Free Image Hosting at www.ImageShack.us

- - - ID : Naar een identitaire stroming in Nederland ! - - -

zaterdag, augustus 04, 2007

De rechtse revolutie door Rene Schmitt in Bitterlemon, augustus 2007.

Op een gegeven moment heb je het door. Dan zakt de moed je in de schoenen. Op een gegeven moment wil je het opgeven. Dan lijken alle inspanningen tevergeefs. Zo’n moment is, voor mij persoonlijk, weer eens aangebroken. Het moment waarop je door hebt dat de trein doordendert. Dat hij niet te stoppen valt. Wat je ook probeert.

Dat moment trad aan toen ik afgelopen week het internet weer eens opging en een bezoek aflegde aan enkele prominente Nederlandse, ‘rechtse’ websites. Na mijn bezoek kon ik maar één conclusie trekken: rechts in Nederland is dood. En wat voor rechts moet doorgaan, is niets meer dan een handjevol ex-sociaal-democraten en zelfverklaarde ‘rechtsliberalen’ die de oorlog hebben verklaard aan iedereen zich niet de ‘moderniteit’ door de strot wil laten duwen. Rechts schijnt vandaag de dag synoniem te staan aan secularisme en ideologisch individualisme. Rechts schijnt zelfs een lans te moeten breken voor de herenliefde. Rechts is het spoor bijster.

Het ontbreekt de metaforische trein waarin we met z’n allen zitten op dit moment even aan een machinist die doorheeft dat het volgende station er niet is voor ons welzijn. Het ontbreekt ons aan dat oplettende clubje passagiers dat doorheeft dat aan de noodrem trekken misschien als schokkend kan worden ervaren, maar toch noodzakelijk is.

Voor die mensen die toch nog ergens in het diepste van hun ziel een sprankje hoop bewaren voor als het moment daar is, voor die mensen heb ik de moeite genomen om 10 punten te verzinnen waarmee we de rechtse agenda nieuw leven in kunnen blazen. 10 punten die ons genoeg explosieven opleveren om de trein voorgoed te laten ontsporen. 10 punten die de rechtse revolutie inluiden.

1. Als eerste gooien we onze televisies het raam uit. Weg met het staatsjournaal en gesubsidieerde documentairemakers. Ze preken maar voor hun eigen parochie. Nooit meet propaganda voor welfare bums. Weg met de commerciële omroepen. Aandachtsgeile BN’ers die in het kader van een carrièreboost weg lopen met uitgerangeerde politici en fulltime wereldverbeteraars als die socialist van een Al Gore verdienen geen aandacht. Banale realityshows die de meest ordinaire driften van de televisiekijkende massamens bevredigen moeten worden geboycot. Collectief voyeurisme is geen culturele verdienste. Het is een schande. In plaats van naar mooie bewegende plaatjes te gapen, pakken we de boeken weer uit de kast. Onze schatrijke literaire traditie kent genoeg literatuur om de rest van je leven te vullen met prachtige romans en uitdagende filosofie. Dat hebben we nodig om weer mannen van karakter te kweken, in plaats van zoutzakkerige bankzitters die met geen enkel engagement het leven tegemoet treden.

2. Daarna stoppen we met het betalen van onze belasting. Den Haag zoekt het maar uit. We zeggen ons vertrouwen in politici voorgoed op. Niet omdat we denken dat de gevestigde orde moet worden vervangen door één van een andere aard. Maar omdat we diep in onze aartsliberale harten en met ons gezonde conservatieve verstand weten dat de mens is wat hij is en hoe dan ook gecorrumpeerd raakt door macht. Staatsmacht maakt van de meest overtuigde moralist in no time een rovende socialist. Dat is een waarheid onafhankelijk van tijd en plaats. Als onze politieke en ambtelijke klassen hun salaris niet meer krijgen, houden ze er van zelf mee op. Zo ook de zwaardmacht (die op de meest cruciale momenten haar zwaard niet eens trekt) We hebben niets te verliezen.

3. We laten ons nooit meer vertellen met wie wij ons willen associëren. Antidiscriminatie wetgeving is alleen mogelijk zolang de macht van de staat tot in onze huiskamers en onze werkplekken reikt. De staat heeft alleen bestaansrecht als zij de orde handhaaft. Het mag nooit en te nimmer een instrument zijn ten behoeve van emancipatie.

4. We laten ons niet meer betoveren door de grootste leugen in de westerse intellectuele geschiedenis. Namelijk het idee dat de menselijke geschiedenis gestuurd wordt door de Rede. Noch dat het een proces is dat een doel heeft. De mens is geen homo democraticus. De gecentraliseerde, democratische superstaat is een corrumpering, en niet het product van rede of rechtvaardigheid. Er zijn vele verschillende acceptabele staatsvormen. Lees Aristoteles er op na. De 21e eeuwse Nederlandse democratische rechtstaat is niet moreel beter dan de Griekse Poleis, de Romeinse ResPublica, de Italiaanse oligarchische stadstaten uit de Renaissance, Het Heilige Romeinse Rijk der Duitse Natie of het 18e en 19eeuwse Habsburgse Rijk. De gemiddelde moderne democraat heeft meer invloed op het persoonlijke leven van zijn onderdanen dan de Franse Zonnekoning. Als er al zoiets bestaat als vooruitgang, dan is de moderne massademocratie een station dat hopelijk snel gepasseerd wordt.

5. Wij zijn de wereld niets verschuldigd. We hoeven geen oorlogen te voeren om naar de meest verre uithoeken van de wereld een staatsvorm te brengen die haar culturele wortels heeft in een cultuur die haaks staat op die van het afzetgebied. De geschiedenis zal uitwijzen (en heeft uitgewezen) dat dit niet veel goeds brengt. Culturen en volken verschillen van elkaar. De ene cultuur bloeit onder autocratie, de ander onder deliberatie. We zijn geen Jakobijnen. We hoeven de geschiedenis niet met de bajonet een handje te helpen. Er zijn volken die niet gemaakt zijn voor democratie. Dat is voor veel progressieve bommengooiers, socialistische moralisten en andere beroepsdemocraten vervelend nieuws. Wij blijven er echter stoïcijns onder. Wij zijn klassieke realisten.

6. Aan mensenrechten hebben wij geen boodschap. Zij zijn het product van één van de grootste rampen uit de Europese geschiedenis: de Franse Revolutie. Mensenrechten zijn abstracties. Zij hebben geen enkele relatie met de werkelijkheid. Een cultuur bloeit niet onder mensenrechten. Mensenrechten behoren, naast centraal bankieren en belastingheffingen, tot het wapenarsenaal van centralisten. De gecentraliseerde staat bestaat bij de gratie van het idee dat zij vrede en rechtvaardigheid aan haar burgers schenkt en daarmee diens ‘rechten’ beschermt. In werkelijkheid berooft en vermoord zij burgers aan de lopende band. Gemeenschappen hebben er daarom belang bij zich zo snel mogelijk te ontdoen van de gecentraliseerde staat. En van iedereen die de ideeën verspreid waardoor zij wordt gelegitimeerd.

7. Wij hebben geen hekel aan religie. Religie is een sociaal bindmiddel. Het is, zoals Richard Weaver prachtig stelt, een gezamenlijke metafysische droom. Een interpretatief kader waarbinnen een vertrouwensband kan worden geschept tussen de leden van een gemeenschap, op een niveau die de fysieke wereld overstijgt. Een gedeelde religieuze onderneming op aarde versterkt een cultuur. Het geeft de kunst en de wetenschap weer een doel. Het blaast de levensadem in dode continenten. Onze problematiek met islamitische immigranten is nog geen reden om van rechts een seculiere voorhoede te maken. Een voorhoede die nota bene gecentraliseerde staatsmacht predikt ten behoeve van het emanciperen van vrouwen en het onderdrukken van religieuze symbolen. Wij zijn er niet om het werk van de 60’s radicals af te maken.

8. We blijven vertrouwen hebben in de vrije markt. Het subsidiëren van multinationals die hun raden van toezicht vol hebben zitten met sociaal-democraten heeft niets te maken met de vrije markt. Elke vorm van staatsinterventie in het economische verkeer is niet alleen economisch schadelijk en moreel verkeerd, het getuigt ook van weinig vertrouwen in de mensen zelf. De mythe dat er op de markt alleen boeven actief zijn, en in de overheid alleen engelen moet van zijn sokkel worden gehaald. De Rousseauiaanse leugen over het corrumperende effect van privaat bezit op de mens en de samenleving moet vervangen worden door de kristalheldere waarheid van de ambtenaar die gecorrumpeerd raakt door de (democratische) vrijbrief die hij krijgt om de zakken van zijn burgers leeg te roven.

9. We luisteren niet meer naar de hersenspinsels van moderne sociale wetenschappers. Positivisme, statistiek en andere natuurkundige methodologie horen niet thuis in de sociale wetenschappen. Zodra de criminologie verkondigt dat er geen verband bestaat tussen immigratie, cultuur en misdaad, zondigt zij tegen gezond verstand. Dat zelfde geld voor de politicologische beweringen over de heilzame werking van democratie, de sociologische beweringen over het verband tussen privaat bezit en corruptie en de antropologische beweringen over de natuurlijke goedheid van de nobele wilde. De methodologische blinde vlek van deze (inmiddels pseudo-)wetenschappen hebben de disciplines een plek bezorgd op de vuilnisbelt. En totdat gezond verstand weer een deel gaat uitmaken van die wetenschappen, behoren ze daar ook.

10. Leg wat geld opzij (of nog beter, goud) Als de anarchie intreedt na de val van Europa, is het hebben van financiële middelen geen overbodige luxe.

Wie zich rechts noemt en zich niet kan vinden in de bovenstaande agenda moet maar eens goed gaan overdenken of hij toch niet stiekem progressief is. Laten we het kaf snel van het koren scheiden. Zodat we een groep goede schrijvers overhouden die weten waar het uiteindelijk om draait. Want op dit moment, is dat ook geen overbodige luxe.

Bron: Bitterlemon

Labels: , ,

maandag, juli 23, 2007

Wie zijn wij? door Erik van Goor op HetVrijeVolk.com, 16 juli 2007.

Volgens Ella Vogelaar moet Nederland de feiten onder ogen zien. Volgens haar moeten we erkennen dat moslims hier niet meer weg zullen gaan; er zullen er eerder meer bijkomen. We zullen de islam moeten accepteren als een deel van onze samenleving. Zelfs als dat de consequentie heeft dat er straks gesproken zal worden van een cultuur met joods-christelijke-islamitische wortels.

PvdA-minister Vogelaar wil de moslims helpen dat ze zich hier thuis voelen: "islam en moslims moeten zich hier kunnen wortelen." Een golfje van protest spoelde over ons land. Marc Rutte, Geert Wilders, Leon de Winter en Gerry van der List vielen nogal over onze minister heen. Ella Vogelaar, minister van 'Wonen, Wijken en Integratie', zou volgens hen iets stoms hebben gezegd. Onze cultuur is 'joods-christelijk' (Wilders), gaat uit van 'gelijkheid van man en vrouw en democratie' (Rutte), is 'de woestijngod te boven gekomen' (De Winter) of heeft zich juist tegen elke vorm van traditie afgezet en is 'een humanistische cultuur' (Van der List).

Wie heeft er gelijk? De minister of de heren critici? Is minister van 'Wonen, Wijken en Integratie' Ella Vogelaar blind-links of is ze een realist? Ze zei onder meer dit:

"Nederland is een samenleving die gevormd is op basis van joods-christelijke tradities. Dat zijn onze wortels. Als je ervan uit gaat dat een substantiële bevolkingsgroep andere tradities, een andere religie, brengt, dan zie ik dat als een wederzijds proces. Enerzijds zal de islam door de Europese cultuur en tradities beïnvloed worden en niet hetzelfde blijven. Anderzijds is het belangrijk dat zo’n grote groep zich wortelt in onze samenleving, er een onlosmakelijk onderdeel van wordt. Eeuwen geleden kwam de Joodse gemeenschap naar Nederland en nu zeggen we: Nederland is een land gevormd door joods-christelijke tradities. En ik kan me voorstellen dat we een vergelijkbaar proces krijgen met de islam."

Ten eerste valt het nog steeds op wat voor vreemde portefeuille de minister heeft. Vreemd dat het 'wonen' onder de verantwoordelijkheid van een minister valt. Het klinkt zoiets als 'minister van opvoeding', of van 'verkeringstijd'. Aan het 'Wonen' is 'Wijken' toegevoegd. Hoort dit woord bij 'Wonen' of bij het derde woord: 'Integratie'? Hoort het bij integratie, dan zal bedoeld worden het uitwijken van inheemse Nederlanders uit bepaalde getto's. Of misschien het remigreren? Dat is toch ook een vorm van uitwijken?

Ten tweede valt iets - belangrijkers - op. Vogelaar spreekt over traditie en verworteling. Dat is op z'n minst vreemd uit de mond van een moderne politicus. Gerry van der List legt hier terecht zijn Verlichte vingers bij. Hebben we de democratische verworvenheden, zo stelt hij, niet juist afgedwongen op deze tradities? Hij noemt dan de scheiding van kerk en staat.

Van der List heeft deels gelijk. Hij heeft gelijk wanneer hij aangeeft dat Vogelaar niet beseft wat ze zegt; ze onderbouwt het tenminste nergens. Want wat is dan de joods-christelijke cultuur? De verwijzing naar de komst van de joden in de zeventiende eeuw zegt niet zoveel. Is het echt zo dat de loutere aanwezigheid van een paar joden onze cultuur tot in haar wortels heeft beïnvloed? Dat is niet hard te maken. Wat is dan zo'n concrete bijdrage aan onze cultuur? En dan nog wel tot in de wortels?

Als er al sprake is geweest van joodse elementen, dan is dit toch uitsluitend via de invloed van het christendom gegaan. Zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de zondagsrust die is afgeleid van de joodse sabbatsrust.

De enige traditie die ons tot in de wortels heeft bepaald is die van het christendom. Via het christendom hebben joodse, heidense en klassieke elementen een zekere waarde behouden. Zelfs uitwassen als socialisme, liberalisme en 'scheiding kerk en staat' komen in zekere zin voort uit het christendom. (Trouwens: al onder het oude jodendom was er al sprake van een onderscheiding tussen koning, priesterklasse en profetendom.)

Individualisme heeft óók een christelijke wortel, spijtig maar waar. Evenals vooruitgangsgeloof, rationalisme, secularisme en gelijkheidsdenken. Het zijn weliswaar perversies van bepaalde christelijke principes, maar de lijnen zijn scherp en duidelijk. Er is een continuïteit tussen liberalisme en puritanisme. En de Amerikaanse wetenschapper Michael Walzer wijst er in de studie The Revolution of the Saints op dat in het puriteinse New England al gauw sprake was van een relatieve gelijkheid tussen man en vrouw, mede versterkt door het persoonlijke wedergeboorte-aspect.

Nu is elke omvattende traditie zelf de bron zowel van zichzelf als van haar tegendelen. Het christendom heeft individualisme in de hand gewerkt, maar kent allereerst het gemeenschapsdenken. De Spaanse theologen hebben weliswaar de grondslagen gelegd voor mensenrechten en vrije markteconomie, maar het christendom is allereerst een traditie die uitgaat van de plichten van elk mens tegenover God en van een organische gemeenschapseconomie.

Onze opvattingen over huwelijk en gezin, over persoonlijke verantwoordelijkheid, over dood en leven, fenomenen als universiteiten, ziekenhuizen en bejaardenoorden; dit alles is op z'n minst diepgaand beïnvloed geweest door het christendom, is het niet dat het zelfs als een pure creatie van het christendom kan worden gezien. Socialisme, liberalisme en kapitalisme kunnen worden teruggevoerd op het christendom, niet uitsluitend, maar wel tot in de wortel. Evenals fenomenen als democratie en - in mindere mate - republiek. Natuurlijk is er wat betreft de laatste zaken ook een onmiskenbare invloed van het klassieke denken, maar het is dit denken geweest dat een grote weerklank vond binnen het christendom en zo samen met joodse en 'typisch' christelijke elementen via de christelijke traditie de Germaanse cultuur transformeerden.

De vraag is dus: wat voor recht, wat voor aanleiding ziet minister Vogelaar om een perspectief te schetsen van een 'joods-christelijke-islamitische' cultuur in wording? Al is dit proces volgens haar misschien een kwestie van eeuwen; het gaat hier om het principe. Wie zijn wij? Potentieel (deels) islamitisch? Of onmiskenbaar christelijk (of van 'christelijke afkomst')? Verwerpen we onze wortels, zoals De Winter en Van der List, en keren we ons tegen wie we zijn? Dit laatste inclusief het bedrog en de vervalsing?

Minister Vogelaar doet het anders. Zij houdt het bij wat gebazel over wortels en traditie alsof ze een Jig Saw Puzzle-tje legt op een regenachtige dag in de caravan. Onbenul heeft ook zo z'n charme. Vooral als het getooid is in een zomerse bloemetjesjapon. Voor sommige ministerschappen hoef je geen boekje open te slaan. Een goede neus voor integratie en een goed gevoel over de uitkomst is genoeg.

Het Vrije Volk

Labels: , , ,

De prijs van immigratie: door grote verschillen kruipen mensen in hun schulp door Robert Putnam in NRC Handelsblad, juli 2007.

Ook al brengen immigratie en toenemende etnische diversiteit veel voordelen met zich mee, op korte en middellange termijn eisen die ontwikkelingen hun tol, doordat mensen zich terugtrekken uit de samen- leving. Lessen uit een baan- brekend onderzoek in de VS.

Een van de grootste uitdagingen van nu, een uitdaging vol problemen en kansen, is de groeiende etnische en sociale diversiteit in vrijwel alle ontwikkelde landen. Van bijna elke moderne samenleving kun je vrij zeker voorspellen dat zij, als we een generatie verder zijn, diverser zal zijn dan nu.

Wat betekent dat voor het sociale kapitaal? Dat is een belangrijk begrip voor samenlevingen en verwijst naar de sociale netwerken die we hebben. De essentie van het begrip sociaal kapitaal is dat, net als gereedschap (fysiek kapitaal) en training (menselijk kapitaal), sociale netwerken waarde hebben. Zo heeft de kwaliteit van onze sociale netwerken een groot effect op ons inkomen en ook op onze gezondheid. Maar niet alleen voor de mensen binnen het netwerk bestaat die waarde, vaak ook voor buitenstaanders. Criminologen hebben bijvoorbeeld laten zien dat een sterk buurtnetwerk misdaad kan afschrikken.

Mijn vrouw en ik prijzen ons gelukkig dat we wonen in een buurt in Cambridge, Massachusetts, met veel sociaal kapitaal: barbecues, feestjes en dergelijke. Als ik op reis ben, vertrouw ik erop dat mijn huis wordt beschermd door al dat sociale kapitaal, hoewel, zo moet ik bekennen, ik nooit naar die barbecues en feestjes ga. Met andere woorden, ik profiteer van die sociale netwerken hoewel ik er zelf niet in zit.

Sociaal kapitaal heeft veel vormen, die niet allemaal onderling vervangbaar zijn. Niet alle netwerken hebben hetzelfde effect: met veel vrienden verbetert je gezondheid, terwijl actiegroepen de democratie versterken. Toch valt uit veel onderzoek op te maken dat waar het sociaal kapitaal hoog is, kinderen gezonder en veiliger opgroeien en beter opgevoed worden, mensen langer en gelukkiger leven, en de democratie en economie beter functioneren. Daarom is het de moeite waard de implicaties van immigratie en etnische diversiteit voor sociaal kapitaal te onderzoeken.

Daarbij heb ik drie hoofdoverwegingen:

De etnische diversiteit zal in vrijwel alle moderne samenlevingen in de komende decennia aanzienlijk toenemen, voor een deel door immigratie. Groei van immigratie en diversiteit is niet alleen onvermijdelijk, maar op langere termijn ook wenselijk. Alles bij elkaar is etnische diversiteit een belangrijk pluspunt, zoals de geschiedenis van mijn eigen land, de Verenigde Staten, laat zien.

Op de korte en middellange termijn stellen immigratie en etnische diversiteit de sociale solidariteit op de proef en vormen zij een rem op het sociale kapitaal.

Op de middellange en langere termijn roepen succesvolle immigratielanden nieuwe vormen van sociale solidariteit in het leven en dempen ze de negatieve effecten van diversiteit door nieuwere, meeromvattende identiteiten te construeren. De belangrijkste taak voor moderne, diverser wordende samenlevingen is daarom een nieuw, breder ‘wij’-gevoel te scheppen.

Hoewel diversiteit en immigratie niet hetzelfde zijn, zullen onze samenlevingen door de toenemende immigratie etnisch gezien ontegenzeglijk diverser worden.

Die diversiteit zal een belangrijk pluspunt zijn. Niet alleen de eetgewoontes worden verrijkt door immigratie of de cultuur in velerlei zin, ook de creativiteit in het algemeen lijkt te worden vergroot door immigratie en diversiteit. Zo zijn er onder de Nobelprijswinnaars, leden van de National Academy of Science en regisseurs die een Oscar hebben gewonnen, drie tot vier keer zo veel immigranten als in Amerika geboren Amerikanen.

Uit de meeste studies blijkt verder dat immigratie vaak tot een verhoging van het nationaal inkomen leidt. Bovendien helpt immigratie een aantal problemen van vergrijzing op te lossen: jonge migranten betalen aan een stelsel van sociale zekerheid waarop ze pas jaren later een beroep zullen doen.

Een ander positief effect zijn de betalingen van immigranten aan hun geboorteland en de overdracht van technologie en nieuwe ideeën via immigrantennetwerken. Dit effect is zo groot dat ondanks de ‘braindrain’-kosten een jaarlijkse toename van de immigratie met slechts drie procent nettovoordelen kan opleveren die groter zijn dan wanneer al onze doelen voor ontwikkelingshulp worden bereikt, alle schulden van de derde wereld worden geschrapt en alle barrières voor handel met derdewereldlanden worden opgeheven. Maar wat voor effect hebben immigratie en multiculturele diversiteit op het sociale kapitaal?

Uit veel wetenschappelijk onderzoek blijkt dat sociaal kapitaal en maatschappelijke betrokkenheid negatief gecorrelleerd zijn aan etnische diversiteit. Enkele voorbeelden:

Hoe heterogener (qua leeftijd, beroep, etnische afkomst en andere factoren), des te lager de interne cohesie en tevredenheid en des te groter het verloop.

Grotere etnische heterogeniteit lijkt geassocieerd te worden met minder sociaal vertrouwen.

In Peruaanse coöperaties die worden gefinancieerd met microkredieten, gaan etnisch-heterogene organisaties eerder failliet; in Keniaanse schooldistricten wordt etnolinguistische diversiteit geassocieerd met lagere opbrengsten van geldinzamelingsacties; in het Pakistaanse Himalayagebied wordt religieuze, politieke en clan-diversiteit gekoppeld aan onvermogen om een collectieve infrastructuur in stand te houden.

In verschillende Amerikaanse bevolkingsgroepen wordt grotere etnische heterogeniteit geassocieerd met een lager percentage carpooling, een activiteit die staat voor vertrouwen en wederkerigheid.

Uit een groot onderzoek in de Verenigde Staten, de Social Capital Community Benchmark Survey, blijkt dat er een sterke positieve relatie is tussen interraciaal vertrouwen en etnische homogeniteit. In het zeer diverse Los Angeles of San Francisco zegt ongeveer 30 procent dat ze hun buren ‘veel’ vertrouwen, terwijl in etnisch homogene gemeenschappen 70 tot 80 procent dat zegt. Hoe groter de etnische diversiteit onder mensen, des te groter het onderling wantrouwen.

In etnisch diverse gemeenschappen zijn mensen geneigd in hun schulp te kruipen. Het onderlinge vertrouwen is laag, net als veel andere vormen van sociaal kapitaal. Dat wordt op een aantal manieren zichtbaar:

In gebieden met grote diversiteit hebben mensen minder vertrouwen in het lokale bestuur, plaatselijke leiders en plaatselijke media;

hebben ze minder vertrouwen in hun eigen invloed (maar zijn ze meer geneigd deel te nemen aan demonstraties en actiegroepen);

zijn ze minder geneigd te denken dat samenwerking problemen zal oplossen (denk aan vrijwillige beperkingen om een tekort aan water of energie op te lossen);

doen mensen minder vrijwilligerswerk;

hebben ze minder vrienden en vertrouwelingen;

zijn ze minder gelukkig en ontevredener over de kwaliteit van hun leven;

kijken ze meer tv en zijn ze het vaker eens met de uitspraak ‘televisie is mijn belangrijkste vorm van vermaak’.

Voor alle duidelijkheid: een aantal elementen van sociaal kapitaal en maatschappelijke betrokkenheid lijken in Amerikaanse gemeenschappen betrekkelijk weinig te worden beïnvloed door etnische diversiteit. Voor verschillende soorten organisatorische activiteit, waaronder religieuze activiteiten, is er geen duidelijke relatie met diversiteit, en zoals hierboven opgemerkt zijn enkele vormen van politieke betrokkenheid, zoals deelname aan demonstraties, positief gerelateerd aan diversiteit. Desalniettemin komt er een redelijk coherent beeld uit deze analyse. Diversiteit leidt niet tot slechte rassenrelaties of vijandigheid tussen etnische groepen. De leden van gemeenschappen met een grote diversiteit zijn eerder geneigd zich uit het collectieve leven terug te trekken; hun buren te wantrouwen, ongeacht de kleur van hun huid; zich zelfs terug te trekken voor hun naaste vrienden; het slechtste te verwachten van hun gemeenschap en de leiders daarvan; minder vrijwilligerswerk te doen; minder aan goede doelen te geven en minder te werken aan projecten voor de gemeenschap. Ze zijn eerder geneigd actie te voeren voor sociale hervormingen maar hebben minder vertrouwen dat dit iets uitmaakt, en zijn vaker geneigd ongelukkig voor de televisie te kruipen. Het gaat bij dit patroon om houdingen én om feitelijk gedrag, particuliere en publieke banden. Diversiteit lijkt van ons, in ieder geval op de korte termijn, allemaal schildpadden te maken die in hun schulp kruipen.

De simpele correlatie tussen diversiteit en sociaal isolement kan misleidend zijn, en in onze bredere analyse hebben we een groot aantal mogelijke methodologische problemen bekeken. Gemeenschappen met een grote diversiteit zijn bijvoorbeeld groter en mobieler en kennen meer misdaad en grotere economische ongelijkheid. In principe zou een van die factoren, meer dan diversiteit op zich, de verklaring kunnen zijn voor de gevonden correlatie. Om die mogelijkheid uit te sluiten, hebben we zowel op individueel als gemeenschapsniveau gecontroleerd voor verscheidene factoren tegelijkertijd: leeftijd, etniciteit, opleiding, rijkdom/armoede, taal, nationaliteit, reistijd naar het werk, en huiseigendom, naast inkomensongelijkheid, misdaadcijfers en voorzieningen als koffiehuizen en speeltuinen. Steeds kwamen we tot dezelfde conclusie: etnische diversiteit is de factor die het meest wordt geassocieerd met sociaal isolement.

We hebben ditzelfde patroon bevestigd gezien onder zowel rijk als arm, blank als niet-blank, progressief als conservatief. Het patroon blijft bestaan, of we nu immigratiegraad of percentage niet-blanken gebruiken als maatstaf voor diversiteit. Omkering van het argument, met als gedachte dat mensen er zelf voor kiezen en dat hun mate van vertrouwen beïnvloedt waar ze gaan wonen, is hoogst onwaarschijnlijk, omdat dat zou impliceren dat paranoïde sociaal-geïsoleerden de eersten zijn die naar een etnisch diverse buurt trekken en de laatsten die daar weggaan. We hebben, kortom, veel verfijnde testen losgelaten op onze bevindingen, en het patroon blijft duidelijk staan (zie ook de link aan het einde van dit artikel): veel Amerikanen voelen zich tegenwoordig niet op hun gemak met diversiteit.

Sociaal-psychologen en sociologen hebben ons geleerd dat mensen het makkelijker vinden elkaar te vertrouwen en samen te werken wanneer de sociale afstand tussen hen kleiner is. Dan is er een gevoel van een gezamenlijke identiteit, nabijheid, en gedeelde ervaringen. Wanneer de sociale afstand groot is, zien en behandelen mensen de ander als iemand van een andere categorie. Sociale afstand hangt op zijn beurt af van sociale identiteit, ons gevoel van wie we zijn. Identiteit op zich is sociaal bepaald en kan worden gedeconstrueerd en gereconstrueerd. Bij bijvoorbeeld religieus evangelisme, sociale mobilisatie en politieke campagnes wordt een bewuste transformatie van een identiteit zichtbaar.

Sta mij toe een paar persoonlijke anekdotes te vertellen om toe te lichten dat een identiteit sociaal geconstrueerd is en kneedbaar. Ik ben in de jaren vijftig opgegroeid in een stadje in het Midwesten. Van de 150 klasgenoten in mijn laatste jaar kende ik van iedereen hun geloof. Ook al ben ik hun namen al lang vergeten, zelfs nu nog weet ik grofweg wie katholiek was, wie een methodist, en ga zo maar door. Dat was geen bijzondere tic van mij, want al mijn klasgenoten kenden de godsdienst van de ander. Mijn eigen kinderen, die in de jaren tachtig naar de middelbare school gingen, kenden van bijna geen van hun klasgenoten de godsdienst. Waar komt dat verschil vandaan? Om het raadsel op te lossen, moet u weten dat in dat tijdsverschil van dertig jaar de gewoonte om binnen je geloof te trouwen vrijwel is verdwenen in Amerika, zeker onder doorsnee protestanten, katholieken en joden. In de jaren vijftig was het voor het belangrijkste in het leven van iedere adolescent – paarvorming – essentieel om te weten wat de religieuze oriëntatie was van je leeftijdsgenoten. In de jaren tachtig was religie voor een beetje romantiek nauwelijks belangrijker dan de vraag of iemand links- of rechtshandig was.

In dat opzicht hebben Amerikanen godsdienst in de afgelopen halve eeuw min of meer gedeconstrueerd als een belangrijke sociale scheidslijn, ook al blijft godsdienst op een persoonlijk niveau belangrijk. Uit ons onderzoek blijkt dat hun religieuze identiteit voor de meeste Amerikanen belangrijk is dan hun etnische identiteit, maar het karakteristieke van religieuze verschillen als scheidslijnen voor sociale identiteit is sterk verminderd. Terwijl onze religieuze identiteiten poreuzer zijn geworden, heeft religie veel sociaal kapitaal opgeleverd waarmee we bruggen kunnen slaan naar anderen zonder dat we afstand doen van onze eigen religieuze loyaliteiten.

Dit gegeven laat zien hoe belangrijk het is om wat je kunt noemen ‘gekoppelde identiteiten’ te stimuleren: identiteiten die voorheen gescheiden etnische groepen in staat stellen om zichzelf te zien als leden van een grotere groep met een gedeelde identiteit.

Laat me, om te laten zien dat dit geen gemeenplaats is, kort herinneren aan een paar succesverhalen uit mijn eigen land.

Om te beginnen het Amerikaanse leger. Dat is een organisatie die betrekkelijk kleurenblind is geworden. Systematisch onderzoek heeft laten zien dat de gemiddelde Amerikaanse soldaat veel nauwere interraciale vriendschappen heeft dan de gemiddelde Amerikaanse burger van dezelfde leeftijd en dezelfde sociale klasse. Toch was nog geen dertig jaar terug het leger geen succesverhaal in rassenverhoudingen. Tijdens de Vietnamoorlog hoorde je regelmatig dat soldaten van verschillende rassen aanvallen op elkaar uitvoerden met handgranaten. We moeten dit meer in detail bekijken, maar zelfs dit korte overzicht suggereert dat iets wat het leger de afgelopen dertig jaar heeft gedaan, heeft geleid tot het herconstrueren van sociale identiteiten en een toename van sociale solidariteit, zelfs in de aanwezigheid van etnische diversiteit. Strikte handhaving van regels tegen discriminatie en schelden is een sleutelelement in dit verhaal, maar ik vermoed dat nieuwe nadruk op gedeelde identiteit die rassenlijnen overschrijdt, ook belangrijk is geweest.

Een tweede voorbeeld is even indrukwekkend. Historisch gezien hebben Amerikanen hun godsdienst in zo’n complete rassenscheiding beleefd dat godsdienstsociologen plachten te zeggen dat ‘11 uur zondagmorgen het meest gesegregeerde uur van de week’ is. In de laatste jaren zijn veel kerken, vooral evangelische megakerken, echter aanzienlijk geïntegreerder geworden, in rassentermen.

Een laatste voorbeeld is historisch gezien gecompliceerder, maar uiteindelijke relevanter voor ons thema. Een eeuw geleden beleefde Amerika een grote, aanhoudende immigratiegolf die onze traditionele etnische diversiteit op enorme wijze heeft doen groeien. Miljoenen immigranten van verschillende ‘rassen’ – een term die toen verwees naar Italiaanse en Poolse katholieken, Russische joden en anderen die zich verspreidden in een voorheen overwegend door witte angelsaksische protestanten (WASP’s) gedomineerde samenleving. Hoewel ik geen goed overzichtsonderzoek over die periode heb gevonden, heb ik het sterke vermoeden dat in die periode ook sprake was van veel in-je-schulp kruipen, zelfs binnen de gemeenschappen van immigranten. Toch voelen de kleinkinderen van de WASPs en die van de immigranten zich vijftig jaar later bij elkaar op hun gemak. Het beste kwantitatieve bewijs betreft het trouwen binnen de eigen groep. Een eeuw geleden was dat voor de nieuwkomers uit Oost- en Zuid-Europa de gewoonte, zo sterk dat je van ‘kastes’ kon spreken. Maar in 1990 heeft slechts eenvijfde van de blanke Amerikanen echtgenoten met dezelfde etnische achtergrond. Omgekeerd is de cultuur van immigrantengroepen doorgedrongen in het bredere Amerikaanse culturele kader, met de Amerikanisering van St Patrick’s Day, pizza en ‘joodse’ humor. In sommige opzichten zijn ‘zij’ net als ‘wij’, en in sommige opzichten omvat ons nieuwe ‘ons’ nu ook ‘hen’.

Dit was geen simpele, onvermijdelijke en probleemloze assimilatie, maar in de loop van verscheidene generaties werden de etnische verschillen gedempt en werden ze minder opvallend: assimilatie werd in de loop van de twintigste eeuw de belangrijkste trend voor deze immigranten. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat er op de korte termijn een uitruil is tussen diversiteit en gemeenschapsgevoel, maar dat met verstandig optreden (zowel publiekelijk als privé) dit effect kan worden verminderd.

Wat zijn de implicaties hiervan voor het beleid? Immigratiebeleid gaat niet alleen over aantallen en grenzen. Het gaat ook over het koesteren van een gevoel van gedeeld burgerschap. Hoe word je een succesvol immigratieland?

Tolerantie voor verschillen is slechts een eerste stap. Om het gevoel van een gedeelde identiteit te versterken, moeten we meer mogelijkheden scheppen voor etnische interactie in de manier waarop we werken, leren, recreëren en leven. Gemeenschapscentra, sportvelden en scholen behoorden een eeuw geleden tot de effectiefste instrumenten om nieuwe immigranten op te nemen, we moeten opnieuw investeren in dergelijke plaatsen en activiteiten, waardoor we allemaal in staat worden gesteld ons comfortabeler te voelen met diversiteit.

Veel immigranten willen zich aanpassen – de taal leren, bijvoorbeeld. Overheidssteun voor taaltraining, vooral in een situatie die banden tussen immigranten van verschillende etnische achtergronden aanmoedigt, zou hoge prioriteit moeten krijgen.

Aangezien de langetermijneffecten van immigratie en diversiteit vaak op nationaal niveau worden gevoeld (wetenschappelijke creativiteit, belastingopbrengst en dergelijke) terwijl de kortetermijnkosten (kwetsbare gemeenschappen, uitgaven voor onderwijs en gezondheidszorg bijvoorbeeld) vaak op het lokale niveau zijn geconcentreerd, moeten we ons sterk maken voor nationale steun aan de bewuste gemeenschappen.

Lokale programma’s om nieuwe immigranten te bereiken zijn over en weer een belangrijk leerinstrument. Religieuze instellingen – en nu, zoals een eeuw geleden, vooral de katholieke kerk – kunnen een hoofdrol spelen in het opnemen van nieuwe immigranten en het daarna smeden van gedeelde identiteiten over etnische grenzen heen. Een eeuw geleden waren in de VS etnische sociale groepen als de Sons of Norway of de Knights of Columbus of joodse hulporganisaties voor immigranten belangrijke beginstappen naar maatschappelijke betrokkenheid. Sociaal kapitaal binnen een groep kan zo een voorbode zijn van sociaal kapitaal tussen groepen, in plaats van dat uit te sluiten.

We moeten werken aan het overbruggen van de verschillen tussen groepen, net als aan het versterken van de banden binnen groepen. De Amerikaanse senator en presidentskandidaat Barack Obama, wiens levensverhaal de belichaming is van de banden tussen immigranten en mensen die in Amerika zijn geboren, heeft opgeroepen tot „een Amerika waarin ras op dezelfde manier wordt gezien als de etnische diversiteit onder de blanke bevolking. Mensen zijn er trots op Iers-Amerikaans of Italiaans-Amerikaans te zijn. Ze hebben een eigen cultuur die doorsijpelt in de (hele) cultuur en deze rijker en interessanter maakt. Maar het is niet iets wat de kansen van mensen bepaalt en er is geen gevoel van superioriteit of inferioriteit. [...] Als we deze houding kunnen uitbreiden tot Afro-Amerikanen en Latino-Amerikanen en Aziatische Amerikanen dan [...] kunnen al onze kinderen zich op hun gemak voelen met de wereld waar zij vandaan komen, in de wetenschap dat zij deel uitmaken van iets groters.”

Wetenschappelijk onderzoek naar immigratie, diversiteit en sociale cohesie kan makkelijk beladen worden wanneer de uitkomsten van het onderzoek deel gaan uitmaken van het politieke debat, maar dat debat moet wel worden gedragen door de feiten zoals we die zo goed mogelijk hebben vastgesteld. Het zou betreurenswaardig zijn als politiek-correcte progressieven zouden ontkennen dat diversiteit een uitdaging vormt voor de sociale solidariteit. Het zou even betreurenswaardig zijn als ahistorische en etnocentrische conservatieven zouden ontkennen dat het haalbaar en wenselijk is die uitdaging aan te gaan.

Max Weber wees politieke leiders in spe er bijna een eeuw geleden op dat ‘politiek als het langzaam boren in hard hout’ is. Het is niet eenvoudig om ons meer op ons gemak te gaan voelen met diversiteit, en het gaat ook niet van de ene dag op de andere. Maar het gaat sneller als we ons daar collectief voor inspannen, en uiteindelijk is het de moeite meer dan waard.

Een grote verworvenheid van de menselijke beschaving is ons vermogen om nieuwe lijnen te trekken voor een sociale identiteit die meer mensen omvat. Het motto van de Verenigde Staten en op onze dollarbiljetten, een motto dat ook de titel is van ons langere essay, e pluribus unum (uit velen één), weerspiegelt precies dat doel: een nieuwe eenheid te smeden uit een veelvormige diversiteit.

NRC Handelsblad
Oorspronkelijk artikel Robert Putnam

Labels: , ,

Vaderlandse geschiedenis... in Friesch Dagblad, 7 juli 2007.

Minister Plasterk schrijft historie: hij heeft vastgelegd wat iedere jonge Nederlander over de geschiedenis van zijn land moet weten. Er was al een geschiedenisprogramma voor bijvoorbeeld de basisschool, vastgelegd in de zogeheten kerndoelen. Dat is leerstof die kinderen minimaal moeten weten als ze de basisschool verlaten. Maar naar huidige inzichten is dat veel te weinig. De minister wil daarom méér vastleggen aan eisen, via de zogeheten canon van de vaderlandse geschiedenis.

De beslissing van Plasterk komt voort uit het besef dat het om allerlei redenen belangrijk is dat Nederlanders meer weten van de geschiedenis van hun land. Wie de geschiedenis van zijn land niet kent, gaat in zekere zin oppervlakkig om met het land. Wie bijvoorbeeld geen besef heeft van de wording van de democratie in Nederland, is minder toegerust om die democratie te onderhouden of te verbeteren. De moderne mens is een historisch wezen; zijn zelfverstaan en identiteit worden mede bepaald door de geschiedenis. Wie die geschiedenis niet kent, heeft het moeilijker om de eigen identiteit te beleven.

De winst van de maatregel van Plasterk is de erkenning van het belang van geschiedenis als schoolvak. Het gaat niet alleen om feitjes en weetjes, maar ook om het ‘historisch besef’, om de ervaring van de werkelijkheid als een historische werkelijkheid: ik sta in een traditie, ben mede gevormd door wat vorige generaties hebben meegemaakt, hebben gedaan en doorgegeven. Die ervaring wordt rijker als ik beschik over meer feitenkennis. Hoe meer ik weet, hoe beter ik verbanden kan zien en leggen, en hoe meer ‘instrumenten’ (bijvoorbeeld: woorden) ik heb om het ‘beter’ over de werkelijkheid te hebben en met die werkelijkheid kan omgaan.

...en godsdienstonderwijs

Er is een interessante parallel te trekken tussen het vak geschiedenis en godsdienstonderwijs. In dat laatste is net als bij geschiedenis, de afgelopen decennia de aandacht voor feiten en wetenswaardigheden verslapt. Net als bij geschiedenis gaat het bij godsdienstonderwijs niet om de feiten als zodanig, maar om kennis die de samenhang in het kennisgebied duidelijker maken. En die daardoor verdieping van inzicht mogelijk maakt. Daarbij geldt, net als bij geschiedenis, hoe meer we weten van wat er feitelijk in de Bijbel staat, hoe beter we zijn toegerust om door te dringen tot de kern van wat de Bijbel ons te zeggen heeft aangaande God, mens en wereld.

Het negeren van het belang van de feitelijkheden in de vaderlandse geschiedenis zou wel eens een factor kunnen zijn in de verzwakking van de beleving van het Nederlanderschap. Wie niet weet hoe ons land geworden is tot wat het is, wat de diepte- en de hoogtepunten zijn in moreel, in economisch of in cultureel opzicht, heeft nauwelijks reden om zich trots te voelen, of beschaamd; of om zich voor het land in te zetten. Nationale identiteit is geen vies woord; ze schept een kader waarbinnen mensen zich thuis kunnen voelen en biedt mensen een concrete mogelijkheid hun sociale en politieke verantwoordelijkheid te beleven. Bovendien biedt een nationale identiteit een kader voor het omgaan met effecten van globalisering en van de komst van mensen vanuit een andere cultuur. Het kader van nationale identiteit is daarbij geen afgrenzing, maar juist een mogelijkheid om op verstandige wijze met veranderingen door invloeden van buiten om te gaan.

Dergelijke redeneringen kunnen ook worden opgebouwd ten aanzien van feitenkennis in het godsdienstonderwijs. Hoe meer we weten, hoe beter we in staat zijn ons te ontwikkelen in het religieuze en in het gelovige. Feitenkennis van bijvoorbeeld de Bijbel en van de kerkgeschiedenis stelt ons in staat onze eigen religieuze en gelovige identiteit te versterken.

Eerherstel voor de feiten. Dat is de les die kan worden getrokken uit de constatering dat het treurig is gesteld met kennis van, en inzicht in vaderlandse geschiedenis. Hetzelfde kan gelden voor het godsdienstonderwijs. Een van de omstandigheden waarin de aandacht voor de feiten is verslapt, is de gedachte dat het op school en in de kerk vooral leuk moet zijn. In feite leidt die gedachte ertoe dat (jonge) mensen wordt onthouden dat ze zich kunnen ontwikkelen tot mensen die écht iets weten, die inzicht hebben in zichzelf en in de wereld en die in staat zijn om, ook in religieuze zin, volwassen, verantwoordelijke mensen te worden.

Friesch Dagblad

Labels: ,

donderdag, mei 31, 2007

HET BAAT NIET, EN SCHAADT WEL: 12 BEZWAREN TEGEN IMMIGRATIE in Elsevier, 26 mei 2007.

1 Immigratie is geen remedie tegen de vergrijzing
De Verenigde Naties en de Europese Commissie pleiten sinds de eeuwwisseling voor het binnenhalen van migranten uit ontwikkelingslanden als middel tegen de vergrijzing van Europa. Die opvatting werd in Nederland ook verspreid door de president van De Nederlandsche Bank Nout Wellink.
Maar de demografen Evert van Imhoff en Nico van Nimwegen berekenden al in 2000 dat er tot 2050 een jaarlijkse netto-instroom van 300.000 personen nodig zou zijn, met in 2011 een netto-instroom van 1,1 miljoen, om het bevolkingsaandeel van 65-plussers op het niveau van 1997 te houden. In 2050 zou de Nederlandse bevolking dan gegroeid zijn tot 39 miljoen mensen. En over een eeuw zou Nederland dan 100 miljoen inwoners hebben. De onderzoekers noemen deze weg 'haalbaar, noch wenselijk'.
Als de immigranten bovendien dezelfde gemiddelde sociaal-economische kenmerken hebben als de niet-westerse immigranten van de afgelopen veertig jaar, vormt hun komst al helemaal geen oplossing; zij werken minder, hebben vaker een uitkering en betalen minder belasting.
Bankpresident Wellink heeft deze 'oplossing' dan ook niet meer herhaald. Toch duikt deze remedie tegen de vergrijzing nog regelmatig op. De echte oplossing voor het vergrijzingsvraagstuk is een hogere arbeidsparticipatie, ook van ouderen, in samenhang met een hogere arbeidsproductiviteit. Om dat te bereiken zullen de overheidsuitgaven moeten worden beperkt en moeten de belastingen en premies naar beneden, zodat werken en ondernemen lonender worden. Maar dat was ook zonder vergrijzing al wenselijk.
 
2 Immigratie kost meer dan het oplevert
Zelfs in een land als de Verenigde Staten is het nettorendement van immigratie voor de samenleving vrijwel nul. In Nederland is het saldo zelfs uitgesproken negatief. In 2003 werd het financiële nadeel voor de Nederlandse overheid van een niet-westers gezin met twee jonge kinderen op 230.000 euro getaxeerd door het Centraal Planbureau. Daar komen nog specifieke uitgaven voor zaken als welzijnswerk, scholen en gevangenissen bij.
De niet-westerse immigranten van de afgelopen veertig jaar zijn onder meer zo duur voor de samenleving omdat ze minder werken, vaker een uitkering hebben, minder verdienen en minder belasting en premies betalen. Dit risico kleeft overigens ook aan de Oost-Europeanen die nu naar Nederland komen: ze verdienen minder dan gemiddeld, maar zijn, eenmaal officieel in Nederland gevestigd, minder vaak werkzaam.
Bij nieuwe hoogopgeleide migranten zou de financiële bijdrage aan de samenleving positief kunnen zijn. Maar in de praktijk gaat vooral de 'oude', financieel nadelige immigratie door, terwijl er ook Haagse en Brusselse plannen zijn om opnieuw minder kansrijke migranten binnen te laten.
Nieuwe migratieregelingen zijn bovendien uiterst fraudegevoelig. Zo heeft Nederland sinds 2004 een 'kenniswerkersregeling', die in de praktijk grootschalig frauduleus gebruikt wordt, zo wordt duidelijk uit diverse bronnen.
Als gevolg van immigratie wordt de etnische samenstelling van de bevolking steeds diverser. Die toenemende heterogeniteit heeft, hoewel vaak anders wordt beweerd, ook schadelijke economische effecten, onder meer door het verwateren van het onderlinge vertrouwen. De onderzoekers Alberto Alesina (Harvard University) en Eliana La Ferrara (Universiteit Bocconi) constateerden dat 'een hogere mate van etnische heterogeniteit leidt tot een lagere economische groei'.
Arbeidsmigratie heeft ook effecten op de lonen. Laagbetaalde migranten zijn gunstig voor werkgevers en hun afnemers, maar nadelig voor wie al laaggekwalificeerd werk deed. Dergelijke migratie drukt de lonen. Maar ook de import van hooggekwalificeerde arbeid kan een loondrukkend effect hebben. Zo constateerden de onderzoekers in 2005 dat de loonachterstand van hooggeschoolde bèta's in Nederland alleen kon worden verklaard door de relatief grote immigratie van bèta's.
Tenslotte kost het Nederland geld dat migranten vaak geld naar het herkomstland sturen. Nederlandse Marokkanen stuurden volgens onderzoek uit 2003 24 procent van hun totale inkomen naar Marokko en Turken 13 procent naar hun herkomstland. Navrant is dat deze immigrantengroepen ook hoog scoren in de Nederlandse armoedestatistieken.
 
3 Immigratie overbelast de verzorgingsstaat
Nederland heeft naar verhouding de hoogste uitkeringen en het hoogste wettelijke minimumloon in de wereld en daarnaast financieel aantrekkelijke voorzieningen op het gebied van zorg en huisvesting. Onderzoekers als de Amerikaanse econoom George Borjas toonden aan dat laagopgeleide immigranten een voorkeur hebben voor plaatsen waar de uitkeringen het gunstigst zijn.
Dat blijkt ook. Nederlandse immigranten uit onderontwikkelde landen hebben (veel) vaker een uitkering en maken ook vaker gebruik van de zorg- en de huurtoeslag. Hun arbeidsparticipatie ligt niet alleen lager dan die van anderen, maar is ook geringer dan in een land als Duitsland.
PvdA-leider Wouter Bos heeft er, nog in de oppositie, als eerste voor gepleit om nieuwe (arbeids-)migranten pas later recht op Nederlandse uitkeringen te geven. De vorige kabinetten-Balkenende wilden daar niet aan en het nieuwe kabinet heeft ook geen plannen in die richting. De Nederlandse verzorgingsstaat zal bij het oprekken van de immigratiemogelijkheden een blijvend aanzuigende werking hebben, vooral op migranten die toch al weinig beroepsperspectief hadden.
De aanhoudende oostwaartse uitbreiding van de Europese Unie verschaft steeds meer Europeanen (en straks wellicht ook Turken) toegang tot Nederland. Daarbij wil Brussel de toegang van niet-Europeanen tot de Europese Unie mogelijk maken. Daarbovenop zorgen Brusselse regels ervoor dat zowel Oost-Europeanen als andere migranten rechten krijgen op Nederlandse sociale voorzieningen. Als er geen keuze wordt gemaakt voor het uitsluiten van nieuwe migranten van de verzorgingsstaat – voorzover dat al mogelijk is – zal de uitkeringsmigratie toenemen. Het enige alternatief is dan een algehele versobering van de verzorgingsstaat.
 
4 Immigratie hindert integratie al aanwezige immigranten
Immigranten concurreren op de arbeidsmarkt vooral met de al aanwezige immigranten, die daardoor op het eerste gezicht slechter af zijn. In Nederland, met zijn (te) hoge wettelijke minimumloon, leidt dat tot verdrijving van die mensen van de arbeidsmarkt. Nieuwe immigratie uit minder ontwikkelde landen zal sociaal zwakke wijken verder belasten, 'zwarte' scholen zullen nog zwarter worden.
Als etnische populaties groter worden, neemt de kans op de vorming van 'parallelle samenlevingen' toe. Als de omvang en concentratie van etnische populaties toenemen, valt de druk om te integreren weg. Ontvangende samenlevingen staan ook negatiever tegenover grote groepen immigranten dan tegenover kleine. Ook dat ondermijnt de integratie bij voortgaande immigratie.
 
5 Verdere immigratie ontwricht cohesie
Een sterke toestroom van migranten 'met andere culturen en gewoontes' leidt tot 'maatschappelijke spanningen en verlies aan sociale cohesie,' zo stellen reeksen onderzoekers vast wat ervaringsdeskundigen al lang weten.
In reactie daarop vindt 60 procent van de Nederlanders dat er te veel buitenlanders zijn – slechts 1 procent vindt dat er te weinig zijn. Brits onderzoek wijst uit dat ook bijna de helft van de allochtonen vindt dat er te veel allochtonen zijn.
Volgens een brede definitie is al 18 procent van de Nederlandse bevolking van buitenlandse afkomst, waarvan meer dan de helft afkomstig is uit niet-westerse landen. Er zijn in Nederland verhoudingsgewijs net zoveel immigranten als in de Verenigde Staten. Etnische concentraties kunnen leiden tot het gevoel 'overlopen' te worden, het idee vreemdeling in eigen land te zijn.
De etnische concentratie in de grote steden en in bepaalde wijken is de laatste tien jaar bovendien sterk toegenomen, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. In 2004 waren er al ruim 450 buurten met meer dan een kwart niet-westerse allochtonen. Bijna de helft van die buurten ligt in de grote steden.
 
6 Immigratie gaat gepaard met import van vijandbeelden
Niet alle immigranten zijn toegewijd zijn aan de Nederlandse samenleving. Ze nemen bovendien tegenstellingen uit eigen land mee. Veel moslims blijken begrip te hebben voor aanslagen als die in de Verenigde Staten van 2001 en de moord op Theo van Gogh in 2004. Bovendien wijzen veel moslims westerse waarden als de democratische rechtsstaat en gelijkberechtiging van vrouwen en homo's af. Assimilatie, wat in de Verenigde Staten tot dusver gebruikelijk was, wordt in Nederlandse moslimkring doorgaans afgewezen.
De helft van de Turken en Marokkanen in Nederland vindt dat de westerse samenleving niet samengaat met die van moslims, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. De inlichtingendienst AIVD waarschuwt voortdurend dat de radicalisering van jonge moslims onverminderd doorgaat, evenals de afwijzing van de democratische rechtsstaat. Dergelijke opvattingen kunnen op den duur de rechtsstaat ondermijnen, zeker als leidende krachten in de Nederlandse samenleving geneigd zijn tot toegeeflijkheid. Het valt te betwijfelen of anti-westerse opvattingen minder sterk zullen worden als het opleidingsniveau van (nieuwe) immigranten van islamitische huize stijgt.
Immigratie kan ook gepaard gaan met het importeren van conflicten elders in de wereld, evenals met pogingen om het Nederlandse buitenlandse beleid te beïnvloeden. Voorbeelden zijn de Turks-Koerdische en Turks-Armeense conflicten en pogingen van Nederlandse Arabieren om het Nederlandse Midden-Oostenbeleid om te buigen ten gunste van Palestijnen en Arabische regimes.
 
7 Immigratie tast de leefbaarheid aan
Nederland is het volste land van de westerse wereld en de meeste Nederlanders willen geen voller land. Maar nieuwe en voortgaande immigratie hebben tot gevolg dat het land voller wordt en de beschikbare ruimte afneemt. Dat gaat gepaard met druk op natuur en milieu, langere files, vollere treinen, problemen met water en gebrek aan land voor huizen, bedrijven en vliegvelden. Veel mensen op een kluitje zou ook maatschappelijke spanningen kunnen vergroten. Een voller Nederland kan ook negatieve economische gevolgen hebben, zo berekende de Amsterdamse econoom Joop Hartog in 2002. Het leven wordt duurder in een vol land, mede doordat de schaarste aan ruimte de huizenprijzen opdrijft.
 
8 Immigratie leidt tot onderbenutting van mensen
Emigratie gaat gepaard met verlies van menselijk kapitaal. Dat iemand thuis goed is in zijn vak, wil nog zeggen dat hij ook in zijn nieuwe land meteen op hetzelfde niveau aan de bak kan. Immigranten missen landgebonden kennis en ervaring en hebben doorgaans een taalhandicap. Vaak missen ze een netwerk en zijn ze niet gewend aan specifieke Nederlandse codes.
Immigratie vanuit een arm land zal voor de betrokkene weliswaar veelal tot een inkomensverbetering leiden. Maar het is de vraag wat die betrokkene daarmee opschiet als hij in eigen land chirurg was en in Nederland niet verder komt dan op de taxi te rijden. De kansen om er wat van te maken in het nieuwe land zijn wel groter naarmate de afstand qua taal, cultuur en religie minder groot is. Dat is niet in het voordeel van wie uit Afrika of het Midden-Oosten komt.
 
9 Immigratie houdt innovatie tegen
Bedrijven die hun productieproces niet kunnen of willen moderniseren, dringen er vaak op aan (goedkope) arbeidskrachten te importeren om hun kosten laag te houden en zo te kunnen concurreren. Maar twee Haagse planbureaus (het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau) waarschuwden het tweede kabinet-Balkenende in 2004 al om niet de fouten uit het verleden te herhalen. 'In de periode 1960-1985 werden bedrijfstakken die het structureel moeilijk hadden in de internationale concurrentie (onder andere scheepsbouw en textiel) te lang en uiteindelijk vergeefs op de been gehouden via goedkope gastarbeid. Ook in de toekomst blijft het van belang tijdig bedrijfstakken te identificeren die zich structureel via laaggeschoolde immigranten (met lage lonen) op de internationale concurrentie staande proberen te houden. Te lang op een onhoudbaar “specificatiepad” doorgaan vermindert de algehele concurrentiekracht van de Nederlandse economie.' Dit zijn ernstige waarschuwingen voor wie, bijvoorbeeld in de land- en tuinbouw en de vleessector, denkt te kunnen overleven door het inschakelen van geïmporteerde arbeid.
 
10 Immigratie draagt bij aan misdaad
Van de Marokkaanse mannen van 18 tot 24 jaar wordt ruim 18 procent verdacht van criminaliteit en bij de Antillianen van die leeftijd is dat ruim 13 procent. Dat is aanzienlijk meer dan bij hun autochtone leeftijdsgenoten, die op minder dan 4 procent uitkomen, blijkt uit het Jaarrapport Integratie 2005. Westerse en niet-westerse allochtonen nemen de helft van alle gevallen van moord en doodslag voor hun rekening, terwijl ze minder dan 20 procent van de bevolking uitmaken. Turken, Surinamers en Antillianen staan bovenaan de lijst, blijkt uit het Elsevier-onderzoek naar moord en doodslag.
De Nederlandse gevangenisbevolking bestaat voor meer dan de helft uit mensen die niet in Nederland geboren zijn. Als degenen die een niet-Nederlandse ouder hebben worden meegerekend, zou het allochtone aandeel onder de gedetineerden nog hoger uitvallen.
De transnationale contacten van immigranten faciliteren ook de internationale misdaad. Zo zijn migranten vaak betrokken bij drugshandel, vrouwenhandel, witwassen, wapensmokkel, mensensmokkel en criminele afrekeningen. Het overgrote deel van de 'Nederlandse' gevangenen in het buitenland, meer dan tweeduizend, betreft immigranten die de Nederlandse taal vaak amper beheersen.
 
11 Immigratie maakt immigranten ongelukkiger
Verhuizen naar een ander land is vaak een pijnlijk proces. Immigranten voelen zich vaak nergens meer thuis. Arbeidsmigranten uit landen als Polen en de Filippijnen zien de gezinsbanden lijden onder hun afwezigheid.
Nederlandse Marokkanen en hun kinderen worden verscheurd tussen Marokkko en Nederland. Oudere Marokkanen zouden wel terug willen, maar hun kinderen en de uitkeringen houden hen in Nederland. Marokkaanse jongens raken verscheurd tussen de meegebrachte cultuur en Nederland en lijden volgens directeur Sadik Harchaoui van het multiculturele instituut Forum, zelf Marokkaan, overmatig vaak aan schizofrenie. Terugkeer is ook niet aantrekkelijk omdat het als oneervol kan worden gezien.
 
12 Immigratie helpt de herkomstlanden niet
Immigratie vanuit arme landen wordt door hoeders van de ontwikkelingshulp aanbevolen om de herkomstlanden te helpen. De vertrekkers uit die landen sturen geld terug, waarmee ze hun land helpen. En als ze terugkeren brengen ze kennis mee, waar het land ook nog wat aan heeft, zo luidt de redenering. Die redenering is ondeugdelijk. Landen als de Filippijnen en Marokko houden zich weliswaar deels op de been met terugstortingen (wereldwijd zo'n 220 miljard euro), maar ze ontwikkelen zich niet. Bovendien raken onderontwikkelde landen vaak juist hun beste krachten kwijt. Het pijnlijkst is de export van medici en verpleegkundigen uit het door aids en andere ziekten geteisterde Afrika.
Het op gang brengen van 'circulaire migratie' van tijdelijke migranten die kennis en geld terugbrengen naar hun land van herkomst – ideeën die in Brussel en Den Haag leven – zal bovendien een illusie blijken. Het is dezelfde denkfout die de basis vormde voor de mislukte gastarbeid naar Nederland eind jaren zestig.

Bron: Elsevier

Labels: , , ,

woensdag, mei 30, 2007

Volksverhuizing: stop zinloze immigratie! in Elsevier, 26 mei 2007.

Het lijkt wel of Brusselse en Haagse politici de kostbare lessen uit het recente verleden geheel zijn vergeten. Het kabinet-Balkenende en de Commissie-Barroso nemen voortdurend maatregelen om de immigratie te vergemakkelijken. De gevolgen van dat beleid zouden voor Nederland weleens desastreus kunnen uitpakken.

In Brussel en Den Haag worden deze maanden ontwikkelingen in gang gezet waarvan de gevolgen voor Nederland amper te overzien zijn, maar die desastreus kunnen uitpakken. Als het aan Brusselse en Haagse bureaucraten ligt, gaan de grenzen van Europa en die van Nederland wijd open. Liefst voor hoogopgeleiden, maar ook voor kanslozen.

De argumenten die daarvoor worden gebruikt, zijn talrijk maar weinig valide of aantoonbaar onjuist. Want immigratie van buiten Europa is onnodig, helpt niet tegen de vergrijzing, doet de economie geen goed, bedreigt de overheidsfinanciën en zal de door velen gekoesterde Nederlandse verzorgingsstaat onder druk zetten. De samenhang in de samenleving wordt verder ontwricht, vijandige denkbeelden worden nog massaler geïmporteerd en Nederland zal er niet veiliger op worden. En was de ruimte al niet te krap, werd de natuur al niet bedreigd, waren de files niet te lang? De kostbare lessen uit het recente verleden lijken vergeten. Zowel Brussel als Den Haag gaat voorbij aan de veelal mislukte landverhuizing van de miljoenen die de nieuwe migranten uit onderontwikkelde landen voorgingen.

Er wordt geen rekening mee gehouden dat die 'oude' immigratie intussen gewoon doorgaat. Dat de Europese Unie al een half miljard inwoners van buiten haar grenzen heeft die kunnen gaan en staan waar ze willen. En dat er bij verdere uitbreiding van de Europese Unie (Balkan, Turkije) nog eens honderd miljoen bij komen. Bovendien wordt over het hoofd gezien dat wat voor Spanje en Italië nuttig kan lijken, voor Nederland rampzalig kan uitpakken. Niet dat Nederland zich eraan kan onttrekken. Anders dan Denemarken, dat zich buiten het Europese migratiebeleid heeft gehouden, is Nederland gebonden aan Brusselse besluiten die het land openzetten voor iedereen die van Brussel naar binnen mag. Dat proces wordt voor Nederland helemaal onbeheersbaar als in het nieuwe Europese verdrag, net als in de afgewezen Grondwet, de immigratie feitelijk een Europese zaak wordt.

Het kabinet-Balkenende zou Nederland, naar Deens voorbeeld, buiten die ontwikkeling moeten plaatsen, maar doet gek genoeg het omgekeerde. Het maakt van immigratie een Brusselse zaak. Het toch al moeizame Nederlandse immigratie- en integratiebeleid wordt weggegeven aan Brusselse bureaucraten en aan andere landen met vaak heel andere belangen dan de Nederlandse.

In Den Haag circuleren ook eigen plannen om opnieuw gastarbeid uit ontwikkelingslanden mogelijk te maken. Dat zou een aantrekkelijke nieuwe vorm van ontwikkelingshulp zijn. De enige nieuwe migratie van buiten Europa die Nederland onder strenge voorwaarden kan helpen, is een zeer beperkte toelating van zeer hoogopgeleiden. Maar dat kan al! Sterker nog, Nederland is daar makkelijker in dan menig ander Europees land. Jammer genoeg is de fraudegevoeligheid van die regelingen zo groot en de controle zo beperkt, dat er ook bij het toelaten van deze kenniswerkers kan worden gefraudeerd.

Daarbij laat het kabinet-Balkenende ook nog eens de remmen los met de 'oude' migratie. Oude asielzoekers mogen met tienduizenden blijven, hoewel ze geen recht op asiel hebben. Nieuwe asielzoekers die de zaak willen flessen, worden in tegenstelling tot de afgelopen jaren niet meer binnen twee dagen weggestuurd.

Asielvragers mogen weer, net als in de jaren negentig, groepsgewijs blijven omdat het in hun land onaangenaam is, niet omdat hun persoon in het geding is. Criminele Antillianen worden niet, zoals de bedoeling was, teruggestuurd. En de moeizaam doorgevoerde inperking van schadelijke familiemigratie is alweer aan het eroderen, door fraude of door – met dank aan Brussel – omleidingen via andere Europese landen. Deze combinatie van hardleers Haags beleid en schadelijke Brusselse maatregelen druist rechtstreeks in tegen de belangen van de meeste Nederlandse burgers.

Bron: Elsevier

Labels: , ,

zaterdag, mei 19, 2007

Fortuyn-revolte: terugblik na vijf jaar door S.W. Couwenberg, mei 2007.

Opinieblad VNO-NCW van 10 mei 2007 kondigde het einde aan van het Fortuyn-tijdperk. Dat einde wordt kennelijk gekoppeld aan dat van de LPF als politieke machtsfactor. Maar de moord op Fortuyn betekende echter al het einde van zijn revolte in de landelijke politiek. De LPF was niet in staat die revolte in het beleid gestalte te geven en heeft daaraan ook niets toegevoegd. De belangrijkste politieke erfgenaam van zijn revolte is dan ook niet zozeer de LPF maar Leefbaar Rotterdam. Die partij is er wel in geslaagd in de geest van zijn revolte een stempel te drukken op het beleid in Rotterdam. Alleen in die partij leeft de geest van Fortuyn nog voort. Vijf jaar na de moord op Fortuyn is er in de media niettemin nog veel aandacht geschonken aan de historische betekenis van zijn revolte in 2002. Die betekenis wordt m.i. echter nog onvoldoende onderkend. Vandaar dat ik daar hier nog eens nader op wil ingaan. Alvorens dat te doen, wil ik eerst nog even stilstaan bij de demonisering van Fortuyn omdat dat in de media bij herdenkingen van de moord op hem nauwelijks nog aandacht krijgt.

Demonisering
Nederland bood altijd het toonbeeld van een lieve democratie, waarin een politieke moord ondenkbaar leek, aldus Eerste Kamervoorzitter Gerrit Braks in zijn herdenkingstoespraak een dag na de moord op Pim Fortuyn vijf jaar geleden. Maar zo lief is onze democratie als het erop aankomt toch niet. Wel is zij dankzij onze consensustraditie minder hard en agressief dan het Angelsaksische model van democratie waar twee grote partijen keihard met elkaar om de macht strijden. Lief is zij ook alleen voor wie deel uitmaakt van de gevestigde politieke families, ons soort mensen, zoals Fortuyn niet zonder enige ironie placht te zeggen. Die ontzien elkaar meestal redelijk omdat zij elkaar altijd weer nodig hebben. Maar wie als buitenstaander het lef heeft in te breken in het gevestigde partijpolitieke bestel en in de ogen van het politieke establishment op populistische wijze gevestigde machtsposities serieus in gevaar brengt zoals Fortuyn in 2002 onverhoeds deed, die wordt ongenadig aangepakt en onderuit gehaald. Dat heeft Fortuyn figuurlijk en letterlijk aan den lijve ervaren. Via demonisering van zijn politieke visie en politieke karaktermoord op zijn persoon is dat tenslotte uitgelopen op de politieke moord die wij vandaag opnieuw herdenken.

Als we nog eens op een rijtje zouden zetten wat Fortuyn van de zijde van de gevestigde politiek allemaal over zich heen gekregen heeft om hem in een zo kwalijk mogelijk daglicht te plaatsen, dan is dat hoogst gênant voor al die politici, wetenschappers en journalisten die daaraan mee gedaan hebben en daaraan nu liever niet meer herinnerd willen worden. Ik heb dat indertijd wel gedaan in mijn boek over de Fortuyn-revolte en daarna is dat eveneens gedaan door de docent filosofie en Nederlandse letterkunde René Marres. Maar die kwalijke bestrijdingswijze van de Fortuyn-revolte krijgt bij herdenkingen van de moord op hem in de media nog altijd weinig aandacht. Telegraaf-columnist Kees Lunshof presteerde het overigens de demonisering van Fortuyn nog eens dunnetjes over te doen door hem op 6 mei jl. in zijn krant opnieuw op denigrerende wijze te diskwalificeren als relnicht en doorgeslagen extremist die op de onderbuikgevoelens van het kuddevolk politiek gewin zocht. Wat dat laatste betreft, is het onder de kranten niet vooral de Telegraaf die graag appelleert op die onderbuikgevoelens van het kuddevolk?

Een intrigerende vraag voor Fortuyn-kritici was aanvankelijk hoe de onverhoedse politieke opgang van Fortuyn te verklaren? Jarenlang gold hij in kringen van de gevestigde politieke en journalistiek als een herkenbare schertsfiguur die aan de zijlijn wel wat politiek kabaal mocht maken omdat dat geen echt politiek gevaar opleverde. Toen hij via Leefbaar Nederland en daarna de LPF plotseling de kans kreeg het boegbeeld te worden van een serieus te nemen politiek alternatief, werd dat echter anders en werden onmiddellijk alle invectieven uit de kast gehaald om het volk diets te maken dat een groot gevaar ons land bedreigde. Een nieuwe Mussolini zou zijn opgestaan, riepen om enkele onheilsprofeten uit dat geruchtmakende jaar 2002 te citeren de toenmalige VVD-voorzitter, Volkskrant-columnist Jan Blokker, PvdA-ideoloog Bart Tromp en Manuel Kneepkens van de Stadspartij die Fortuyn ook opvoerde als fascist in Armani-pak. Op systematische wijze werd Fortuyn in de hoek gedrukt van een naar racisme en fascisme riekende politieke oriëntatie. In het Historisch Nieuwsblad deden Nederlandse historici hun best om de nieuwe politiek van Fortuyn op één lijn te stellen met die van de NSB. Marcel van Dam had dat al eerder gedaan. Als we Fortuyn in historisch perspectief willen plaatsen, dan staat hij veeleer in de traditie van de democratische patriottenbeweging eind 18e eeuw. Hij verwijst daar zelf ook nadrukkelijk naar, met name naar het befaamde geschrift Aan het volk van Nederland van de patriottische voorman J.D. van der Capelle.

Die demonisering van Fortuyn is daarom zo gênant voor zijn politieke vijanden omdat de gevestigde partijen van links en rechts zijn politieke programma na zijn dood in vergaande mate overgenomen hebben. Zij namen zodoende in feite hun met veel tamtam gelanceerde beschuldigingen van racisme en fascisme zelf niet eens serieus. Maar wel hebben zij ermee bereikt dat Fortuyn grote moeite had mensen met de nodige kwaliteiten voor de lijst van zijn ijlings opgerichte partij aan te trekken omdat velen ervoor terug schrokken besmet te raken met het voor hun carrière uiterst schadelijke virus van racisme en fascisme waarmee de vijanden van Fortuyn zijn nieuwe politiek inmiddels geïnfecteerd hadden. En dat is Fortuyn noodlottig geworden.

Door de moord op hem bleef de LPF die organisatorisch nog helemaal in de steigers stond, verweesd en stuurloos achter. Uitsluitend dankzij de revolte van Fortuyn tegen de gevestigde politiek behaalde die plotsklaps politiek onthoofde partij liefst 26 kamerzetels. In plaats van zich eerst te concentreren op de opbouw van de partij en op het scheppen van de nodige samenhang in de ijlings bij elkaar getrommelde kamerfractie van veelal politiek onervaren lieden toonde de leiding van die fractie zich onmiddellijk bereid regeringsverantwoordelijkheid op zich te nemen hoewel dat op dat moment haar krachten verre te boven ging. Zij beschikte niet eens over eigen gekwalificeerde ministerskandidaten. Bovendien ging zij daarmee in tegen hun vermoorde leider. Die had namelijk een duidelijke voorkeur voor een zakenkabinet, met andere woorden een extraparlementair kabinet dat regeert met wisselende meerderheden. Dat had een heel welkome bijdrage kunnen leveren tot herstel van het dualisme tussen regering en parlement dat in onze partijendemocratie weinig meer voorstelt en in het voetspoor van Thorbecke ook sterk de voorkeur had van Fortuyn. Zoals ik eerder al uiteengezet heb was dat besluit om zonder de nodige waarborgen deel te nemen aan een nieuw kabinet een grandioze blunder en is dat ook spoedig afgestraft met de val van het eerste kabinet-Balkenende. Voor de gevestigde politiek was die val een ‘blessing in disguise’. Het leidde het roemloze einde in van de LPF. Dat Fortuyn zelf al de voorwaarden gecreëerd had voor die tragische afgang zoals R. Bouwman in HP/De Tijd (van 4 mei jl.) beweert, valt hem m.i. slechts ten dele toe te rekenen. Zoals gezegd moest Fortuyn niet alleen in ijl tempo een kandidatenlijst voor de Tweede Kamer samenstellen, bovendien bedankten velen die hij vroeg voor de eer van volksvertegenwoordiger omdat zij liever niet geassocieerd wilden worden met een partij die door de hetze tegen Fortuyn zo omstreden geraakt was. Desondanks is de Fortuyn-revolte m.i. in velerlei opzichten succesvol geweest.

Historische betekenis
Wat is achteraf de historische betekenis van zijn revolte? Wat politieke vijanden aanvankelijk trachtten te bagatelliseren als een incident, een mediahype, een kwalijke massahysterie, wordt nu in de politieke literatuur evenals in de media aangemerkt als een reële politieke breuk in de Nederlandse politieke ontwikkeling. Vandaar dat na zijn verscheiden dan ook gesproken wordt van het post-Fortuyn tijdperk. Een van de grote veranderingen die dat tijdperk kenmerken is het feit dat onze Nederlandse identiteit dankzij Fortuyn een serieus te nemen politiek thema geworden is. Sinds de jaren zestig werd dat jarenlang als iets volstrekt irrelevants beschouwd. Wie dat thema wel serieus nam, werd al gauw geassocieerd met hoogst bedenkelijke nationalistische sentimenten, met cultureel racisme e.d. en daarmee in een foute hoek weggezet. Dat heb ik ook zelf ervaren. En dat overkwam Fortuyn ook nog. Door op te komen voor zo iets oudbakkens als een Nederlandse identiteit zou hij de geur verspreiden van een kwalijk riekend spruitjesnationalisme. En wat naar spruitjes riekt deugt sinds de jaren zestig volstrekt niet meer, hoewel spruitjes toch een gezonde groente is.

Maar wat zien we de laatste jaren? Nu hebben we ineens een breed gedragen nationale trots nodig, een hernieuwde en herkenbare Nederlandse identiteit om onze omgang met nieuwkomers tot een succes te maken zoals D66-coryfee Brinkhorst in 2005 betoogde in zijn toespraak bij de opening van het academische jaar van de Leidse Universiteit. Tot dan toe was dat in zijn partij een heel foute, want rechtse opstelling geweest evenals trouwens in de PvdA. Maar ook daar heeft de Fortuyn-revolte een omwenteling teweeg gebracht. PvdA-leider W. Bos pleit nu eveneens met veel aplomb voor herstel van onze nationale trots, ja voor het cultiveren van de Nederlandse droom, nog niet zo lang geleden een vloek in de linkse kerk. Fortuyn heeft daarmee op doeltreffende wijze afgerekend met de linkse weg-met-ons-mentaliteit, die jarenlang tot de goede toon behoorde wilde men meetellen in politiek correct geachte kringen.

Die mentaliteit had o.a. ook tot gevolg dat de integratie van allochtonen in onze samenleving en cultuur jarenlang niet serieus genomen is, ja zelfs met een racistische mentaliteit geassocieerd werd. Het is vooral dankzij de revolte van Fortuyn dat die integratie nu een belangrijk onderdeel geworden is van het regeringsbeleid. Tot het beleid van het nieuwe kabinet behoort nu ook het voornemen om de Nederlandse taal als cruciaal element van onze Nederlandse identiteit in de grondwet te verankeren. Dat is geen overbodige luxe, gezien de neiging van velen in dit land hun taal louter te waarderen als middel tot communicatie. Daardoor is die taal heel kwetsbaar geworden tegenover het oprukkende Engels als wereldtaal. Er zijn zelfs al meerdere pleidooien gehouden voor afschaffing van het Nederlands ten gunste van het Engels. Wat stelt die Nederlandse identiteit eigenlijk nog voor? Wat bindt ons als Nederlanders nog, is een vraag die sinds de jaren zestig jarenlang in progressief geachte kringen gesteld werd. Toch is die vraag niet zo moeilijk te beantwoorden als men enig historisch besef heeft. Wat ons bindt is namelijk een gemeenschappelijk verleden met al de conflicten die daarvan deel uitmaken. Dat is een gemeenschappelijke taal en cultuur. En dat is uiteraard ook een gemeenschappelijke toekomst. Met zijn revolte heeft Fortuyn een belangrijke impuls gegeven aan de politieke discussie over de Nederlandse identiteit en mede ertoe bijgedragen haar te bevrijden uit de ideologische en verzuilde denkcategorieën die die discussie zo lang belast en beperkt heeft.

Zijn opkomen voor die identiteit als relevante politieke en maatschappelijke factor neemt niet weg dat Fortuyn tegenover bepaalde aspecten van die identiteit niet kritiekloos stond. Zo had hij een broertje dood aan het eindeloos polderen over urgente problemen en de stroperige en halfslachtige besluitvorming die daarvan het gebruikelijke gevolg is. Heel weinig op had hij ook met de diepgewortelde regententraditie in dit land, waardoor het volk aan de basis, zoals de rebellerende generatie van de jaren zestig dat placht te noemen, zoveel mogelijk op afstand van politieke besluitvorming wordt gehouden. Vandaar de weerzin van onze politieke elites tegen referendum en volksinitiatief, al hebben we wel een staatscommissie-Biesheuvel gehad die daar in de jaren tachtig op krachtige en overtuigende wijze voor gepleit heeft. Maar dat pleidooi is toen door de gevestigde politiek volstrekt genegeerd. Als gevolg van die regententraditie is de Europese integratie ook zo lang een exclusieve aangelegenheid geweest van politieke en bestuurlijke elites. In een moment van politiek verstandsverbijstering heeft de gevestigde politiek niettemin besloten plotsklaps en in een vloek en een zucht een adviserend referendum te houden over zo’n complexe materie als Europese grondwet zonder het volk daarover eerst voldoende te informeren, ervan uitgaande dat het volk daar zondermeer vóór zou zijn.

Na de Fortuyn-revolte is opnieuw gebleken hoezeer de gevestigde politiek vervreemd geraakt was van wat onder het volk leeft. Fortuyn was zelf volstrekt niet tegen Europese integratie. Hij vond dat een uniek project. Alleen had hij er bezwaar tegen dat onze Nederlandse soevereiniteit en identiteit daaraan teveel en te nonchalant ondergeschikt gemaakt werden wat jarenlang deel uit gemaakt had van politiek correct denken. Tijdens de Fortuyn-revolte werd hij om die reden nog als exponent van rechtspopulisme beticht. Nu vindt zijn standpunt ook op dit punt van rechts tot links brede weerklank.

Tot de historische betekenis van de Fortuyn-revolte reken ik ook dat hij op overtuigende wijze niet alleen de problematische kloof tussen de gevestigde politiek en de burgers aan het licht gebracht heeft maar ook die tussen de media en de burgers. Achteraf heeft de professionele journalistiek ruiterlijk erkend hoezeer zij zich aanvankelijk verkeken heeft op de politieke onvrede onder het volk die Fortuyn onverhoeds op zo succesvolle wijze wist te vertolken.

De sluimerende crisis van onze representatieve democratie die tijdens de Fortuyn-revolte nog sterker dan voorheen aan het licht kwam, duurt nog onverminderd voort, al probeert het nieuwe kabinet daar wat aan te doen door in de eerste honderd dagen zijn oor te luister te leggen bij voornamelijk georganiseerd Nederland. Maar de gevestigde politiek weigert nog altijd onze democratie meer representatief te maken, bijvoorbeeld door onze gezagsdragers direct te laten kiezen en via referenda het volk meer bij grote kwesties die ons allen aangaan te betrekken. Wel is sinds de jaren zestig een reeks van rapporten van staatscommissies en andere gremia verschenen om daar wat aan te doen. Maar daar gebeurt allemaal niets mee. Een enorme verspilling van politieke creativiteit en energie en uiteraard ook van publieke middelen. Het nieuwe kabinet heeft ook niets gedaan met de voorstellen van de vorig jaar ingestelde Nationale Conventie. Dat duidt er opnieuw op dat de gevestigde politiek wat haar eigen functioneren betreft nog weinig geleerd heeft van de historische betekenis van de Fortuyn-revolte.

Meer nog dan voorheen heeft die revolte ons geleerd dat het electoraat in vergaande mate losgeraakt is van de oude ideologische scheidslijnen waaraan ons partijpolitieke bestel nog steeds zijn bestaansreden ontleent, maar die door kiezers bij iedere verkiezing met groot gemak overschreden worden. De onverwacht grote winst die het CDA bij de verkiezingen van 15 mei 2002 wist te behalen dankte die partij zeker niet aan zijn hernieuwde ideologische oriëntatie zoals wel beweerd is, maar voornamelijk aan strategisch stemgedrag dat steeds meer de verkiezingsuitslag bepaalt. Veel potentiële Fortuyn-kiezers die in de lijst van de LPF na de plotselinge dood van Fortuyn weinig vertrouwen meer hadden, konden hun oppositie tegen Paars toen alleen nog kenbaar maken door op het CDA te stemmen. En dat hebben zij dan ook in groten getale gedaan, hoewel het CDA in zijn oppositie tegen Paars weinig succesvol was geweest zoals tot kort voor de moord op Fortuyn uit de peilingen duidelijk gebleken is. Dankzij de Fortuyn-revolte heeft het CDA zich succesvol kunnen herstellen van zijn pijnlijke politieke terugval in de jaren negentig en heeft het daarom op de keper beschouwd het meest geprofiteerd van de Fortuyn-revolte.

Het onverwacht grote succes van de Fortuyn-revolte heeft zonneklaar aangetoond dat de uitslag van de politieke concurrentiestrijd niet langer bepaald wordt door de oude ideologische scheidslijnen van de oude politiek, maar door de wijze waarop actuele politieke thema’s en strijdpunten aangepakt worden en het vertrouwen dat concurrerende partijleiders inboezemen om leiding te geven aan het te voeren beleid. Niet langer de ideologie van de oude politiek, maar de persoon van de politieke leider als persoonlijke belichaming van een aansprekende politieke visie bepaalt steeds meer de uitkomst van de politieke concurrentiestrijd. Ook dat heeft de Fortuyn-revolte meer dan voorheen aan het licht gebracht.

Onze klassieke partijen raken steeds meer maatschappelijk ontworteld en daardoor in toenemende mate afhankelijk van staatssteun. Zij moeten hun bestaansreden bij iedere verkiezing opnieuw waarmaken en nieuwe politieke concurrentie het hoofd bieden. Vandaar dat politieke marketing zo in de lift zit in de strijd om het politieke voortbestaan. Politieke partijen krijgen daardoor steeds meer het karakter van politieke ondernemingen, geleid door politieke entrepreneurs en Fortuyn is daarin op succesvolle wijze voorop gegaan, al is zijn politieke initiatief in de knop gebroken door de politieke moord die we vandaag herdenken. Zijn revolte heeft ook op dit punt niettemin een nieuwe trend gezet. In de geest van de oude politiek dienen politieke partijen zich nog te presenteren als maatschappelijke vereniging. Naar aanleiding van de partij van Wilders die slechts strikt formeel een vereniging is is de vraag gerezen of we nog moeten vasthouden aan die verenigingsvorm. Waarom, aldus de Leidse politicoloog Andeweg, niet ook stichtingen en natuurlijke personen laten deelnemen aan verkiezingen. Het is, zo vindt hij, aan de kiezers en niet aan de wetgever om uit te maken op wat voor partij zij willen stemmen.

Zoals gezegd hebben de politieke vijanden van Fortuyn hardnekkig geprobeerd zijn revolte in een extreem-rechtse hoek te manoeuvreren. Ik heb dat van stonde af aan bestreden. Kenmerkend voor zijn politieke opstelling was juist dat hij zich nadrukkelijk distantieerde van het oude en simplistisch geworden links-rechts schema. Ik buig niet naar links en ik buig niet naar rechts, verklaarde hij nadrukkelijk aan het begin van zijn politieke carrière. En dat was geen loutere verkiezingskreet. Als we zijn politieke programma onbevooroordeeld analyseren dan zien we daarin een duidelijke vermenging van linkse en rechtse ideeën en actiepunten. Dat zowel links als rechts geheten partijen met de politieke erfenis van Fortuyn aan de haal zijn gegaan illustreert opnieuw dat Fortuyn zich had losgemaakt van dat simplistische links-rechts schema. Het Britse dagblad The Daily Telegraph vergeleek zijn programma dan ook met de derde weg van de Britse New Labour-leider Tony Blair. Juist door die combinatie van linkse en rechtse ideeën had Fortuyn zich ideologisch ongrijpbaar gemaakt en was hij niet in een ideologisch, i.c. extreem-rechts hokje te vangen, hoe hardnekkig zijn vijanden dat ook geprobeerd hebben. Zijn pleidooi voor herstel van de menselijke maat als reactie op de praktijk van schaalvergroting in onderwijs, landbouw, medische zorg, gemeentelijk bestuur e.d. dat aanvankelijk werd weggehoond als nostalgie naar de spruitjeslucht van de jaren vijftig, maar nu brede weerklank vindt, dat pleidooi staat haaks op alles wat zweemt naar politiek extremisme.

De linkse kerk heeft zich jarenlang opgeworpen als toonbeeld van intellectuele en morele superioriteit. Tot de historische betekenis van de revolte van Fortuyn reken ik ook de wijze waarop hij die pretentie ontmaskerd heeft als een leeggelopen ballon. In linkse kringen spreekt men nu zelf niet voor niets over de ideologische leegte van links. Als na de Fortuyn-revolte gesproken wordt over Nederland als een natie in verwarring, betreft dat voornamelijk links georiënteerd Nederland.
Dat beklaagt zich nu over de intolerante sfeer die kenmerkend is voor het post-Fortuyn tijdperk en brengt dat in verband met Fortuyns meest bekende leuze: ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. Maar die leuze was een normale historische reactie op de sinds de jaren zestig heersende cultus van links georiënteerd politiek correct denken. Dat was zelf een saillante uiting van politieke intolerantie. Standpunten die daarvan afweken en die nu vrij algemeen aanvaard zijn, werden toen onmiddellijk met kwalijke etiketten zoals racisme en fascisme gestigmatiseerd. Velen raakten daardoor zo geïntimideerd dat zij maar hun mond hielden. Het fenomeen van de zwijgende meerderheid is daardoor ontstaan. De Fortuyn-revolte heeft die zwijgende meerderheid een stem gegeven en velen die daartoe behoorden gemobiliseerd tegen de gevestigde politiek. Dat is onmiddellijk als populistische reactie gebrandmerkt. Maar het populisme van Fortuyn was door en door democratisch. Hij signaleerde en agendeerde lange tijd niet of onvoldoende erkende problemen, corrigeerde het naar binnen gekeerde politieke bestel en beoogde zodoende een herstel van de omstreden geraakte legitimiteit van de Nederlandse partijpolitiek.

De herdenking van de politieke moord op Fortuyn staat van stonde af aan in het teken van zijn strijd voor het vrije woord. Die strijd gaat onverminderd voort. Uit een onlangs gepubliceerd onderzoek dat verricht werd in opdracht van het Nationale Comité 4 en 5 mei blijkt namelijk dat liefst 38 procent van de ondervraagden niet voor zijn of haar mening durft uit te komen.

Sinds de Fortuyn-revolte verkeert Nederland in een snelkookpan. Politieke verhoudingen en ijkpunten die ideologisch vast verankerd leken zijn vloeibaar geworden en bieden niet langer het nodige houvast. Links is niet meer links en rechts is niet meer rechts, zoals de Nijmeegse politicoloog Graham Lock onlangs opmerkte naar aanleiding van de Fortuyn-revolte. Aan de vooravond van de herdenking op 6 mei 2003 van de moord op Fortuyn schreef NRC Handelsblad: “Vriend en vijand zijn het erover eens dat Fortuyn het voorspelbare en tam geworden politieke debat in Nederland nieuw leven ingeblazen heeft en kwesties gepolitiseerd waarop de politiek haar greep verloren had.” Bij de herdenking in dat jaar is ook de vraag geopperd of zijn politieke revolte een vervolg zal krijgen. HP/De Tijd sprak in dit verband over de vacature-Fortuyn. Met Geert Mak zag dat blad toen in de Fortuyn-revolte een voor-revolutie. Een opinie-onderzoek van Intermart een jaar later bevestigde die vacature. Ruim 49 procent van de bevolking, zo bleek daaruit, vindt dat Nederland een nieuwe Pim Fortuyn nodig heeft.

Als de Fortuyn-revolte iets duidelijk gemaakt heeft is het toch wel de grote kwetsbaarheid van de oude politiek. Hoe valt anders te verklaren dat zij door een lange tijd volstrekt niet serieus genomen politieke buitenstaander als Fortuyn in luttele maanden zo in het nauw gedreven kon worden en zich alleen nog staande wist te houden door tegen hem een bijzonder venijnige hetze te ontketenen die hij niet overleefd heeft.

We zijn nu vijf jaar verder. De Nederlandse politiek lijkt nu weer in oude sporen teruggevallen. Maar schijn bedriegt. Ik ga niet zover als de Tilburgse bestuurskundige Marcel Boogers die meent dat politieke partijen als intermediair tussen burgers en de overheid hun langste tijd gehad hebben. Wel geldt dat voor de oude partijpolitiek. In het 24e jaarboek van het democratisch socialisme van de Wiardi Beckman Stichting getiteld Politieke partijen op drift werden de oude partijen opgevoerd als oude diva’s die hun vergane glorie onder dikke lagen make up en flatteuze kledij proberen te camoufleren.

Dankzij de geaborteerde Fortuyn-revolte heeft de oude partijpolitiek uitstel van executie gekregen. In bepaalde opzichten heeft zij wel wat geleerd van zijn revolte, maar nog lang niet genoeg. Alle reden dus om de oude partijpolitiek kritisch te blijven volgen en zonodig met nieuwe initiatieven in de politieke ring te springen om de oude politiek in de geest van de Fortuyn-revolte opnieuw uit te dagen en nieuwe wegen te verkennen naar de toekomst van dit land en van Europa dat sinds de jaren vijftig onlosmakelijk deel uitmaakt van onze gemeenschappelijke toekomst.


Bewerking van een toespraak, op 6 mei jl. in Rotterdam gehouden bij de herdenking van de politieke moord op Fortuyn

Labels: ,

zaterdag, januari 27, 2007

'Ik zou mezelf een menselijke conservatief willen noemen' in Knack.be, januari 2007.

Hij is nog erg jong, maar hij kent zijn klassiekers al behoorlijk goed. Historicus Rik Verwaest over het nationalisme van de 21e eeuw: 'Met symbolen als de IJzertoren en het vendelzwaaien werf je geen jongeren meer.'

Een grote fout die veel politici maken, is dat ze zich laten leiden door de media. Daardoor doen ze aan dagjespolitiek. Toch merk ik dat de ideologieën terugkomen. En dat is een goede zaak. Zelf word ik als student voortdurend uitgedaagd om na te denken over de grote politieke denkstromingen. Ik studeer nieuwste geschiedenis, van de Franse Revolutie tot aan de Tweede Wereldoorlog, en die periode is zeer interessant met betrekking tot het nationalisme.

Het nationalisme heeft een aantal ontsporingen gekend, zeker in de 20e eeuw. Maar als je teruggaat naar de 19e eeuw, zie je dat het oorspronkelijk een heel andere inkleuring kreeg: het was een bevrijdende en verbindende kracht, de motor achter de eerste democratisering. Duitsland en Italië hebben zich bijvoorbeeld verbonden dankzij het nationalisme. Vóór de opkomst van het nationalisme regeerden in het aartsconservatieve Europa de keizer en de koning en de kerk. Het nationalisme is dus ook gelinkt aan de opkomst van het individualisme, van de burgerij die zichzelf emancipeert en ook de rest van het volk wil bevrijden. De invoering van het algemeen stemrecht klopt in die zin perfect met de nationalistische visie.

De natie is synoniem met het volk. Dat wil zeggen: tot de natie reken ik iedereen die binnen onze grenzen woont en bereid is zich te manifesteren als Vlaming. Iemands geloof, huidskleur, afkomst of cultuur hebben daar voor mij als civiel nationalist niets mee te maken. Wie zich met de natie kan identificeren, behoort ertoe. Het nationalisme is een ideologie van de insluiting. En niet van de uitsluiting, zoals bij het Vlaams Belang.

Een auteur die mij enorm heeft geïnspireerd, is Benjamin Barber. Hij is socioloog, was adviseur van Bill Clinton toen die Amerikaans president was, en legt in zijn boek Jihad versus McWorld uit welke twee negatieve krachten de wereld vandaag beheersen. Enerzijds McWorld, waarbij we ernaar streven om de hele wereld hetzelfde uniforme systeem op te leggen. En anderzijds jihad, waarbij we als reactie op die McWorld de neiging hebben onszelf terug te trekken in het strengste religieuze of etnische tribalisme, in ons eigen grote gelijk. In de oplossingen die Barber voorstelt, kan ik mij perfect vinden. We moeten een aantal zaken naar het macroniveau trekken, bijvoorbeeld naar de Europese Unie en de Verenigde Naties. Maar tegelijk moeten we een aantal andere zaken naar een lager niveau terugbrengen, naar het niveau waar we ze het beste kunnen beheren, met een maximale democratische controle. Die laatste beweging noemt Barber glokalisatie.

Dat is de kern van ons verhaal: op een moment dat de wereld globaliseert, dat alles groot wordt, dat een aantal zaken ons lijkt te ontglippen, moeten we voor elk domein kiezen op welk niveau we dat het beste gaan organiseren. In een democratie moeten mensen zich kunnen identificeren met het beleid. Wat Europa betreft, is dat helaas nog niet het geval, maar die kant moet het zeker op.

Beleidsdomeinen zoals defensie en macro-economie, waar het schaalvoordeel meer van belang is, moeten integraal naar het Europese niveau. Een aantal andere domeinen die meer persoonsgebonden zijn, moeten integraal naar het Vlaamse niveau worden getrokken. Vlaanderen is één sociaalculturele ruimte, met een publieke opinie, een medialandschap, een aantal politieke partijen waarop iedereen kan stemmen... Dat is een perfect bestuurbaar geheel, een performante democratie - in tegenstelling tot België.

Die houding heeft niets te maken met tribalisme, of met jihad, of met egoïsme. Want dat is het verwijt dat wij altijd krijgen: dat wij ons willen terugtrekken op ons eilandje, in ons eigen grote gelijk. De wereld wordt eengemaakt en wij willen België splitsen: absurd, vinden sommigen. Maar dat is natuurlijk helemaal niet absurd. Integendeel. Het is net omdát de wereld wordt eengemaakt, dat we alle overbodige tussenniveaus ter discussie moeten durven te stellen. Dat gebeurt niet alleen in België, ook in het Verenigd Koninkrijk staat dat op het punt om te gebeuren. Dat Britse niveau heeft, net als het Belgische, ooit misschien zijn nut gehad, maar vandaag, in een wereld met de VN, de EU en de NAVO, niet meer.

Solidariteit is heel belangrijk, noodzakelijk zelfs. Een Vlaanderen van zes miljoen inwoners zal zich niet kunnen veroorloven om te zeggen: 'Vanaf nu gaat er geen euro meer buiten.' We leven in een Europese Unie met 27 lidstaten, die enorm van elkaar verschillen maar samen wel één sociaaleconomisch geheel vormen. In die context moet je solidair zijn, zeker met je buren. De solidariteit tussen Vlaanderen en Wallonië zal dus zeker blijven bestaan. Alleen zullen we die op Europees niveau moeten organiseren. Vlaanderen zal solidair zijn met Wallonië zoals met Bulgarije of Cyprus. Die solidariteit zal veel transparanter en meer resultaatgericht moeten en kunnen zijn dan vandaag.

Het nationalisme als project heeft een duidelijk eindpunt. Dat is een verschil met het liberalisme, het socialisme, de christendemocratie en het ecologisme. Je kunt het nationalisme ook op verschillende manieren ideologisch inkleuren: liberaal, socialistisch... Wat wij als partij veel meer moeten proberen te doen, is andere partijen overtuigen van ons verhaal en aantonen dat Vlaams-nationalisme niet botst met een liberaal of socialistisch wereldbeeld, maar er iets essentieels aan kan toevoegen.

Wat wij gemeen hebben met de christendemocraten, is onze visie op gemeenschapsvorming. De socialisten willen dat de staat uiteindelijk voor een herverdeling van kansen en middelen zorgt. De liberalen geloven dat een zo groot mogelijke vrijheid van het individu de beste garanties biedt op welvaart en welzijn. Mijn visie sluit meer aan bij het klassieke conservatisme: de samenleving is een netwerk van spontane verbanden tussen mensen. Een mens wordt pas mens als hij zich kan inschrijven in zo'n groter verband, als hij samen met anderen iets onderneemt. Daar ligt voor mij de klemtoon. Een conservatieve visie houdt in dat je vooral focust op het niveau tússen individu en staat. Dat je inziet dat het dorp of de buurt of de vereniging een rol kan spelen die de staat of het individu niet aankunnen.

Die gemeenschapsvorming is de beste remedie tegen de toenemende onzekerheid. Want in die onzekerheid schuilt het kernprobleem van onze tijd. Vlaanderen heeft de afgelopen decennia een enorme evolutie doorgemaakt. Het Vlaanderen van onder de kerktoren is multicultureel en verstedelijkt geworden, met alle vragen en problemen en onzekerheden van dien: vervreemding, vereenzaming, angst... Als politicus kun je dan kiezen: ga je die angst en onzekerheid exploiteren en voeden, zoals het VB doet, of ga je proberen om alle positieve initiatieven te stimuleren? Zonder de mensen iets wijs te maken, want je kunt de klok nu eenmaal geen vijftig jaar terugdraaien. De wereld van vandaag moet niet worden afgewezen of verketterd. Wel moeten we proberen om negatieve effecten zo voorzichtig mogelijk te corrigeren.

Ik wil een Vlaams-nationalist van de 21e eeuw zijn. Als historicus neem ik mijn hoed af voor al die generaties flaminganten die ons zijn voorgegaan. Maar met symbolen als de IJzertoren en het vendelzwaaien werf je geen jongeren meer. Die fout hebben te veel Vlaams-nationalisten te lang gemaakt. Wij moeten een nuchtere analyse brengen, en ophouden met die polemiek rond de collaboratie of de IJzerbedevaart - daar hadden wij als Vlaamse Beweging allang overheen moeten zijn. Het nationalisme van de 20e eeuw is ondertussen folklore geworden. Maar die omslag is nog niet in alle hoofden gemaakt. Ik heb niet de pretentie dat ik het als 21-jarige allemaal zo veel beter weet of zo veel beter kan, maar ik ben er wel van overtuigd dat de nuchtere en eigentijdse manier waarop de N-VA het Vlaams-nationalisme uitdraagt de enige juiste is. Zo zullen we minder het risico lopen om geridiculiseerd te worden als reactionaire vendel- zwaaiers, wat helaas soms nog gebeurt.

Ik zou mezelf een menselijke conservatief willen noemen. Een young urban conservative. Dat wil zeggen dat ik mijzelf distantieer van het soms onmenselijk strenge conservatisme van de vorige eeuw. Ik vind niet dat wij homoseksuelen nog langer kunnen behandelen als mensen die afwijken van de norm. Of neem softdrugs: als jongere kom ik op veel plaatsen waar die worden gebruikt. Keiharde standpunten werken niet meer op zo'n moment. Die fout hebben conservatieven te lang gemaakt: ze wilden allerlei ontwikkelingen tegengaan. Terwijl je beter kunt proberen om de evolutie mee te sturen, niet door alleen maar het negatieve te bestraffen, maar ook en misschien vooral door het positieve te stimuleren. Heel concreet: ik ben zelf nog altijd zeer actief bij de KSA, omdat ik ervan overtuigd ben dat het werk in een jeugdbeweging veel jongeren de kracht en stimulans geeft om hun energie op een positieve manier te gebruiken.

Als conservatief vind ik niet dat je een grote maatschappelijke utopie moet verdedigen. Ik geloof niet in die complete maakbaarheid. Dat hebben moderne conservatieven nog altijd gemeen met Edmund Burke, de zogenaamde aartsvader van het conservatisme. Men beweert vaak dat hij destijds, aan het einde van de 18e eeuw, de Franse Revolutie integraal verwierp. Maar dat klopt niet. Met de ontvoogding die gepaard ging met de revolutie, met het afscheid van de standenmaatschapppij, was Burke het volmondig eens. Hij was het niet eens met de utopie, die ertoe leidde dat iedereen die niet in die utopie paste, werd bestreden en uitgemoord. De samenleving kan niet worden herschapen op basis van een aantal theoretische principes, zij heeft haar eigen logica en ijzeren wetten. De geschiedenis heeft Burke wat dat betreft gelijk gegeven, onder meer met het failliet van het communisme en het fascisme, die ook een nieuwe mens wilden maken.

Ik vind het onthutsend dat Guy Verhofstadt nog altijd doet alsof hij het warm water heeft uitgevonden. Dat kan ik eigenlijk niet bevatten. Die man kan niet erkennen dat hij in die acht jaar dat hij premier was heel wat van zijn elan is kwijtgeraakt. Hij kent zijn beperkingen niet. Dit gezegd zijnde, ben ik slecht geplaatst om hoog van de toren te blazen. Je kunt als politicus nog zoveel over ideologie praten als je wil, zolang je niet verkozen raakt, sta je nergens. Ik kwam bij de gemeenteraadsverkiezingen in Lier 28 stemmen tekort. Dat is een les in nederigheid. Al lijkt het mij niet slecht dat je als politicus af en toe eens klappen krijgt, zodat je ambities een beetje redelijk blijven en je jezelf ook blijft relativeren.'

Knack

Tags:
Bookmark op del.icio.us Voeg toe aan Tagmos.nl Blink deze pagina