Free Image Hosting at www.ImageShack.us

- - - ID : Naar een identitaire stroming in Nederland ! - - -

zaterdag, mei 19, 2007

Fortuyn-revolte: terugblik na vijf jaar door S.W. Couwenberg, mei 2007.

Opinieblad VNO-NCW van 10 mei 2007 kondigde het einde aan van het Fortuyn-tijdperk. Dat einde wordt kennelijk gekoppeld aan dat van de LPF als politieke machtsfactor. Maar de moord op Fortuyn betekende echter al het einde van zijn revolte in de landelijke politiek. De LPF was niet in staat die revolte in het beleid gestalte te geven en heeft daaraan ook niets toegevoegd. De belangrijkste politieke erfgenaam van zijn revolte is dan ook niet zozeer de LPF maar Leefbaar Rotterdam. Die partij is er wel in geslaagd in de geest van zijn revolte een stempel te drukken op het beleid in Rotterdam. Alleen in die partij leeft de geest van Fortuyn nog voort. Vijf jaar na de moord op Fortuyn is er in de media niettemin nog veel aandacht geschonken aan de historische betekenis van zijn revolte in 2002. Die betekenis wordt m.i. echter nog onvoldoende onderkend. Vandaar dat ik daar hier nog eens nader op wil ingaan. Alvorens dat te doen, wil ik eerst nog even stilstaan bij de demonisering van Fortuyn omdat dat in de media bij herdenkingen van de moord op hem nauwelijks nog aandacht krijgt.

Demonisering
Nederland bood altijd het toonbeeld van een lieve democratie, waarin een politieke moord ondenkbaar leek, aldus Eerste Kamervoorzitter Gerrit Braks in zijn herdenkingstoespraak een dag na de moord op Pim Fortuyn vijf jaar geleden. Maar zo lief is onze democratie als het erop aankomt toch niet. Wel is zij dankzij onze consensustraditie minder hard en agressief dan het Angelsaksische model van democratie waar twee grote partijen keihard met elkaar om de macht strijden. Lief is zij ook alleen voor wie deel uitmaakt van de gevestigde politieke families, ons soort mensen, zoals Fortuyn niet zonder enige ironie placht te zeggen. Die ontzien elkaar meestal redelijk omdat zij elkaar altijd weer nodig hebben. Maar wie als buitenstaander het lef heeft in te breken in het gevestigde partijpolitieke bestel en in de ogen van het politieke establishment op populistische wijze gevestigde machtsposities serieus in gevaar brengt zoals Fortuyn in 2002 onverhoeds deed, die wordt ongenadig aangepakt en onderuit gehaald. Dat heeft Fortuyn figuurlijk en letterlijk aan den lijve ervaren. Via demonisering van zijn politieke visie en politieke karaktermoord op zijn persoon is dat tenslotte uitgelopen op de politieke moord die wij vandaag opnieuw herdenken.

Als we nog eens op een rijtje zouden zetten wat Fortuyn van de zijde van de gevestigde politiek allemaal over zich heen gekregen heeft om hem in een zo kwalijk mogelijk daglicht te plaatsen, dan is dat hoogst gênant voor al die politici, wetenschappers en journalisten die daaraan mee gedaan hebben en daaraan nu liever niet meer herinnerd willen worden. Ik heb dat indertijd wel gedaan in mijn boek over de Fortuyn-revolte en daarna is dat eveneens gedaan door de docent filosofie en Nederlandse letterkunde René Marres. Maar die kwalijke bestrijdingswijze van de Fortuyn-revolte krijgt bij herdenkingen van de moord op hem in de media nog altijd weinig aandacht. Telegraaf-columnist Kees Lunshof presteerde het overigens de demonisering van Fortuyn nog eens dunnetjes over te doen door hem op 6 mei jl. in zijn krant opnieuw op denigrerende wijze te diskwalificeren als relnicht en doorgeslagen extremist die op de onderbuikgevoelens van het kuddevolk politiek gewin zocht. Wat dat laatste betreft, is het onder de kranten niet vooral de Telegraaf die graag appelleert op die onderbuikgevoelens van het kuddevolk?

Een intrigerende vraag voor Fortuyn-kritici was aanvankelijk hoe de onverhoedse politieke opgang van Fortuyn te verklaren? Jarenlang gold hij in kringen van de gevestigde politieke en journalistiek als een herkenbare schertsfiguur die aan de zijlijn wel wat politiek kabaal mocht maken omdat dat geen echt politiek gevaar opleverde. Toen hij via Leefbaar Nederland en daarna de LPF plotseling de kans kreeg het boegbeeld te worden van een serieus te nemen politiek alternatief, werd dat echter anders en werden onmiddellijk alle invectieven uit de kast gehaald om het volk diets te maken dat een groot gevaar ons land bedreigde. Een nieuwe Mussolini zou zijn opgestaan, riepen om enkele onheilsprofeten uit dat geruchtmakende jaar 2002 te citeren de toenmalige VVD-voorzitter, Volkskrant-columnist Jan Blokker, PvdA-ideoloog Bart Tromp en Manuel Kneepkens van de Stadspartij die Fortuyn ook opvoerde als fascist in Armani-pak. Op systematische wijze werd Fortuyn in de hoek gedrukt van een naar racisme en fascisme riekende politieke oriëntatie. In het Historisch Nieuwsblad deden Nederlandse historici hun best om de nieuwe politiek van Fortuyn op één lijn te stellen met die van de NSB. Marcel van Dam had dat al eerder gedaan. Als we Fortuyn in historisch perspectief willen plaatsen, dan staat hij veeleer in de traditie van de democratische patriottenbeweging eind 18e eeuw. Hij verwijst daar zelf ook nadrukkelijk naar, met name naar het befaamde geschrift Aan het volk van Nederland van de patriottische voorman J.D. van der Capelle.

Die demonisering van Fortuyn is daarom zo gênant voor zijn politieke vijanden omdat de gevestigde partijen van links en rechts zijn politieke programma na zijn dood in vergaande mate overgenomen hebben. Zij namen zodoende in feite hun met veel tamtam gelanceerde beschuldigingen van racisme en fascisme zelf niet eens serieus. Maar wel hebben zij ermee bereikt dat Fortuyn grote moeite had mensen met de nodige kwaliteiten voor de lijst van zijn ijlings opgerichte partij aan te trekken omdat velen ervoor terug schrokken besmet te raken met het voor hun carrière uiterst schadelijke virus van racisme en fascisme waarmee de vijanden van Fortuyn zijn nieuwe politiek inmiddels geïnfecteerd hadden. En dat is Fortuyn noodlottig geworden.

Door de moord op hem bleef de LPF die organisatorisch nog helemaal in de steigers stond, verweesd en stuurloos achter. Uitsluitend dankzij de revolte van Fortuyn tegen de gevestigde politiek behaalde die plotsklaps politiek onthoofde partij liefst 26 kamerzetels. In plaats van zich eerst te concentreren op de opbouw van de partij en op het scheppen van de nodige samenhang in de ijlings bij elkaar getrommelde kamerfractie van veelal politiek onervaren lieden toonde de leiding van die fractie zich onmiddellijk bereid regeringsverantwoordelijkheid op zich te nemen hoewel dat op dat moment haar krachten verre te boven ging. Zij beschikte niet eens over eigen gekwalificeerde ministerskandidaten. Bovendien ging zij daarmee in tegen hun vermoorde leider. Die had namelijk een duidelijke voorkeur voor een zakenkabinet, met andere woorden een extraparlementair kabinet dat regeert met wisselende meerderheden. Dat had een heel welkome bijdrage kunnen leveren tot herstel van het dualisme tussen regering en parlement dat in onze partijendemocratie weinig meer voorstelt en in het voetspoor van Thorbecke ook sterk de voorkeur had van Fortuyn. Zoals ik eerder al uiteengezet heb was dat besluit om zonder de nodige waarborgen deel te nemen aan een nieuw kabinet een grandioze blunder en is dat ook spoedig afgestraft met de val van het eerste kabinet-Balkenende. Voor de gevestigde politiek was die val een ‘blessing in disguise’. Het leidde het roemloze einde in van de LPF. Dat Fortuyn zelf al de voorwaarden gecreëerd had voor die tragische afgang zoals R. Bouwman in HP/De Tijd (van 4 mei jl.) beweert, valt hem m.i. slechts ten dele toe te rekenen. Zoals gezegd moest Fortuyn niet alleen in ijl tempo een kandidatenlijst voor de Tweede Kamer samenstellen, bovendien bedankten velen die hij vroeg voor de eer van volksvertegenwoordiger omdat zij liever niet geassocieerd wilden worden met een partij die door de hetze tegen Fortuyn zo omstreden geraakt was. Desondanks is de Fortuyn-revolte m.i. in velerlei opzichten succesvol geweest.

Historische betekenis
Wat is achteraf de historische betekenis van zijn revolte? Wat politieke vijanden aanvankelijk trachtten te bagatelliseren als een incident, een mediahype, een kwalijke massahysterie, wordt nu in de politieke literatuur evenals in de media aangemerkt als een reële politieke breuk in de Nederlandse politieke ontwikkeling. Vandaar dat na zijn verscheiden dan ook gesproken wordt van het post-Fortuyn tijdperk. Een van de grote veranderingen die dat tijdperk kenmerken is het feit dat onze Nederlandse identiteit dankzij Fortuyn een serieus te nemen politiek thema geworden is. Sinds de jaren zestig werd dat jarenlang als iets volstrekt irrelevants beschouwd. Wie dat thema wel serieus nam, werd al gauw geassocieerd met hoogst bedenkelijke nationalistische sentimenten, met cultureel racisme e.d. en daarmee in een foute hoek weggezet. Dat heb ik ook zelf ervaren. En dat overkwam Fortuyn ook nog. Door op te komen voor zo iets oudbakkens als een Nederlandse identiteit zou hij de geur verspreiden van een kwalijk riekend spruitjesnationalisme. En wat naar spruitjes riekt deugt sinds de jaren zestig volstrekt niet meer, hoewel spruitjes toch een gezonde groente is.

Maar wat zien we de laatste jaren? Nu hebben we ineens een breed gedragen nationale trots nodig, een hernieuwde en herkenbare Nederlandse identiteit om onze omgang met nieuwkomers tot een succes te maken zoals D66-coryfee Brinkhorst in 2005 betoogde in zijn toespraak bij de opening van het academische jaar van de Leidse Universiteit. Tot dan toe was dat in zijn partij een heel foute, want rechtse opstelling geweest evenals trouwens in de PvdA. Maar ook daar heeft de Fortuyn-revolte een omwenteling teweeg gebracht. PvdA-leider W. Bos pleit nu eveneens met veel aplomb voor herstel van onze nationale trots, ja voor het cultiveren van de Nederlandse droom, nog niet zo lang geleden een vloek in de linkse kerk. Fortuyn heeft daarmee op doeltreffende wijze afgerekend met de linkse weg-met-ons-mentaliteit, die jarenlang tot de goede toon behoorde wilde men meetellen in politiek correct geachte kringen.

Die mentaliteit had o.a. ook tot gevolg dat de integratie van allochtonen in onze samenleving en cultuur jarenlang niet serieus genomen is, ja zelfs met een racistische mentaliteit geassocieerd werd. Het is vooral dankzij de revolte van Fortuyn dat die integratie nu een belangrijk onderdeel geworden is van het regeringsbeleid. Tot het beleid van het nieuwe kabinet behoort nu ook het voornemen om de Nederlandse taal als cruciaal element van onze Nederlandse identiteit in de grondwet te verankeren. Dat is geen overbodige luxe, gezien de neiging van velen in dit land hun taal louter te waarderen als middel tot communicatie. Daardoor is die taal heel kwetsbaar geworden tegenover het oprukkende Engels als wereldtaal. Er zijn zelfs al meerdere pleidooien gehouden voor afschaffing van het Nederlands ten gunste van het Engels. Wat stelt die Nederlandse identiteit eigenlijk nog voor? Wat bindt ons als Nederlanders nog, is een vraag die sinds de jaren zestig jarenlang in progressief geachte kringen gesteld werd. Toch is die vraag niet zo moeilijk te beantwoorden als men enig historisch besef heeft. Wat ons bindt is namelijk een gemeenschappelijk verleden met al de conflicten die daarvan deel uitmaken. Dat is een gemeenschappelijke taal en cultuur. En dat is uiteraard ook een gemeenschappelijke toekomst. Met zijn revolte heeft Fortuyn een belangrijke impuls gegeven aan de politieke discussie over de Nederlandse identiteit en mede ertoe bijgedragen haar te bevrijden uit de ideologische en verzuilde denkcategorieën die die discussie zo lang belast en beperkt heeft.

Zijn opkomen voor die identiteit als relevante politieke en maatschappelijke factor neemt niet weg dat Fortuyn tegenover bepaalde aspecten van die identiteit niet kritiekloos stond. Zo had hij een broertje dood aan het eindeloos polderen over urgente problemen en de stroperige en halfslachtige besluitvorming die daarvan het gebruikelijke gevolg is. Heel weinig op had hij ook met de diepgewortelde regententraditie in dit land, waardoor het volk aan de basis, zoals de rebellerende generatie van de jaren zestig dat placht te noemen, zoveel mogelijk op afstand van politieke besluitvorming wordt gehouden. Vandaar de weerzin van onze politieke elites tegen referendum en volksinitiatief, al hebben we wel een staatscommissie-Biesheuvel gehad die daar in de jaren tachtig op krachtige en overtuigende wijze voor gepleit heeft. Maar dat pleidooi is toen door de gevestigde politiek volstrekt genegeerd. Als gevolg van die regententraditie is de Europese integratie ook zo lang een exclusieve aangelegenheid geweest van politieke en bestuurlijke elites. In een moment van politiek verstandsverbijstering heeft de gevestigde politiek niettemin besloten plotsklaps en in een vloek en een zucht een adviserend referendum te houden over zo’n complexe materie als Europese grondwet zonder het volk daarover eerst voldoende te informeren, ervan uitgaande dat het volk daar zondermeer vóór zou zijn.

Na de Fortuyn-revolte is opnieuw gebleken hoezeer de gevestigde politiek vervreemd geraakt was van wat onder het volk leeft. Fortuyn was zelf volstrekt niet tegen Europese integratie. Hij vond dat een uniek project. Alleen had hij er bezwaar tegen dat onze Nederlandse soevereiniteit en identiteit daaraan teveel en te nonchalant ondergeschikt gemaakt werden wat jarenlang deel uit gemaakt had van politiek correct denken. Tijdens de Fortuyn-revolte werd hij om die reden nog als exponent van rechtspopulisme beticht. Nu vindt zijn standpunt ook op dit punt van rechts tot links brede weerklank.

Tot de historische betekenis van de Fortuyn-revolte reken ik ook dat hij op overtuigende wijze niet alleen de problematische kloof tussen de gevestigde politiek en de burgers aan het licht gebracht heeft maar ook die tussen de media en de burgers. Achteraf heeft de professionele journalistiek ruiterlijk erkend hoezeer zij zich aanvankelijk verkeken heeft op de politieke onvrede onder het volk die Fortuyn onverhoeds op zo succesvolle wijze wist te vertolken.

De sluimerende crisis van onze representatieve democratie die tijdens de Fortuyn-revolte nog sterker dan voorheen aan het licht kwam, duurt nog onverminderd voort, al probeert het nieuwe kabinet daar wat aan te doen door in de eerste honderd dagen zijn oor te luister te leggen bij voornamelijk georganiseerd Nederland. Maar de gevestigde politiek weigert nog altijd onze democratie meer representatief te maken, bijvoorbeeld door onze gezagsdragers direct te laten kiezen en via referenda het volk meer bij grote kwesties die ons allen aangaan te betrekken. Wel is sinds de jaren zestig een reeks van rapporten van staatscommissies en andere gremia verschenen om daar wat aan te doen. Maar daar gebeurt allemaal niets mee. Een enorme verspilling van politieke creativiteit en energie en uiteraard ook van publieke middelen. Het nieuwe kabinet heeft ook niets gedaan met de voorstellen van de vorig jaar ingestelde Nationale Conventie. Dat duidt er opnieuw op dat de gevestigde politiek wat haar eigen functioneren betreft nog weinig geleerd heeft van de historische betekenis van de Fortuyn-revolte.

Meer nog dan voorheen heeft die revolte ons geleerd dat het electoraat in vergaande mate losgeraakt is van de oude ideologische scheidslijnen waaraan ons partijpolitieke bestel nog steeds zijn bestaansreden ontleent, maar die door kiezers bij iedere verkiezing met groot gemak overschreden worden. De onverwacht grote winst die het CDA bij de verkiezingen van 15 mei 2002 wist te behalen dankte die partij zeker niet aan zijn hernieuwde ideologische oriëntatie zoals wel beweerd is, maar voornamelijk aan strategisch stemgedrag dat steeds meer de verkiezingsuitslag bepaalt. Veel potentiële Fortuyn-kiezers die in de lijst van de LPF na de plotselinge dood van Fortuyn weinig vertrouwen meer hadden, konden hun oppositie tegen Paars toen alleen nog kenbaar maken door op het CDA te stemmen. En dat hebben zij dan ook in groten getale gedaan, hoewel het CDA in zijn oppositie tegen Paars weinig succesvol was geweest zoals tot kort voor de moord op Fortuyn uit de peilingen duidelijk gebleken is. Dankzij de Fortuyn-revolte heeft het CDA zich succesvol kunnen herstellen van zijn pijnlijke politieke terugval in de jaren negentig en heeft het daarom op de keper beschouwd het meest geprofiteerd van de Fortuyn-revolte.

Het onverwacht grote succes van de Fortuyn-revolte heeft zonneklaar aangetoond dat de uitslag van de politieke concurrentiestrijd niet langer bepaald wordt door de oude ideologische scheidslijnen van de oude politiek, maar door de wijze waarop actuele politieke thema’s en strijdpunten aangepakt worden en het vertrouwen dat concurrerende partijleiders inboezemen om leiding te geven aan het te voeren beleid. Niet langer de ideologie van de oude politiek, maar de persoon van de politieke leider als persoonlijke belichaming van een aansprekende politieke visie bepaalt steeds meer de uitkomst van de politieke concurrentiestrijd. Ook dat heeft de Fortuyn-revolte meer dan voorheen aan het licht gebracht.

Onze klassieke partijen raken steeds meer maatschappelijk ontworteld en daardoor in toenemende mate afhankelijk van staatssteun. Zij moeten hun bestaansreden bij iedere verkiezing opnieuw waarmaken en nieuwe politieke concurrentie het hoofd bieden. Vandaar dat politieke marketing zo in de lift zit in de strijd om het politieke voortbestaan. Politieke partijen krijgen daardoor steeds meer het karakter van politieke ondernemingen, geleid door politieke entrepreneurs en Fortuyn is daarin op succesvolle wijze voorop gegaan, al is zijn politieke initiatief in de knop gebroken door de politieke moord die we vandaag herdenken. Zijn revolte heeft ook op dit punt niettemin een nieuwe trend gezet. In de geest van de oude politiek dienen politieke partijen zich nog te presenteren als maatschappelijke vereniging. Naar aanleiding van de partij van Wilders die slechts strikt formeel een vereniging is is de vraag gerezen of we nog moeten vasthouden aan die verenigingsvorm. Waarom, aldus de Leidse politicoloog Andeweg, niet ook stichtingen en natuurlijke personen laten deelnemen aan verkiezingen. Het is, zo vindt hij, aan de kiezers en niet aan de wetgever om uit te maken op wat voor partij zij willen stemmen.

Zoals gezegd hebben de politieke vijanden van Fortuyn hardnekkig geprobeerd zijn revolte in een extreem-rechtse hoek te manoeuvreren. Ik heb dat van stonde af aan bestreden. Kenmerkend voor zijn politieke opstelling was juist dat hij zich nadrukkelijk distantieerde van het oude en simplistisch geworden links-rechts schema. Ik buig niet naar links en ik buig niet naar rechts, verklaarde hij nadrukkelijk aan het begin van zijn politieke carrière. En dat was geen loutere verkiezingskreet. Als we zijn politieke programma onbevooroordeeld analyseren dan zien we daarin een duidelijke vermenging van linkse en rechtse ideeën en actiepunten. Dat zowel links als rechts geheten partijen met de politieke erfenis van Fortuyn aan de haal zijn gegaan illustreert opnieuw dat Fortuyn zich had losgemaakt van dat simplistische links-rechts schema. Het Britse dagblad The Daily Telegraph vergeleek zijn programma dan ook met de derde weg van de Britse New Labour-leider Tony Blair. Juist door die combinatie van linkse en rechtse ideeën had Fortuyn zich ideologisch ongrijpbaar gemaakt en was hij niet in een ideologisch, i.c. extreem-rechts hokje te vangen, hoe hardnekkig zijn vijanden dat ook geprobeerd hebben. Zijn pleidooi voor herstel van de menselijke maat als reactie op de praktijk van schaalvergroting in onderwijs, landbouw, medische zorg, gemeentelijk bestuur e.d. dat aanvankelijk werd weggehoond als nostalgie naar de spruitjeslucht van de jaren vijftig, maar nu brede weerklank vindt, dat pleidooi staat haaks op alles wat zweemt naar politiek extremisme.

De linkse kerk heeft zich jarenlang opgeworpen als toonbeeld van intellectuele en morele superioriteit. Tot de historische betekenis van de revolte van Fortuyn reken ik ook de wijze waarop hij die pretentie ontmaskerd heeft als een leeggelopen ballon. In linkse kringen spreekt men nu zelf niet voor niets over de ideologische leegte van links. Als na de Fortuyn-revolte gesproken wordt over Nederland als een natie in verwarring, betreft dat voornamelijk links georiënteerd Nederland.
Dat beklaagt zich nu over de intolerante sfeer die kenmerkend is voor het post-Fortuyn tijdperk en brengt dat in verband met Fortuyns meest bekende leuze: ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. Maar die leuze was een normale historische reactie op de sinds de jaren zestig heersende cultus van links georiënteerd politiek correct denken. Dat was zelf een saillante uiting van politieke intolerantie. Standpunten die daarvan afweken en die nu vrij algemeen aanvaard zijn, werden toen onmiddellijk met kwalijke etiketten zoals racisme en fascisme gestigmatiseerd. Velen raakten daardoor zo geïntimideerd dat zij maar hun mond hielden. Het fenomeen van de zwijgende meerderheid is daardoor ontstaan. De Fortuyn-revolte heeft die zwijgende meerderheid een stem gegeven en velen die daartoe behoorden gemobiliseerd tegen de gevestigde politiek. Dat is onmiddellijk als populistische reactie gebrandmerkt. Maar het populisme van Fortuyn was door en door democratisch. Hij signaleerde en agendeerde lange tijd niet of onvoldoende erkende problemen, corrigeerde het naar binnen gekeerde politieke bestel en beoogde zodoende een herstel van de omstreden geraakte legitimiteit van de Nederlandse partijpolitiek.

De herdenking van de politieke moord op Fortuyn staat van stonde af aan in het teken van zijn strijd voor het vrije woord. Die strijd gaat onverminderd voort. Uit een onlangs gepubliceerd onderzoek dat verricht werd in opdracht van het Nationale Comité 4 en 5 mei blijkt namelijk dat liefst 38 procent van de ondervraagden niet voor zijn of haar mening durft uit te komen.

Sinds de Fortuyn-revolte verkeert Nederland in een snelkookpan. Politieke verhoudingen en ijkpunten die ideologisch vast verankerd leken zijn vloeibaar geworden en bieden niet langer het nodige houvast. Links is niet meer links en rechts is niet meer rechts, zoals de Nijmeegse politicoloog Graham Lock onlangs opmerkte naar aanleiding van de Fortuyn-revolte. Aan de vooravond van de herdenking op 6 mei 2003 van de moord op Fortuyn schreef NRC Handelsblad: “Vriend en vijand zijn het erover eens dat Fortuyn het voorspelbare en tam geworden politieke debat in Nederland nieuw leven ingeblazen heeft en kwesties gepolitiseerd waarop de politiek haar greep verloren had.” Bij de herdenking in dat jaar is ook de vraag geopperd of zijn politieke revolte een vervolg zal krijgen. HP/De Tijd sprak in dit verband over de vacature-Fortuyn. Met Geert Mak zag dat blad toen in de Fortuyn-revolte een voor-revolutie. Een opinie-onderzoek van Intermart een jaar later bevestigde die vacature. Ruim 49 procent van de bevolking, zo bleek daaruit, vindt dat Nederland een nieuwe Pim Fortuyn nodig heeft.

Als de Fortuyn-revolte iets duidelijk gemaakt heeft is het toch wel de grote kwetsbaarheid van de oude politiek. Hoe valt anders te verklaren dat zij door een lange tijd volstrekt niet serieus genomen politieke buitenstaander als Fortuyn in luttele maanden zo in het nauw gedreven kon worden en zich alleen nog staande wist te houden door tegen hem een bijzonder venijnige hetze te ontketenen die hij niet overleefd heeft.

We zijn nu vijf jaar verder. De Nederlandse politiek lijkt nu weer in oude sporen teruggevallen. Maar schijn bedriegt. Ik ga niet zover als de Tilburgse bestuurskundige Marcel Boogers die meent dat politieke partijen als intermediair tussen burgers en de overheid hun langste tijd gehad hebben. Wel geldt dat voor de oude partijpolitiek. In het 24e jaarboek van het democratisch socialisme van de Wiardi Beckman Stichting getiteld Politieke partijen op drift werden de oude partijen opgevoerd als oude diva’s die hun vergane glorie onder dikke lagen make up en flatteuze kledij proberen te camoufleren.

Dankzij de geaborteerde Fortuyn-revolte heeft de oude partijpolitiek uitstel van executie gekregen. In bepaalde opzichten heeft zij wel wat geleerd van zijn revolte, maar nog lang niet genoeg. Alle reden dus om de oude partijpolitiek kritisch te blijven volgen en zonodig met nieuwe initiatieven in de politieke ring te springen om de oude politiek in de geest van de Fortuyn-revolte opnieuw uit te dagen en nieuwe wegen te verkennen naar de toekomst van dit land en van Europa dat sinds de jaren vijftig onlosmakelijk deel uitmaakt van onze gemeenschappelijke toekomst.


Bewerking van een toespraak, op 6 mei jl. in Rotterdam gehouden bij de herdenking van de politieke moord op Fortuyn

Labels: ,

1 Comments:

Een reactie plaatsen

<< Home