rousseau – zoals politieke denkers als Robert Kagan en Arend Jan Boekestijn ons hebben aangetoond. En in de Verenigde Staten ook, bijvoorbeeld bij de neoconservatieven zelf, getuige de geschriften van onder meer Felix Morley, Robert D. Kaplan en Claes G. Ryn. Maar in tegenstelling met Europa is het in de Verenigde Staten geen Reinkultur van Verlichtingsdenken en (neo-)Jacobinisme. Naast de erfenis van Verlichting en Revolutie, is het ook de erfenis van het Old Europe, van Althusius, Montesqieu, Augustinus en Aquino, die is voortgezet in de Verenigde Staten zelf.

Maar de voortzetting van het “Old Europe” in de VS is niet de enige ironie die de geschiedenis in dezen kent. Even ironisch als de voortzetting van de ideeën van hen die Amerika verafschuwden in datzelfde land, is het verhaal rond het “succes” van deze “Oude Europeanen” in dit land. Dat veel Europeanen in de VS terechtkwamen is makkelijk te verklaren: door de opkomst van het Nazisme en de teloorgang van diverse Europese culturen, met name die van de Donaumonarchie. Maar minder bekend is de verklaring van het feit dat wetenschappers als Heinrich A. Rommen en Carl J. Friedrich zoveel weerklank hadden en hebben in dit “land van onbegrensde mogelijkheden”.

De komst van veel Europeanen in de VS viel samen met de New Deal van F.D. Roosevelt. Dit beleid van Roosevelt was er op gericht om alle Amerikanen erbij te laten horen. Ook alle groeperingen die tot dan toe in de periferie van de officiele Amerikaanse cultuur hadden geleefd. Deze hoofdstroom was tot dan toe te beschrijven als Wasp (White Anglo-Saxon Protestant), Episcopaals en “New England” i.c. “North-East”. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was deze hoofdstroomcultuur nog geheel op Europa gericht geweest. Sinds – en door – deze oorlog zou dat veranderen. De bonte mengeling van seculier-protestants democratisch messianisme (“to make the world safe for democracy” – Wilson) en kapitalisme bracht na het echec van doorgeslagen kapitalisme (de beurskrach in 1929) nog eenmaal een oude familie naar voren die met een schijn van klassiek vaderschap het land wilde transformeren: Franklin Delano Roosevelt. Zijn politiek van New Deal emancipeerde en mobiliseerde zowel Ieren als andere Rooms-katholieken, en verder mensen uit het Zuiden, het Westen en het Midden van de VS.

Met de New Deal zaagde Roosevelt echter aan de poten van zijn eigen stoel; het waren juist de door hem, van zichzelf bewust gemaakte, perifere groepen die vanaf dat moment de culturele hegemonie van de seculier-protestants liberale New England cultuur zouden doorbreken. De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. De geëmancipeerde grassrootsconservatieven uit de Heartland, die tot die tijd in het geheel zichzelf niet als “conservatieven” zagen, waren een dankbare voedingsbodem voor de opkomst van een beweging die de eigen wortels koesterde, en die later – na Joseph McCartey en Barry Goldwater - als “conservatief” kon worden benoemd. Tal van “leiders” kwamen boven drijven: William Buckley, Russell Kirk en de legendarische “Soutern Agrarian” Richard M. Weaver die door sommigen wel als de Amerikaanse Joseph de Maistre kan worden gekenschetst. Tegelijkertijd ontstond er een hernieuwde aandacht voor klassieke onderwijssystemen, die het tegen moderne ideeën van onder meer John Dewey op konden nemen, zoals het Middeleeuwse Trivium, in zelfstandige Colleges of Art en andere privé-instellingen.

De vraag is nu: is wat in de Verenigde Staten is gebeurd, ook mogelijk in Europa, en in ons geval: in Nederland? En als het mogelijk mocht zijn om zoiets in gang te zetten, zegt dat dan iets over het “succes”? Want ook in de Verenigde Staten was en is het Verlichtingsmodernisme de hoofdstroomcultuur, ook bij de neoconservatieven van Bush Jr. c.s. Sommigen zijn geneigd om de eerste vraag – en daarmee de tweede – te ontkennen. Volgens hen is de situatie in Amerika niet te vergelijken vanwege het minder geseculariseerde karakter van dit land, in vergelijking met Europa. Dit punt moge waar zijn, maar het kenmerkende van het paleoconservatisme is juist dat het weliswaar een sterke orthodox joods-christelijke pijler heeft, maar tegelijkertijd niet uitsluitend joods-christelijk is. Amerika laat ons ook zien dat christendom geen garantie is voor stevig conservatief denken; het zijn niet in de laatste plaats veel evangelicals [8] die de Verlichtingspolitiek van George W. Bush Jr. en de zijnen steunen!

De paleoconservatieve paradox

Het paradoxale dat in de oproep om een paleoconservatieve beweging in Nederland ligt, is echter dat het niet alleen en zelfs niet zozeer de spiegelfunctie van de Amerikaanse paleoconservatieven is die ons ten voorbeeld kan stellen - deze reden zou gemakkelijk weerlegd kunnen worden met een beroep op het verschil tussen beide landen, Nederland en de Verenigde Staten. Nee, het paradoxale is juist dat het niet zozeer het voorbeeld is dat ons verder kan helpen, maar dat het paleoconservatieve "denkraamwerk" wel eens de enige mogelijkheid zou kunnen zijn om het Europese i.c. Nederlandse klassieke en rechtse denken uit het slop te halen.

Meer nog dan in de Verenigde Staten zijn bij ons de klassieke kanalen verworden of afgevallen van hun taak: de Kerk, de Academie, de Elite, de Monarchie en de Opinieleiders. Veel oude stromingen als christendom en liberalisme zijn verworden tot zichzelf: loutere opeenhopingen van bijzondere uit elk verband gerukte samenraapsels zonder enige affiniteit met historische, constitutionele en natuurlijke fundamenten. Op elke denkstroming en op elk instituut zou een hyperkritiek op zichzelf van toepassing kunnen zijn: in hoeverre heeft het hyperchristelijke karakter van veel christelijke instelling niet juist de identiteit (christelijke identiteit) vernietigd? En vergelijkbare vragen zouden te stellen zijn in de richting van bijvoorbeeld een denkstroom als het liberalisme, of aan instellingen als bijvoorbeeld de monarchie, de politieke partij of aan de rechtsstaat.

Zonder de leerstellige zijde van bijvoorbeeld het christendom ook maar enigszins aan te willen vallen (integendeel), dienen we toch vast te stellen dat het christendom als historisch concrete manifestatie niet meer voldoet om als basis te dienen voor een restauratie van de oude orde. Juist het christendom is bezig met zichzelf af te rekenen, zoals Joop den Uyl eens scherpzinnig opmerkte [9]. Juist het christendom zelf is de grootste bedreiging voor zaken als het gezag van de Bijbel en van de dogma's van haar geloof.

Zoals gezegd, geldt wat voor het christendom geldt ook voor andere stromingen en geldt het zelfs voor de instellingen op bijvoorbeeld staatkundig vlak. Want is een denken dat bijvoorbeeld het democratisch stelstel - als algemeen aanvaarde common sense in onze cultuur - als verondersteld fundament hanteert nog wel in staat zichzelf te verstaan? Verklaart zo'n denken niet datgene wat los is gemaakt van ieder fundament tot fundament zelf? En leidt bijvoorbeeld een democratisch denken, zoals de Russische schrijver Berdjajev zegt, niet tot honger naar de aantallen, en degradeert het de waarheid niet naar een zaak van het getal? Alsof iets meer waar is als er meer mensen achter staan?

Wanneer iemand in staat is abstracte constructies zoals democratie als fundamenten voor zijn eigen denken op staatkundig en ander vlak te hanteren, dan is zo'n persoon niet zozeer een potentiële bondgenoot van iedere rechtgeaarde klassieke mens - want een fundamenteel denker - maar eerder een gevaar voor zichzelf en voor zijn omgeving. Wie zijn moraal laat afhangen van "de loterij van de stembus" (Jorge Luis Borges) heeft namelijk zelf geen moraal. En als iedereen zo denkt is er geen moraal meer, maar alleen een willekeurig proces dat mensen "moreel" in een bepaalde procesmatige richting duwt. Men denke hier aan bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld inzake de eugenetica.

Nu bevinden we ons in een cultuur waarin het geschetste gevaarlijke menstype de touwtjes in handen heeft. Zelfs de meeste traditionele, christelijke en klassieke mensen hebben in de wortel van hun denken een tik meegekregen. Zelfs als zo iemand op de meest rechtzinnige wijze verklaart dat hij of zij een christen (of een conservatief) is, dan nog beseft deze mens niet dat hij of zij totaal iets anders bedoelt: een verchristelijking (of conservering) van datgene dat zich juist van het christelijke (of pre-conservatieve) heeft losgemaakt.

Het paleoconservatieve alternatief

Als zoveel voor de hand liggende wegen falen en ons voortdurend teleurstellen, kunnen we dan stellen dat het paleoconservatisme ons wèl de verborgen, vergeten en verworpen wegen toont om ons in de huidige malaise staande te blijven? Reikt zij dan wel een gefundeerde, realistische en gerechtvaardigde (!) hoop aan om te kunnen blijven koesteren? Tot herstel van de oude orde? Wij menen van wel. De analyse die verder reikt dan de gegevenheden, en een methode die inzet buiten de gevestigde structuren (niet orde!) van partijen en academies om; met andere woorden: de insteek bij de puinhopen van een verwoeste en vermolmde cultuur, gepaard gaande met het aanvaarden van het verliezerschap zonder het karakter van strijdbaarheid te verliezen, maken dat het paleoconservatisme een spiegel voor ons is.

Juist de Amerikaanse tegenstelling paleoconservatief versus neoconservatief laat treffend een andere tegenstelling zien: die tussen het Oude en het Nieuwe Europa. Juist in deze tegenstelling zien we de verwordenheid van de Europese cultuur. De onverwoestbare cultuur van het Europa van voor 1914 [10] hebben wij verwoest en gedegenereerd tot iets weerzinwekkends. Tot een cultuur waarin we trots zijn op de vrijheid om met een opzichtige SUV onze wekelijkse boodschappen te doen en met een terreinwagen onze hond uit te laten, terwijl we in een handomdraai in staat zijn de eigen kinderen in de steek te laten voor een zoveelste "authentieke, echte liefde" opgedaan in een ranzige club. Een cultuur waarin we onze oudjes laten wegrotten en in staat zijn ons potentiële nageslacht te aborteren, maar ondertussen weg te zwijmelen bij de aankoop van een felbegeerd plasmascherm?

De vraag in hoeverre wij in Europa nog verbonden zijn met de wortels en de bodem van het Oude Europa wordt zichtbaar gemaakt in de Verenigde Staten van Amerika. Het weerzinwekkende neoconservatisme als perversie van de Westerse cultuur staat daar lijnrecht tegenover het echte leven: dat wat de paleoconservatieven koesteren. In het beeld van het neoconservatisme zien we wat wij worden als we doorgaan op dezelfde weg: managers en ambtenaren die jongens naar het slagveld sturen om "te sterven voor een goede zaak die ze niet begrijpen" terwijl onze kinderen "gelukkig" een andere "carrière" hebben "gekozen".

De Amerikaanse paleoconservatief stelt ons de vraag of wij nog wel vertrouwen op dat wat we zijn en dat wat we hebben: karakter, historie, cultuur, geloof, familie, gemeenschap en grond? Deze stelt ons de vraag in hoeverre wij nog ons vertrouwen stellen op de dingen die echt zijn, en niet op wankele bondgenoten van klassiek-liberale en neoconservatieve snit? De paleoconservatief bepaalt ons bij de vraag hoe vaak wij niet het initiatief uit handen hebben gegeven aan deze onbetrouwbare mensen, om daardoor een grondhouding te hebben aangeleerd van een "tweederangsburger" te zijn die een "minoriteitspositie" inneemt?

Het Amerikaanse paleoconservatisme kan worden beschouwd als het zichzelf opnieuw gedefinieerde conservatisme ten overstaan van een neoconservatieve hoofdstroom. Maar het is meer dan dat. Was de Old Right nog gefocust op het conserveren van oude waarden en het richten op een burgermansmoraal waarin kapitalisme, isolationisme en christendom belangrijke componenten waren, het Paleoconservatisme kan niet simpelweg worden gezien als een voortzetting van deze Old Right. De voortschrijdende tijd heeft het problematische karakter van veel zaken doen laten zien. Kapitalisme, christendom en burgerlijke moraal bleken niet bestand tegen de vloedgolven van de Nieuwe Tijd. Zelfs kan en moet worden gesteld dat genoemde zaken wel eens mede de oorzaak zijn geweest van de grote culturele, sociaal-economische en religieuze malaise waarin onze Westerse cultuur zich bevindt.

Cultuur

De middelen om zich te verweren tegen de culturele hoofdstroom van liberalisme, globalisme en moreel relativisme zijn uitermate schaars. Niet alleen in de Verenigde Staten zijn de academies toegesloten voor rechtse, conservatieve en "paleo" krachten, ook in landen als Groot-Brittannië is dat het geval. Illustratief is de emigratie van de Engelse conservatief Roger Scruton naar Virginia om daar boer te worden en die van Theodor Dalrymple naar het platteland van Frankrijk "omdat daar alles twintig jaar later gebeurt". In diens America the Virtuous pleit de amerikaans-Zweedse (Rooms-katholieke) traditioneel-conservatieve Claes G. Ryn dan ook niet voor niets voor aandacht voor deze zwakke plek van het conservatisme. De geschiedenis leert volgens hem dat cultuur niet en niet uitsluitend door grassroots kan worden gedragen; instituties zijn van levensbelang.

Daarmee denigreert Claes G. Ryn niet deze grassroots. Deze vormen de preconditie om tot sterke instituties te komen. Familie, grond (property), buurt, wapenbezit, gemeenschap, werk en geloof zijn noodzakelijke voorwaarden om tot gezonde, krachtige en sterke zelfredzame gemeenschapsmensen te komen. Maar al deze sterke en goede zaken zijn ontoereikend om zichzelf in stand te houden. Zonder instituties als "Recht", "Academie", "Elite", "Kerk" en "Huwelijk" vallen alle goede zaken ten prooi aan de ongebreidelde zelfzucht van mensen die juist door neoconservatieven en klassiek-liberalen de motor is van hun denken en hun maatschappijvisie.

Nu kan de traditionele Amerikaanse conservatief Claes G. Ryn kan dan wel pleiten voor een herovering van de universiteiten omdat een cultuur van grassrootsconservatism zich nooit kan handhaven zonder de academie; maar zie er maar eens tussen te komen. Niet alleen is de academie toegesloten, ook de inhoud van de wetenschap is verschoven. Niet meer bepaalt de houding van onderdanigheid aan Traditie en Wijsheid en de dienstbaarheid aan land, volk, geloof en zeden haar houding. Daarvoor in de plaats is er een abstract, onpersoonlijk door management en sciëntisme bepaalde houding die de moderne wetenschap beheerst. Zij het hoogstens aangevuld met een kleine tot fikse dosis engagement of spirituele bevlogenheid. De houding van onbevooroordeeldheid, maakbaarheid en falsificeerbaarheid heeft de wetenschap tot op het bot vervreemd van het paleoconservatieve ideaal.

Dit ideaal is namelijk geen ideaal in de moderne zin des woords, maar is een nastreven van de werkelijkheid zoals die is, in de kennis dat we deze werkelijkheid toegesloten hebben. Altijd hanteert de paleoconservatief het "primum vivere, deinde philosophari" - "eerst het leven, dan de filosofie" [11]. De paleoconservatief hanteert dit adagium zowel inzake de wetenschap, de theologie als de politiek. Gewoonte, traditie, common sense en common beliefs hebben het primaat. Alles wat daarbij komt, zoals bijvoorbeeld wetenschap en cultuur, is begrensd en heeft slechts een beperkte waarde: ter versterking van het reeds bestaande en nooit (!) ter maakbaarheid van een betere samenleving.

Wie neoconservatief of klassiek-liberaal is, is al gauw een witte raaf op de academie - men denke aan hoogleraren als Afshin Ellian en Paul Cliteur - maar ook deze witte raven blijken al snel tegenstanders te zijn van elke rechtgeaarde paleoconservatief. Claes G. Ryn zei over de vergelijkbare Amerikaanse situatie dat op een liberale universiteit een neoconservatieve professor al gauw een hoopvol conservatief geluid lijkt te vertolken, maar wie beter luistert, hoort niet zozeer een conservatief geluid dat terug wil keren naar de orde, maar een geluid dat de zogenaamde verworvenheden van de Verlichting wil verdedigen tegen postmodern relativisme en contraproductief traditionalisme. Slechts op de kleine, zelfstandige, vaak private onderwijsinstellingen bestaat in de VS de kans een werkelijk conservatief geluid op te vangen.

De situatie in Nederland

In een land als Nederland is, zoals gezegd, de situatie nog minder rooskleurig dan in de Verenigde Staten. Het complex van MPP (Monarchie en Politieke Partijen), Wetenschap en Cultuur, Economie en Media is een groot amalgaam van verdediging van de sociaal-democratische verwerking van de Verlichtingserfenis met onder de postmoderne façade een harde libertijnse ondergrond. Wie goed naar Hirsi Ali, minister Verdonk en Frits Bolkestein luistert, proeft de mix van humanisme en Verlichting met in het "gunstigste" geval nog zoiets als een "Klassieke" component, zoals bij Frits Bolkestein [12].

De sociaal-economische instellingen worden bepaald door het product van het onderwijs van de afgelopen decennia. Dit onderwijs heeft op grote schaal een "managerial" type mensen [13] - procesdenkers - afgeleverd die vervreemd opereren van product, bedrijf, medewerkers, vestigingsplaats en sociaal-cultureel-religieuze context. Hier doemt onontkoombaar het beeld op van de moderne onderwijsinstellingen als ontwortelingsfabrieken in onze cultuur.

Het moderne onderwijssysteem stimuleert een gespletenheid in de mensen tussen publiek en privé, tussen markt en privé en tussen instrumenteel denken en opereren enerzijds en anderzijds de bewogenheid i.c. het engagement dat zich uit in giften aan rampgebieden, verantwoord ondernemerschap en dergelijke. Dit dualisme is de erfenis van de moderniteit (o.m. Hegel), en het is dit dualisme dat elke vorm van "neo-denken" - hetzij neoconservatief, hetzij neo-orthodox - zo ongrijpbaar maakt. De hoop, de moraal en de perspectieven "functioneren" wel, in die zin dat ze worden uitgesproken en dat er iets mee gedaan wordt, maar het is niet per definitie (!) op "concrete" situaties gebaseerd c.q. vastgeklonken met deze concrete situaties.

Politiek kan deze ongefundeerde hoopvolle wijze van overleven gestalte krijgen in een partijpolitieke vorm, religieus kan het vorm krijgen in een geloofsgemeenschap of kerkformatie. Het ongrijpbare "neo"-denken vereenzelvigt de werkelijkheid met de overlevingsconstructies die het mogelijk maken op de been te blijven in een postrevolutionair en post-Verlichtingstijdperk. Aan deze mensen heb je iets zolang het gaat om theoretische of academische discussies over persoonlijk aangehangen en doorleefde waarden, maar in een oorlog - of culture-war zoals in de VS - heb je niets aan deze neo's: men staat pal voor eigen onderwerping en is flink het erop uit sturen van troepen naar Afghanistan of Irak, maar de juwelier die met zijn eigen wapen een roofovervaller neerschiet, wordt door hen zonder pardon aan het kruishout genageld: het "recht" moet immers zegevieren.

Religie

Koenraad Elst slaat de spijker op de kop wanneer hij bij de paleoconservatieven constateert dat deze de mythe van de Evangelical Movement doorprikken als een religieus fenomeen dat doorspekt is met entertainment en poppsychologie, maar ondertussen een knieval maakt voor links; Koenraad Elst: "de Christian Coalition loopt braaf in de linkse pas inzake de talloze controverses over immigratie, sociale zekerheid, ras en multicultuur" [14]. Sommige paleoconservatieven, zoals Joe Sobran en Thomas Fleming zijn daarom overgestapt naar het Rooms-katholieke kerk, om binnen deze kerk te pleiten voor de Latijnse mis, de Traditie en de lex naturalis, anderen gaan verder terug in de traditie en worden Oosters-orthodox. Nog weer anderen, zoals Samuel Francis, plaatsen vraagtekens bij het christendom zelf, door te stellen dat het christendom eeuwenlang de westerse samenleving geschraagd heeft, maar dat het in de twintigste eeuw een factor van ontbinding en afbraak geworden is, dat bij Europeanen alle zelfrespect en zelfverdediging afkeurt [15].

De onderhuidse ontwikkelingen in de Verenigde Staten om tegen de stroom van mega-churches en charismatisch christendom zich opnieuw te oriënteren op oude liturgieën, Oosterse Orthodoxie en (binnen de Southern Baptists) op het Calvinisme, mag opmerkelijk genoemd worden. Met name de paleoconservatieve houding van mensen als Fleming en Sobran doorkruist de algemene opvatting dat christenen slechts zouden moeten kijken of de boodschap in de kerk overeen komt met die in de Bijbel en door eigen geloof en ervaring bevestigt wordt. De paleoconservatieve gelovigen laten zien dat het oude christendom niet "los verkrijgbaar" is, maar een organische samenhang van leven, traditie, gemeenschap, historie en geloof en openbaring. En waar men in Europa haast alle "staats-" en "landskerken" heeft ontmanteld, zijn er in de Verenigde Staten dus christenen die ingaan tegen de eigen zogenaamde traditie van "free churches".

De kritiek van diverse paleoconservatieven snijdt pijnlijk diep in het vlees van het Europese christendom dat nog verwordener is dan het Amerikaanse. Kun je in de Verenigde Staten nog binnen een Rooms-katholieke Kerk pleiten voor terugkeer naar de Traditie en kun je in dat land nog lid worden van een vitale Oosters-orthodoxe kerk, in Europa - en met name in Nederland - zijn deze keuzemogelijkheden totaal afwezig. De Oosterse orthodoxie stelt weinig tot niets voor, en de grote kerken, Rooms-katholiek en protestants, zijn verworden tot ontmoetingsplaatsen van losgeslagen vrouwen, homoseksuelen en allochtonen, met hier en daar wat eilandjes van wereldvreemde spiritualisten die vol bewogenheid omzien naar asielzoekers en andere verschoppelingen, maar ondertussen een stille haat i.c. minachting koesteren voor al het gezonde mannelijke, traditionele vrouwelijke en sterke natuurlijke van de oude, klassieke mens.

Normale mensen - normale mannen en vrouwen - horen niet thuis in de huidige Nederlandse kerken, laat staan mensen die tot paleoconservatieve inzichten zijn gekomen. Dat zelfrespect en zelfverdediging in de Nederlandse kerken niet tot nauwelijks te vinden zijn is met name beschamend vanwege het feit dat in ons land de kerk historisch verbonden is en is geweest met het ontstaan van ons land en de grondslag ervan. En deze zaken zijn niet gebeurd buiten zelfverdediging en zelfrespect om. De kerk heeft zich dus niet zozeer afzijdig gehouden van het ruigere reilen en zeilen van ons land, maar ze heeft zich er doelbewust van afgekeerd.

Maar zoals zelfs een Samuel Francis zich, ondanks zijn scepsis ten aanzien van het christendom, niet los kon maken van zijn trots op zijn Schots-Ierse puriteinse voorouders [16], zo schuilt zelfs achter de verwerping van het christendom door sommige paleoconservatieven juist een dubbelzinnig liefde tot datgene wat volgens de christenen weliswaar niet (meer) christelijk genoemd mag worden, maar dat wel onmiskenbaar verknocht en verbonden is geweest met het werkelijke historische en concrete christendom.

En wij dan?

De aandacht voor paleoconservatisme in de Verenigde Staten is voor ons geen doel op zich. Wij zijn geen Amerikanen, maar Europeanen. Wij leren niet alleen van wat zij "goed" hebben gedaan, of van wat van onze Oud-Europese erfenis daar bewaard is gebleven, wij zien ook hun fouten. En dit laatste ondanks alle fouten die we bij onszelf zien. Juist onze fouten kunnen het ons mogelijk maken ook die van hen te zien. Door te leren van de verwoestende werking van het Europese imperialisme in de geschiedenis, kunnen we ook lessen trekken met betrekking tot het Amerikaanse imperialisme van dit moment.

Ondanks dat Amerika volgens een Martin Heidegger een ontologisch probleem is, is het misschien wel juist dit land dat nog iets toont van de diepere lagen van het Oude Europa: Christendom, Teutonendom en klassieke inzichten. Iemand die deze verschillende bronnen goed in kaart heeft gebracht, is Russell Kirk in zijn The Roots of American Order, waarin hij onder meer spreekt over de Anglo-Saxon inbreng in de Amerikaanse cultuur (London), naast die van "Rome", "Jeruzalem" en "Philadelphia" [17].

Zonder op deze plek en in dit stadium ook maar enigszins uitputtend te willen zijn, wil ik toch enige punten weergeven waarin het paleoconservatisme wel eens van groot belang voor ons zou kunnen zijn:

1) De paleoconservatieve Kritiek op neoconservatisme en op het monsterverbond tussen religieus rechts en dit neoconservatisme leert ons iets zien van de aard van het neo-orthodoxe christendom dat - zonder dat iedereen zich daar zo bewust van is - heeft verwijderd van het christendom van voor de Verlichting.

2) Het paleoconservatisme kan ons leren het potentieel te ontdekken van een denken als onderstroom en fundament dat niet zozeer is gelegen in de bewuste en geuite opvattingen, maar in de minder snel aantastbare structuren in de natuur, de psyche, en - zelfs - het ontologische zoals de geschiedenis dat kan illustreren.

3) Het Amerikaanse paleoconservatisme stelt ons voor de vraag hoe "moderne" paganistische vormen van conservatisme, zoals het Frankfurter Schule-conservatisme, zich verhouden tot het "oude" en "klassieke" conservatisme.

4) Het paleoconservatisme leert ons zien dat het mogelijk is, en zelfs noodzakelijk, dat paleo-orthodoxen, paleo-libertariërs, Nouvelle Droite-geïnspireerde conservatieven en andere traditionalisten samenwerken en gezamenlijk tot een (intellectueel) front kunnen komen.

De taaie natuur

Met name het tweede punt is het waard om te benadrukken: de al dan niet taaie blijvende werkelijkheid van de natuur i.c. de orde. De twijfel aan de mogelijkheid de oude orde te herstellen, en zelfs het vermoeden dat de natuur wel eens niet zo onaantastbaar zou zijn als men in oudere tijden aannam, doet in onze tijd vele Europese conservatieven in de armen van libertarisch en neoconservatief (klassiek-liberaal) denken vluchten. C.S. Lewis, niet de eerste de beste, was het die openlijk twijfelde aan de onuitroeibare nature. En in ons land sprak enige tijd geleden de conservatief Bart Jan Spruyt woorden uit in gelijke strekking [18].

Men vergeet daarbij echter wel een paar belangrijke zaken:

- Onze tijd vraagt, in het licht van externe en interne dreigingen, de noodzaak van vitaliteit en viriliteit van de Westerse cultuur, en daarmee om een kracht tot verdediging die nu niet in voldoende mate voorhanden blijkt te zijn.
- Dat veel niet-conservatieven zoals Sloterdijk, maar ook in de ecologische beweging de weg terug tot achter het (post-)modernisme wel durven te maken.
- Dat we het ons niet kunnen veroorloven onze plaats in het leven, en daarmee onszelf, uit handen te geven aan de krachten van de moderniteit die er op uit zijn alles te vernietigen wat ons dierbaar en waardevol is. Men onderschat met andere woorden, het kwaad in de ander, in zichzelf en dat er is aangericht.
- De kennis die we hebben verhindert ons voor het overleven in plaats van het leven zelf te kiezen. En het verhindert ons te stoppen met het uitdragen van deze kennis.
- We zijn verantwoording schuldig over onze daden aan onze voorouders, aan onze kinderen, aan onszelf, aan God en aan de onwetenden.

In het licht van bovenstaande punten is het onbegrijpelijk dat mensen die voorheen conservatief en/of klassiek en/of orthodox denken of dachten het primaat van de werkelijkheid uit handen hebben gegeven aan het liberalisme en daarmee het initiatief van denken en handelen in onder meer politiek, cultuur en kerk.

Gegeven het feit dat haast alle orthodoxe, conservatieve en klassieke mensen, groeperingen en stromingen zich te hebben lijken neergelegd bij de liberale schijnwerkelijkheid, en daarmee de strijd hebben opgegeven, zullen er twee conclusies moeten worden getrokken. Ten eerste: de benodigde beweging zal een andere moeten zijn dan de huidige, bestaande bewegingen; ten tweede: de benodigde beweging zal een beweging moeten zijn die oog heeft voor de grondfouten van genoemde bewegingen. Ze zal de vraag ter hand moeten hebben genomen, waarom deze bewegingen van neo-orthodoxie, neoconservatisme en neo-realisme uitlopen op een houding van aanpassing en defaitisme en ze zal daarbij bovendien de vraag moeten stellen in hoeverre deze bewegingen - die toch eertijds de hoofdstroom in onze cultuur vormden! - zelf mede de oorzaak zijn geweest van de huidige culturele wantoestanden.

We hebben dus een beweging nodig in denken, filosoferen, theologiseren en politiek bedrijven teruggrijpt op presente reserves om deze te revitaliseren en te gebruiken, om de losgeslagen cultuur en samenleving weer te grondvesten. Een beweging die er niet voor terugschrikt en terugdeinst om zelfs in de meer vergeten, groezelige en achterlijke episodes en gewesten van de geschiedenis van het Westen te gaan zoeken naar vruchtbare bodem om zo de herontdekking van het eigene te bewerkstelligen.

De kracht van Europa ligt niet in nabootsing van de VS of van China, maar in de herontdekking van het eigene. De paleo's in de VS hebben dat meer door dan wij in Europa. Daarom weten de paleoconservatieven in de VS dat elk scharen onder een neoconservatief initiatief of een fideïstische variant funest is voor elke overlevingskans van het paleoconservatieve i.c. paleo-theologische i.c. paleo-ontologische denken. Dat geldt voor Amerika, maar dat geldt ook voor Europa in het algemeen en voor Nederland in het bijzonder.

Een Nederlands paleoconservatisme

De paleoconservatieve les uit Amerika leert ons veel dingen. We leren de noodzaak en het gemis van de academie. De teleurstellende houding van de orthodoxie en het besef niet zonder de joods-christelijke orthodoxie te kunnen. Maar ook: de noodzaak van een paleoconservatief gedachtegoed i.c. denken en tegelijkertijd een besef van een tekortschieten van denken en intellectueel bezig zijn vanwege het gevaar van intellectualisme, elitarisme en vermentalisering i.c. vergeestelijking i.c. abstrahering van concrete waarheden en daarmee van de concrete werkelijkheid.

Het is dus niet alleen van belang om de noodzakelijke ingrediënten van een paleoconseratief denken te inventariseren en te verwerken, al noemen we er wel enkele: christendom, natuur, orde, de Rijksgedachte op diverse niveaus, de confederaliteit op elk niveau en elk vlak van het (maatschappelijk) bestaan, etc. Deze thema's zullen op een later tijdstip en op een andere plek nader uitgewerkt moeten worden.

Belangrijker is de vraag hoe een paleoconservatieve beweging in Nederland ontkomt aan de valkuilen van groepsdenken, partijpolitiek, kerkpolitiek, individualisme, piëtisme, aanpassing en defaitisme. Op z'n minst is hiervoor nodig een voortdurende toetsing van het paleoconservatieve denken aan de concrete werkelijkheid zelf. Door een binding en voeling met de werkelijkheid zelf die aan het denken vooraf gaat, zal een paleoconservatief proberen het non-reflexieve non-mentale bestaan te bewaren en te koesteren. De gezonde denker leeft in een verwortelde gemeenschap waarin hij leeft zonder marginaal te zijn. Zonder parasiet, querulant of dilettant te zijn. De noodzaak van een verwortelde gemeenschap zegt nog niets over de mogelijkheid ervan in onze tijd en hoe zo'n gemeenschap moet worden "vormgegeven" zonder het organische, verwortelde karakter te verliezen of anderszins kwijt te raken door het te "verideologiseren".

Het beantwoorden van deze vragen zal uitmaken of een paleoconservatieve beweging in Nederland (en Europa) levensvatbaar is, en of we zullen overleven - het leven zelf zullen behouden! Een korte aanzet tot een praktische toepassing van de laatstgenoemde vragen is hieronder gegeven.

Praktisch

Zijn er nog van zulke reservaten of kluizenaars waar kunnen (van) we leren? Wij menen van wel. Sommige tegenstanders zijn voor een paleoconservatief leerzamer dan de meeste "medestanders". De grootste filoloog van onze tijd, De Duitse filosoof Peter Sloterdijk, is zo iemand. Als geen ander beschrijft hij de huidige werkelijkheid van immanentie en mobiliteit van binnenuit in werken als Eurotaoïsme en Sferen. Sloterdijk's inzichten bieden haast analoge oplossingen met die van het paleoconservatisme om de huidige cultuur van vernietiging van reserves en van de tijd zelf, te lijf te kunnen:

"Kritiek van de politieke kinetiek zal een werktitel zijn voor studies die verricht worden op een transfacultatieve postuniversitaire "hogeschool". Die kan haar colleges overal geven waar vragen gesteld moeten worden over de juistheid van bewegingen van mensen en systemen. Zoals alles universitairachtige structuren tot nu toe heeft ook de transfaculteit van het bewegingsbewustzijn een machtsneutraal gebied nodig waar de uitvoerende macht en de belangenvertegenwoordigers van de mobilisatoren niet mogen komen - dat is sinds de Middeleeuwen een zeer goede traditie om theorieën te beschermen. Maar omdat bijna elke nu bestaande universiteit op aarde zich heeft ontwikkeld tot vooropleiding van de mobilisatie en tot cognitieve toeleveringsfirma voor de "aanval van onze tijd op de rest van de tijd" (Alexander Kluge) moet de kritiek van de politieke kinetiek andere plaatsen voor haar studies zoeken." [19]

In het reeds genoemde artikel van dr. Koenraad Elst, De paleoconservatieve les, zien we een zekere Amerikaanse equivalent van Sloterdijks suggestie: het zogenaamde homeschooling. Als paleoconservatief fenomeen gaat homeschooling gepaard met de inzet van een modern medium als internet. Met virtuele pedagogische hulpcentra en virtuele crypto-universitaire instellingen [20] is er de afgelopen jaren in de VS een systeem van onderwijs en wetenschappelijke vormgin bestaan dat geheel zelfstandig ten opzichte van de "gevestigde" instellingen en los van de burgerlijke overheden opereert.

De idee van Sloterdijk en de Amerikaanse ervaringen kunnen worden gekoppeld aan fundamentele christelijke premoderne noties: die van het klooster, die van de orde (zoals de Duitse orde), die van het verbond, die van de Canon, die van de persoonlijkheidsvorming en die van de organische gemeenschap. De werkelijkheid van zowel het Oude Europa als die van het "grassroots America" is onlosmakelijk verbonden met de natuurlijke gemeenschap. In deze gemeenschap wonen mensen niet slechts bij elkaar, maar ontspint zich in het natuurlijke leven iets van een orde, een elkaar versterken en opvangen en een onderlinge taakverdeling.

Door de klassieke christelijke gemeenschap i.c. gemeente, te zien als restauratie van de gezonde natuurlijke gemeenschap - als gemeenschap met een binnenkant en een buitenkant, kunnen ook anderen leren van de traditie van het christendom. In deze gemeenschap worden mensen sterk gemaakt, vindt er karaktervorming plaats, een intellectuele en een fysieke verdeling der taken, etc. etc. In deze "ruimte" kan een gedachtegoed i.c. levensstijl i.c. door deze dingen gevormde generatie opstaan met een offensieve en pro-actieve wijze van denken aanleren - als het ware de apologie voorbij.

De valkuil voor elke vorm van klassiek, orthodox en conservatief denken is het kunstmatige, mentale en bewustzijnsgerichte denken dat in de praktijk haast altijd een elitaire insteek inhoudt die zich afspeelt op de gevestigde academies. De paleoconservatieven kunnen en willen zich niet onttrekken aan hun posities en verantwoordelijkheden. Maar tegelijkertijd weet men dat elke gezonde man vanzelf ongezond wordt wanneer deze man langdurig in een kunstmatige, ongezonde omgeving opereert. Thomas Fleming noemde eens het Amerikaanse voorbeeld van de senator die Colorado inwisselt voor Washington en daar in de meeste gevallen sociaal, religieus en moreel verloedert. Wij menen dat een insteek bij de gemeenschap niet zozeer een garantie geeft om mislukkingen te voorkomen, maar wel een noodzakelijk startpunt is voor het opzetten van een paleoconservatieve beweging.

Concreet

Concreet betekent deze praktische insteek het volgende:

1) Paleoconservatieven moeten bij elkaar gaan wonen; individuele versnippering en netwerken is in onze samenleving een gepasseerd station. De continue beïnvloeding en de daarmee gepaard gaande verzwakking van de klassieke waarden in onze maatschappij, laat steeds minder ruimte over voor terugtrekking, afscherming of afzondering. Alleen de concrete natuurlijke gemeenschap kan een voedingsbodem zijn voor een paleoconservatieve beweging.

2) Constitutie; Net als in de VS dienen we vaste referentiepunten vast te stellen op staatkundig-maatschappelijk gebied. Op religieus gebied zijn deze historisch vrij makkelijk vast te stellen. Maar ook op staatkundig-maatschappelijk gebied is dit mogelijk door een geactualiseerde constitutie vast te stellen op basis van de Unie van Utrecht.

3) Canonvorming; Gemeenschap en Constitutie vormen de basis- en randvoorwaarden om te kunnen bepalen welke kennis van belang is en het waard is om te worden doorgegeven. Ook hier hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden, maar dienen we wel extra goed in de gaten houden dat we in Europa leven en niet in de VS.

4) Training; Niet de negentiende-eeuwse Bildungsburger, maar de organische gemeenschapsmens moet gevormd, toegerust en gefundeerd worden. Zelfstandig naar buiten toe en afhankelijk naar binnen toe (richting de basis) moet onze lijfspreuk zijn. Fysieke en intellectuele vaardigheden (gecanoniseerde kennis en daarvan afgeleide paleoconservatieve inzichten), al naar gelang ieders capaciteiten, om ieders weerbaarheid te vergroten, dienen gepaard te gaan met een toesturing op een maatschappelijke rol met de groots mogelijk maatschappelijke onafhankelijkheid en weerbaarheid.

5) Virtuele academies; Om "andere plaatsen dan de gevestigde universiteiten" te creëren, dienen we net als in de VS te komen tot virtuele academies en toerustingsplaatsen ten behoeve van "homeschooling" en aanverwante zaken.

Deze genoemde zaken staan niet in een onwillekeurige volgorde. Wij menen dat het een noodzakelijkerwijze voortkomt uit het ander of er in ieder geval op voortbouwt. Om niet in de valkuilen van neoconservatisme en andere vormen van "neo-denken" (zoals neo-orthodoxie) te vervallen dient het uitgangspunt zonneklaar te zijn: de concrete, historisch, cultureel, staatkundig en religieus gefundeerde, gemeenschap zal het beginpunt moeten zijn van elke paleoconservatieve beweging. Begint men ergens anders door enkele noodzakelijke stappen over te slaan, dan vervalt ze onherroepelijk tot haar tegenbeeld: elitarisme, activisme of formalisme. Het echec van het neoconservatisme en de met haar gelieerde Evangelical Movement in de VS, toont ons het grote "gelijk" van de paleoconservatieven: alleen een alomvattende, integrale aanpak die voortkomt uit de concrete grond van gemeenschap, familie en wortels geeft perspectief, al is succes nooit gegarandeerd. Maar dat is niet erg, sinds alleen al de term "succes" is gedegradeerd tot een aanpassingsformule in de zin van: "Wie de succesformule van liberalen en neocons volgt, krijgt vanzelf succes." Van onze Amerikaanse paleoconservatieven kunnen we leren dat we hier niets voor kopen. En laten we dat dan ook maar niet proberen.

Erik van Goor, 15 februari 2006

Noten

[1] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[2] Zie over deze "omslag van de scheppende rede": Dr. W. Aalders, Theocratie of ideologie - Het dilemma van de huidige christenheid, 's Gravenhage 1977, m.n. v.a. pag. 242.
[3] Zo zag Crèvecoeur, een van de immigranten uit de late achttiende eeuw, dat ook. Hij was Frans, katholiek, zijn buren waren Zweeds en Duits (Evangelisch-Luthers), en weer andere buren waren Spaans, enz. Ze voelden zich echter allen immigrant: dat hadden ze met elkaar gemeen, en daaraan ontleenden ze, heel bewust, hun identiteit.
[4] Paul Cliteur, Moderne Papoea’s - Dilemma’s van een multiculturele samenleving, Amsterdam/Antwerpen 2002, en Tegen de decadentie - De democratische rechtstaat in verval, Amsterdam/Antwerpen 2004. De Amerikaan Benjamin Barber doet hetzelfde op een meer (progressief-)liberale wijze in diens Jihad vs. McWorld - Terrorisme en globalisering als bedreigingen voor de democratie, Rotterdam 2002.
[5] Illustratief is de ontvangst van de laatste twee boeken van de Amerikaanse schrijver Samuel Huntington: The Clash of Civilizations en Who Are We?. Na het verschijnen van het eerste boek, waarin hij de toekomstige conflictsituatie tussen “het Westen” en “de islam” beschreef, durfde het blad Foreign Affairs - waar Huntington nota bene een oprichter van is – hem van fascistoïde neigingen te beschuldigen. De ontvangst van het tweede boek was zo mogelijk nog erger. In dat boek schetste Huntington een Amerika met een identiteitscrisis die versterkt wordt door het ongebreidelde immigratiebeleid van de neoconservatieven en de daarmee gepaard gaande multiculturaliteit. Tegenover het Verlichtingsdenken van de laatsten poneerde Huntington dat de identiteit van Amerika wordt gekenmerkt door traditie en protestantisme. Dat een (conservatieve) Democrat dit moest zeggen die ook nog een bekende van Al Gore is, was voor vele neoconservatieven onverteerbaar. In het licht van ons essay schetst dit wel de werkelijke tegenstelling in Amerika. Die is niet die tussen Republican en Democrat, maar tussen Traditioneel en Verlicht.
[6] Iets wat overigens ook de Belgische paleoconservatief Koenraad Elst doet in zijn DE EEUWIGE ORDENINGEN VAN HET MORGENLAND.
[7 Robert Lemm, DE GOEDE WILDE.
[8] Met de term “Evangelicals” worden sinds de zeventiende eeuw doorgaans alle orthodoxe protestanten in Angelsaksisch taalgebied mee aangeduid. Vaak worden de traditionele evangelicals onderscheiden van de meer moderne en charismatische neo-evangelicals. Deze neo-evangelicals komen meestal in het nieuws. Ook behoren nagenoeg alle Europese continentale “evangelischen” tot deze “neo-evangelicals”.
[9] Een treffend citaat in dezen komt van de ex-gereformeerde PvdA politicus Joop den Uyl in een interviewbundel van George Puchinger, Is de gereformeerde wereld veranderd?, Delft 1966. Den Uyl: “drie kwart van hun intellectuele energie besteden ze aan de afrekening met het verleden, en maar een klein stukje van hun intellect is vrij voor het werkelijk nieuwe.”
[10] Mooi in dezen is de uitspraak van George F. Kennan: "Yet, today, if one were offered the chance of having back again the Germany of 1913, a Germany run by conservative but relatively moderate people, no Nazis and no Communists, a vigorous Germany, united and unoccupied, full of energy and confidence, able to play a part again in the balancing-off of Russian power in Europe..."; uit: American Diplomacy - 1900-1950, Chicago 1951, p. 55/56.
[11] Of zoals K. Schilder het zei: "Het leven is er vóór de academie"; in Christus en Cultuur, Franeker 1978, p. 8.
[12] Zie hiervoor de toespraak van Frits Bolkestein, gehouden voor de Vrienden van het Gymnasium d.d. 15 oktober 2005, te vinden onder Toespraak Vrienden van het Gymnasium. Opvallende afwezige is hier het christendom. Slechts ten overstaan van een islam komt het ter sprake om het pleidooi te versterken voor een godsdienstkritiek binnen de islam, net zoals het christendom dat een half millennium heeft. De hele toespraak is één groot pleidooi voor de Verlichting, inclusief een hommage aan Hirsi Ali en een kritiek op John Gray. Beschamend voor iemand die niet alleen enkele jaren geleden nog pleitte voor het "bezield verband" dat onder meer "bezield" zou dienen te worden door de joods-christelijke erfenis, maar des te meer beschamend voor iemand die met het wegschuiven van deze joods-christelijke erfenis zijn eigen gereformeerde voorouders schoffeert en over de rand de stadsgracht induwt.
[13] Zie over deze "managerial type" van James Burnham de bijdrage van James Burnham: "The Managers Shift the Locus of Sovereignty", in Joseph Scotchie, The Paleoconservatives - New Voices of the Old Right, New Brunswick, NJ/London, 1999, p. 55.
[14] LINKS ONTDEKT HET CONSERVATISME.
[15] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[16] Lees hiervoor het In Memoriam bij het overlijden van Samuel Francis door Thomas Fleming: Samuel Francis - Requiescat In Pace Domini d.d. 16/02/2004.
[17] Russel Kirk, The Roots of American Order, Wilmington, DEL, 2003.
[18] Bart Jan Spruyt, DE WREDE BARMHARTIGHEID VAN DE LIBERALE STAAT.
[19] Peter Sloterdijk, Eurotaoïsme - over de kritiek van een politieke kinetiek, Amsterdam 1991, pag. 63.
[20] Men denke aan instellingen als Liberty Fund en Intercollegiate Studies Institute (ISI), beide te Chicago.

Bron: OpenOrthodoxie